Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7866

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2011
Datum publicatie
14-06-2011
Zaaknummer
201012200/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BMA-advies / vergewisplicht / bronnen BMA niet bekend / deskundigheid vertrouwensartsen

Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2005 in zaak nr. 200505188/1 (JV 2005/473) volgt dat, voor zover hier van belang, de enkele omstandigheid dat de door het BMA geraadpleegde bronnen niet bij de minister bekend zijn, geen grond biedt voor de conclusie dat de minister bij de besluitvorming niet van de juistheid en volledigheid van het BMA advies mag uitgaan. Evenmin is van belang dat de door de vertrouwensartsen opgestelde brondocumenten niet ondertekend zijn en daaruit niet blijkt welke deskundigheid de vertrouwensartsen hebben. De minister heeft er op grond van de BMA-adviezen van 5 augustus 2009 en 5 februari 2010 van mogen uitgaan dat de geraadpleegde vertrouwensartsen over de vereiste deskundigheid beschikken. De rechtbank heeft derhalve in voormelde omstandigheden ten onrechte aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister niet aan vorenbedoelde vergewisplicht heeft voldaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012200/1/V1.

Datum uitspraak: 6 juni 2011

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 18 november 2010 in zaak nr. 10/9105 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 8 maart 2010 heeft de minister van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 december 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan diens rechtsvoorgangers.

2.2. In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich onvoldoende ervan heeft vergewist dat de aan het besluit van 8 maart 2010 ten grondslag gelegde adviezen van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent zijn. Daartoe voert de minister aan dat, samengevat weergegeven, de rechtbank niet heeft onderkend dat niet doorslaggevend is dat de brondocumenten, waarop het BMA zich heeft gebaseerd, door de vertrouwensartsen niet zijn ondertekend en daaruit niet blijkt welk specialisme de geraadpleegde vertrouwensartsen hebben. Volgens de minister strekt de vergewisplicht niet zover dat hij nadere inlichtingen dient in te winnen als hij geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de deskundigheid van het BMA bij de keuze en inschakeling van de vertrouwensartsen in Nigeria en de inhoudelijke juistheid van de adviezen van het BMA.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1; www.raadvanstate.nl), strekt, indien en voor zover de minister BMA adviezen aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of de minister zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat de BMA adviezen naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent zijn.

2.2.2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2005 in zaak nr. 200505188/1 (JV 2005/473) volgt dat, voor zover hier van belang, de enkele omstandigheid dat de door het BMA geraadpleegde bronnen niet bij de minister bekend zijn, geen grond biedt voor de conclusie dat de minister bij de besluitvorming niet van de juistheid en volledigheid van het BMA advies mag uitgaan. Evenmin is van belang dat de door de vertrouwensartsen opgestelde brondocumenten niet ondertekend zijn en daaruit niet blijkt welke deskundigheid de vertrouwensartsen hebben. De minister heeft er op grond van de BMA-adviezen van 5 augustus 2009 en 5 februari 2010 van mogen uitgaan dat de geraadpleegde vertrouwensartsen over de vereiste deskundigheid beschikken. De rechtbank heeft derhalve in voormelde omstandigheden ten onrechte aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister niet aan vorenbedoelde vergewisplicht heeft voldaan.

De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die nog bespreking behoeven.

2.4. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat de minister in strijd met artikel 3:2 van de Awb heeft gehandeld door in de bezwaarfase een aanvullend advies van het BMA in te winnen en mede op basis van dit advies van 5 februari 2010 een besluit te nemen zonder dat advies aan de vreemdeling over te leggen en hem in de gelegenheid te stellen daarop te reageren, al dan niet door middel van een contra-expertise.

2.4.1. Omdat de minister het besluit van 8 maart 2010 heeft genomen zonder de vreemdeling vooraf in kennis te stellen van het BMA-advies van 5 februari 2010, dat hij heeft ingewonnen naar aanleiding van hetgeen de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd, en dat advies van aanmerkelijk belang is geweest voor het nemen van het besluit, heeft de minister dat besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen.

Het betoog slaagt.

2.5. Verder betoogt de vreemdeling dat hij in de bezwaarprocedure ten onrechte niet is gehoord.

2.5.1. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

Reeds omdat de minister naar aanleiding van hetgeen de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd het aanvullend advies van 5 februari 2010 bij het BMA heeft ingewonnen, was niet op voorhand buiten twijfel dat de bezwaren niet konden leiden tot een andersluidend besluit. De minister heeft derhalve ten onrechte van het horen afgezien.

Het betoog slaagt.

2.6. Het inleidend beroep is gegrond. Het besluit van 8 maart 2010 komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Onder voormelde omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 8 maart 2010 in stand te laten. De minister dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.7. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 18 november 2010 in zaak nr. 10/9105;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Justitie van 8 maart 2010;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de minister voor Immigratie en Asiel aan de vreemdeling het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Willems

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2011

412-587.

Verzonden: 6 juni 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser