Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7857

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
14-06-2011
Zaaknummer
201010332/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BO1701, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Egypte / homoseksueel / 3 EVRM / 8 EVRM

Uit het proces verbaal blijkt niet dat de minister zich ter zitting bij de rechtbank op het standpunt heeft gesteld dat homoseksuelen in Egypte alleen vanwege hun seksuele geaardheid strafrechtelijk worden vervolgd. Voormelde in 2008 en 2010 op het internet gepubliceerde stukken geven in het bijzonder blijk van negatieve aandacht van de Egyptische autoriteiten voor Hiv geïnfecteerde mannen. Hoewel daaruit ook blijkt dat als gevolg daarvan homoseksuelen meer in de negatieve aandacht van die autoriteiten zijn komen staan waarbij voorbeelden worden gegeven van strafrechtelijke vervolging op grond van strafbepalingen die niet expliciet op homoseksualiteit zien, kan daaruit noch uit voormeld op de website allesovergay.nl gepubliceerd stuk zonder datum worden afgeleid dat homoseksuelen in Egypte systematisch worden vervolgd in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Uit de overige hiervoor onder 2.2.1 vermelde stukken kan dit evenmin worden afgeleid. Bovendien dateren zij van ruim vóór de situatie in Egypte ten tijde van het nemen van het besluit van 18 juli 2008. Gelet hierop heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister zich in het voornemen, dat hij in het besluit van 18 juli 2008 heeft ingelast, terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat homoseksualiteit in Egypte wordt bestraft op grond van strafbepalingen die alleen op homoseksuelen betrekking hebben dan wel dat homoseksuelen in Egypte systematisch worden vervolgd in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Voor zover dit betoog in dit verband al een rol kan spelen, te weten door het op te vatten als is het besluit van 18 juli 2008 in strijd met het recht van de vreemdeling op respectering van zijn privéleven bedoeld in artikel 8 van het EVRM, gelezen in samenhang met het in artikel 3 van het EVRM opgenomen verbod op onmenselijke behandeling, faalt het, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4.4 is overwogen en in aanmerking genomen dat de minister zich in voormeld besluit op generlei wijze op het standpunt heeft gesteld dat hij van de vreemdeling verwacht dat deze bij terugkeer naar Egypte een levensstijl aanneemt die in strijd is met diens seksuele geaardheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010332/1/V1.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 28 september 2010 in zaak nr. 09/31329 in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 september 2010, verzonden op 29 september 2010, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister van Justitie een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens diens rechtsvoorgangers verstaan.

2.2. In grief 1 klaagt de minister dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, in het licht van de door de vreemdeling overgelegde informatie, waaruit kan worden afgeleid dat homoseksualiteit in Egypte tot ernstige of minder ernstige problemen kan leiden en nu ter zitting is gebleken dat tussen partijen geen verschil van mening meer bestaat over de al dan niet strafrechtelijke vervolging van homoseksuelen in Egypte op grond van andere strafbepalingen dan een bepaling waarin homoseksualiteit expliciet strafbaar is gesteld, in het besluit van 18 juli 2008 ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat homoseksuelen in Egypte niet systematisch worden vervolgd en homoseksualiteit aldaar niet expliciet strafbaar is gesteld. Hiertoe voert de minister aan dat, samengevat weergegeven, uit openbare bronnen die hem bekend zijn noch uit de door de vreemdeling overgelegde informatie naar voren komt dat in Egypte homoseksualiteit op zichzelf reeds strafbaar is, dat de overweging van de rechtbank dat tussen hem en de vreemdeling geen verschil van mening meer bestaat over de al dan niet strafrechtelijke vervolging van homoseksuelen in Egypte op grond van andere strafbepalingen feitelijke grondslag mist nu dit niet kan worden afgeleid uit het besluit van 18 juli 2008 of het proces verbaal van de rechtbankzitting van 17 augustus 2010 (hierna: het proces verbaal) en dat de situatie voor homoseksuelen in Egypte niet dusdanig is dat moet worden aangenomen dat de vreemdeling alleen al omdat hij homoseksueel is bij terugkeer gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: het Vluchtelingenverdrag).

2.2.1. De rechtbank heeft de volgende door de vreemdeling overgelegde informatie bij haar oordeel betrokken.

- Het in februari 2008 op de website van The World Next Week gepubliceerde stuk 'Egypt's moral panic' waarin, voor zover thans van belang, het volgende is vermeld:

"Amnesty International reports that the practice of apprehending HIV positive individuals began in October 2007, when police intervened in an argument between two men on a street in Cairo. When one of them informed the officers he was HIV positive, police immediately took both men to the morality police office and opened an investigation against them for homosexual conduct. (…) Last week, Cairo police rounded up four more men suspected of having HIV, bringing the number of people arrested in its recent campaign to 12. (…) Human Rights Watch claims the arrests are the products of homosexual intolerance and misunderstanding about HIV. (…) A few hundred men have been arrested on suspicion of homosexual conduct in Egypt the last few years, but it is thought that thousands of others have been harassed, arrested, often tortured, but not charged. (…) Gasser Abdel Razek, Human Rights Watch's acting director of regional relations in the Middle East, has said that these cases show Egyptian police acting on a dangerous belief that HIV is not a condition to be treated, but a crime to be punished."

- Het op 9 april 2008 op de website van CBS News gepubliceerde stuk 'Egypt imprisons gay men for debauchery' waarin, voor zover thans van belang, het volgende is vermeld:

"Homosexuality is not explicitly referred to in Egypt's Legal code, but a wide range of laws covering obscenity, prostitution and debauchery are applied to homosexuals in this conservative country. The five men were arrested in what human rights groups describe as a crackdown on people with the AIDS virus, using debauchery charges as a means to prosecute them. (…) The five convicted Wednesday were among 12 people arrested in a sweep that began in October, when police arrested a man during an altercation with another man on a Cairo street, Human Rights Watch said. After one of the men said he was HIV positive, authorities opened investigations into other men whose names or contact information were uncovered in interrogations (…). In mid January, four other HIV positive men from the group of 12 were sentenced to one year prison terms on similar charges of debauchery. Three others from the 12 were not prosecuted, Human Rights Watch said."

- Het op 15 april 2010 op de website van BBC News gepubliceerde stuk 'Egypt's homosexuals find home in cyberspace' waarin, voor zover thans van belang, onder de kop "Forced HIV tests" het volgende is vermeld:

"As well as muggings and harassment gay men face the danger of prosecution under public morality laws. "We still document cases where gay individuals, couples or groups are reported by their neighbours, arrested for public indecency or have gone to report crimes and found themselves into the accused," says Hossam Bahgat, director of the Egyptian Initiative for Personal Rights. "In the majority we see the same pattern: arrests without probable cause, forced medical examinations and mandatory HIV tests, physical abuse and coercion to give confessions." The most notorious crackdown was in 2001 when 52 men were detained on the Queen Boat, a floating nightclub in central Cairo. Twenty one of them were jailed for three years for "habitual debauchery". While certain shopping malls and cinemas are still known as gay hang outs, websites are seen as a safer way to meet new people. "In Cairo, Alexandria and other cities in Egypt there have been literally thousands of postings on our message boards," remarks Ali, who set up GayEgypt.com 10 years ago. "Initially it was about recording news events and history," he says "but there are no gay bars or clubs and no gay newspapers so the internet quickly became the only way to communicate.""

- Een op de website allesovergay.nl gepubliceerd stuk zonder datum waarin, samengevat weegegeven, een aantal landen, waaronder Egypte, wordt afgeraden als vakantiebestemming voor homoseksuelen.

- Het stuk 'Egypte: celstraffen voor homoseksuelen' van Amnesty International van 15 november 2001.

- Het stuk 'Egypt: crackdown on homosexual conduct exposes torture crisis' van Human Rights Watch van 1 maart 2004.

- Het op 3 juli 2004 op de website van de Johannes Wier Stichting gepubliceerde stuk 'Vervolging, mishandeling en marteling van homoseksuelen in Egypte en de betrokkenheid van artsen daarbij'.

2.2.2. Uit het proces verbaal blijkt niet dat de minister zich ter zitting bij de rechtbank op het standpunt heeft gesteld dat homoseksuelen in Egypte alleen vanwege hun seksuele geaardheid strafrechtelijk worden vervolgd. Voormelde in 2008 en 2010 op het internet gepubliceerde stukken geven in het bijzonder blijk van negatieve aandacht van de Egyptische autoriteiten voor Hiv geïnfecteerde mannen. Hoewel daaruit ook blijkt dat als gevolg daarvan homoseksuelen meer in de negatieve aandacht van die autoriteiten zijn komen staan waarbij voorbeelden worden gegeven van strafrechtelijke vervolging op grond van strafbepalingen die niet expliciet op homoseksualiteit zien, kan daaruit noch uit voormeld op de website allesovergay.nl gepubliceerd stuk zonder datum worden afgeleid dat homoseksuelen in Egypte systematisch worden vervolgd in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Uit de overige hiervoor onder 2.2.1 vermelde stukken kan dit evenmin worden afgeleid. Bovendien dateren zij van ruim vóór de situatie in Egypte ten tijde van het nemen van het besluit van 18 juli 2008. Gelet hierop heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister zich in het voornemen, dat hij in het besluit van 18 juli 2008 heeft ingelast, terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat homoseksualiteit in Egypte wordt bestraft op grond van strafbepalingen die alleen op homoseksuelen betrekking hebben dan wel dat homoseksuelen in Egypte systematisch worden vervolgd in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

2.2.3. De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de minister overigens in het hogerberoepschrift aanvoert, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 18 juli 2008 worden getoetst in het licht van de daartegen door de vreemdeling in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover deze nog bespreking behoeven.

2.4. De vreemdeling heeft betoogd dat hij bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), omdat hij als homoseksueel tot een kwetsbare minderheidsgroep behoort, althans omdat de Egyptische autoriteiten onderzoek instellen naar personen die na een lang illegaal verblijf in het buitenland terugkeren naar Egypte, waarbij hechtenis gebruikelijk is, en deze autoriteiten in zijn geval navraag zullen doen bij zijn familie, die hem vanwege zijn seksuele geaardheid heeft verstoten, en het in de lijn der verwachting ligt dat zijn familie deze autoriteiten hierover zal informeren. De vreemdeling heeft hiertoe gewezen op de hiervoor onder 2.2.1 vermelde informatie.

2.4.1. Volgens het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk, van 30 oktober 1991, nr. 13163/87 (www.echr.coe.int/echr en RV 1991, 19), moeten zich, wil aannemelijk zijn dat een vreemdeling bij uitzetting een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling loopt, verdere specifieke onderscheidende kenmerken ("further special distinguishing features") voordoen, waaruit zodanig risico valt af te leiden. De enkele mogelijkheid ("mere possibility") van schending is onvoldoende.

Volgens rechtsoverweging 116 van het arrest van het EHRM, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk, van 17 juli 2008, nr. 25904/07 (www.echr.coe.int/echr en JV 2008/329), zijn voormelde kenmerken niet vereist, indien de desbetreffende vreemdeling aannemelijk maakt dat hij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, zoals aan de orde was in het arrest Salah Sheekh tegen Nederland, van 11 januari 2007, nr. 1948/04, (RJ&D ECHR 2007-I en JV 2007/30).

2.4.2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.4.3. In het besluit van 18 juli 2008 heeft de minister weliswaar geloofwaardig geacht dat de vreemdeling homoseksueel is en als gevolg daarvan door zijn familie is verstoten, maar de minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling ook heeft verklaard dat hij nimmer vanwege zijn seksuele geaardheid met de Egyptische autoriteiten in aanraking is geweest en zijn seksuele geaardheid niet bij hen bekend is. Voorts heeft de minister zich in dat besluit op het standpunt gesteld dat de vreemdeling zijn stelling dat de Egyptische autoriteiten na zijn terugkeer navraag zullen doen bij zijn familie als gevolg waarvan zij van zijn seksuele geaardheid op de hoogte zullen geraken, niet heeft geconcretiseerd en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Egypte een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling loopt.

2.4.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2.2 is overwogen, heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat hij, omdat hij homoseksueel is, deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Nu de vreemdeling voorts zijn standpunt dat de Egyptische autoriteiten navraag zullen doen bij zijn familie niet heeft gestaafd, heeft de minister zich in het besluit van 18 juli 2008 terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Egypte een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling loopt.

2.4.5. Het betoog faalt.

2.5. De vreemdeling heeft voorts betoogd dat artikel 8 van het EVRM de individuele ontplooiing van mensen beoogt te beschermen en dat het een daad van onmenselijkheid is om mensen te dwingen een leven te leiden dat in strijd is met een van hun meest elementaire wezenskenmerken, te weten hun seksuele geaardheid.

2.5.1. Voor zover dit betoog in dit verband al een rol kan spelen, te weten door het op te vatten als is het besluit van 18 juli 2008 in strijd met het recht van de vreemdeling op respectering van zijn privéleven bedoeld in artikel 8 van het EVRM, gelezen in samenhang met het in artikel 3 van het EVRM opgenomen verbod op onmenselijke behandeling, faalt het, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4.4 is overwogen en in aanmerking genomen dat de minister zich in voormeld besluit op generlei wijze op het standpunt heeft gesteld dat hij van de vreemdeling verwacht dat deze bij terugkeer naar Egypte een levensstijl aanneemt die in strijd is met diens seksuele geaardheid.

2.6. Ten slotte heeft de vreemdeling, onder verwijzing naar het asielbeleid voor Iran, neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000, nr. 2006/38, tevergeefs betoogd dat de situatie van homoseksuelen in Iran vergelijkbaar is met die van homoseksuelen in Egypte, zodat laatstgenoemden eveneens moeten worden aangemerkt als een groep waarvan de leden een verhoogd risico op mensenrechtenschendingen lopen. De vreemdeling heeft immers niet gestaafd dat de situatie voor homoseksuelen in Egypte zozeer op één lijn is te stellen met die in Iran dat zij op overeenkomstige wijze als in voormeld beleid aanspraak op bescherming zouden moeten hebben.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 28 september 2010 in zaak nr. 09/31329;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter w.g. Schuurman

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

282-610.

Verzonden: 1 juni 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser