Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7856

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2011
Datum publicatie
14-06-2011
Zaaknummer
201006570/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid asielrelaas / tegenstrijdigheid in besluit minister / beoordeling zwaarwegendheid

De overweging van de minister dat de verklaringen van de vreemdeling met betrekking tot de dreigbrief geloofwaardig worden geacht is niet verenigbaar met de overweging dat het asielrelaas inhoudelijk niet zal worden getoetst. Deze strijdigheid laat evenwel onverlet dat uit het besluit en het daarin ingelaste voornemen kan worden opgemaakt dat de minister daarbij inhoudelijk heeft beoordeeld of de geloofwaardig geachte verklaringen van de vreemdeling met betrekking tot de dreigbrief kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Gelet hierop heeft de rechtbank aan de door haar geconstateerde tegenstrijdigheid in de aan het besluit van 11 januari 2010 ten grondslag gelegde overwegingen ten onrechte de conclusie verbonden dat de minister heeft nagelaten te beoordelen of het bestaan en de inhoud van de dreigbrief voldoende zijn om te komen tot verblijfsaanvaarding van de vreemdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006570/1/V3.

Datum uitspraak: 26 mei 2011

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 10 juni 2010 in zaak nr. 10/4292 in het geding tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 juli 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. In de eerste en tweede grief, in onderlinge samenhang bezien en samengevat weergegeven, klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn beoordeling van het asielrelaas van de vreemdeling innerlijk tegenstrijdig is. Daartoe voert de minister aan dat op de tegenwerping aan de vreemdeling dat zij niet, ter staving van haar asielrelaas, een door haar ontvangen dreigbrief van de Islamitische Organisatie, waaruit blijkt dat zij ervan wordt verdacht werkzaam te zijn voor de Koerdische Veiligheidsdienst, heeft overgelegd, een ander toetsingskader van toepassing is dan ten aanzien van de geloofwaardigheid van het bestaan en de inhoud van de dreigbrief. Verder klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij heeft nagelaten te beoordelen of het bestaan en de inhoud van de dreigbrief voldoende zijn om te komen tot verblijfsaanvaarding van de vreemdeling. De minister betoogt dat uit het besluit en het daarin ingelaste voornemen blijkt dat hij heeft beoordeeld of de vermoedens van de vreemdeling over wat haar bij terugkeer naar Irak te wachten staat plausibel zijn.

2.3. In het besluit en het daarin ingelaste voornemen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat van het relaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht dient uit te gaan, omdat de vreemdeling toerekenbaar niet de dreigbrief heeft overgelegd waarvan zij heeft verklaard dat deze voor haar aanleiding is geweest om Irak te verlaten. De minister heeft overwogen dat de verklaringen van de vreemdeling met betrekking tot de dreigbrief niettemin geloofwaardig worden geacht. Vervolgens heeft de minister gemotiveerd uiteengezet dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist. Het asielrelaas van de vreemdeling wordt dus ongeloofwaardig geacht en zal derhalve inhoudelijk niet worden getoetst, aldus de minister.

2.3.1. De overweging van de minister dat de verklaringen van de vreemdeling met betrekking tot de dreigbrief geloofwaardig worden geacht is niet verenigbaar met de overweging dat het asielrelaas inhoudelijk niet zal worden getoetst. Deze strijdigheid laat evenwel onverlet dat uit het besluit en het daarin ingelaste voornemen kan worden opgemaakt dat de minister daarbij inhoudelijk heeft beoordeeld of de geloofwaardig geachte verklaringen van de vreemdeling met betrekking tot de dreigbrief kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Gelet hierop heeft de rechtbank aan de door haar geconstateerde tegenstrijdigheid in de aan het besluit van 11 januari 2010 ten grondslag gelegde overwegingen ten onrechte de conclusie verbonden dat de minister heeft nagelaten te beoordelen of het bestaan en de inhoud van de dreigbrief voldoende zijn om te komen tot verblijfsaanvaarding van de vreemdeling.

De grieven slagen.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 11 januari 2010 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.5. De vreemdeling betoogt dat de minister ten onrechte artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) aan haar heeft tegengeworpen. Daartoe voert de vreemdeling aan dat zij in het eerste gehoor op onjuiste wijze over de reis is ondervraagd en zij voorts niet over de reisroute en controles kan verklaren, omdat zij zich tijdens de reis in de laadruimte van een gesloten vrachtauto bevond en het donker was op de momenten dat zij buiten was.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 11 februari 2008 in zaak nr. 200800112/1; www.raadvanstate.nl) is de vaststelling dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dit is toe te rekenen aan de vreemdeling, reeds voldoende voor de algemene conclusie dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten. De overweging van de minister dat haar kan worden toegerekend dat zij geen documenten omtrent haar asielrelaas heeft overgelegd is door de vreemdeling niet betwist. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 niet in redelijkheid aan haar heeft kunnen tegenwerpen.

De beroepsgrond faalt.

2.6. Voorts betoogt de vreemdeling dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat haar asielrelaas ongeloofwaardig is. Daartoe stelt zij onder meer dat haar echtgenoot, ondanks zijn Koerdische afkomst en geboorteplaats, werd gecontroleerd door de veiligheidsdienst van het Kurdistan Regional Government (hierna: KRG) alvorens hij zich mocht vestigen in het KRG-gebied en dat niet is gebleken dat de informatie uit het door de minister aangehaalde algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Irak van mei 2009 (hierna: het ambtsbericht) op haar van toepassing is. De overwegingen van de minister, dat niet valt in te zien dat zij niets tot bijna niets wist van de gestelde activiteiten van haar echtgenoot en dat van haar mag worden verwacht dat zij op de hoogte is van de Arabische grammatica ten aanzien van enkelvoud en meervoud, waardoor het haar wordt toegerekend dat zij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het aantal mannen dat haar echtgenoot heeft meegenomen, zijn slechts gebaseerd op subjectieve inschattingen van de minister, aldus de vreemdeling.

2.6.1. Gelet op het onder 2.5.1. overwogene, diende van het asielrelaas van de vreemdeling een positieve overtuigingskracht uit te gaan.

De minister heeft overwogen dat de verklaringen van de vreemdeling met betrekking tot de dreigbrief geloofwaardig worden geacht. Voorts heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en ongeloofwaardig is. Daartoe heeft hij een aantal bevreemdende elementen uit het relaas van de vreemdeling opgesomd, zoals dat haar echtgenoot ondanks zijn Koerdische afkomst toestemming behoefde van de KRG autoriteiten om zich met zijn gezin in het KRG-gebied te vestigen, terwijl uit het ambtsbericht blijkt dat personen met een Koerdische afkomst deze toestemming niet behoeven. Voorts heeft de minister naar voren gebracht dat niet is in te zien dat de vreemdeling niets tot bijna niets van de gestelde activiteiten van haar echtgenoot zou hebben geweten, gelet op de omstandigheden dat zij niet ongeletterd is en eveneens betrokken was bij de politiek. Ook heeft de minister aangegeven dat de vreemdeling – in aanmerking genomen dat zij is opgegroeid in de Arabische taal en op de hoogte zou moeten zijn van de Arabische grammatica – tegenstrijdig heeft verklaard over het aantal mannen dat haar echtgenoot heeft meegenomen, nu zij in het nader gehoor heeft verklaard dat één man naar hun huis kwam en in het aanvullend nader gehoor op dit punt de meervoudsvorm heeft gebruikt. Hetgeen de vreemdeling ter betwisting van het standpunt van de minister heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist.

De beroepsgrond faalt.

2.7. Dat het asielrelaas van de vreemdeling in zijn totaliteit bezien positieve overtuigingskracht mist, neemt niet weg dat de minister het bestaan en de inhoud van de dreigbrief geloofwaardig heeft geacht en derhalve diende te beoordelen of deze feiten en omstandigheden kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000. De vreemdeling betoogt dat haar asielrelaas daarvoor voldoende zwaarwegend is.

De minister heeft gemotiveerd uiteengezet dat het ontvangen van de dreigbrief onvoldoende grond biedt om het vermoeden van de vreemdeling over wat haar bij terugkeer naar Irak te wachten staat plausibel te achten. Daartoe heeft hij onder meer overwogen dat is gesteld noch gebleken dat de vreemdeling na ontvangst van de dreigbrief daadwerkelijk problemen heeft ondervonden van de zijde van de gestelde afzender en zij na ontvangst van de dreigbrief nog drie maanden in haar woning heeft verbleven. Voorts blijkt uit het ambtsbericht dat de veiligheidsdiensten in het KRG-gebied doorgaans in staat zijn bescherming te bieden aan burgers en heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn aan haar bescherming te bieden, aldus de minister. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de geloofwaardig geachte verklaringen van de vreemdeling met betrekking tot de dreigbrief niet kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning.

De beroepsgrond faalt.

2.8. Gelet op het vorenoverwogene, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 11 januari 2010 ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 10 juni 2010 in zaak nr. 10/4292;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter w.g. Van Roosmalen

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2011

53-633.

Verzonden: 26 mei 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser