Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7848

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
14-06-2011
Zaaknummer
201005191/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1 (F) Vlv / Iraakse veiligheidsdienst / majoor / lid Baath-partij

De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister zich, gezien het verband tussen de bijdrage van de vreemdeling en de gepleegde misdrijven, terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door de AVD gepleegde misdrijven hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze hadden kunnen plaatsvinden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld. De vreemdeling hield immers de personeelsdossiers bij en heeft de andere medewerkers van de AVD informatie verschaft over van corruptie verdachte personeelsleden, op basis waarvan zij hun feitelijke taak konden uitoefenen. De aard van de werkzaamheden die de vreemdeling heeft verricht brengt mee dat deze feitelijk effect hebben gehad op het begaan van de door de AVD gepleegde misdrijven. De minister heeft voorts voor zijn conclusie dat ten aanzien van de vreemdeling sprake is van "personal participation", gezien het ambtsbericht, mede van belang mogen achten dat de vreemdeling verschillende keren promotie binnen de AVD heeft gemaakt en zijn werkzaamheden laatstelijk als majoor verrichte en hij bovendien volwaardig lid was van de Baath partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005191/1/V1.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 28 april 2010 in zaak nr. 09/40840 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister van Justitie een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister van Justitie bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 mei 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2011, waar de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister), vertegenwoordigd door mr. F.W.A. Croonen, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en de vreemdeling, in persoon en bijgestaan door mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het hoger beroep zijn de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 van toepassing, zoals die luidden tot 1 juli 2010.

2.2. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan diens rechtsvoorgangers.

2.3. De minister klaagt in de grieven 1 en 2 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van de vreemdeling sprake is van "personal participation" en op hem daarom artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967, (hierna: het Vluchtelingenverdrag) van toepassing is. De minister voert daartoe aan dat, in het licht van hetgeen bekend is over de Iraakse Algemene Veiligheidsdienst Mudiriyyat al-Amn al 'Amm (hierna: de AVD) en gelet op de verklaringen van de vreemdeling over de werkzaamheden die hij ten behoeve van vier bureaus daarvan heeft verricht, wel degelijk sprake is van "personal participation". Deze werkzaamheden zijn volgens de minister onontbeerlijk voor het functioneren van de AVD geweest. Indien niemand de rol van de vreemdeling zou hebben vervuld, hadden de misdrijven die de AVD heeft begaan, te weten onder meer martelingen en het laten verdwijnen van burgers, hoogstwaarschijnlijk niet op eenzelfde wijze kunnen plaatsvinden, aldus de minister.

2.3.1. Volgens paragraaf C4/3.11.3.3 van Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang, moet de minister aantonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt. Deze veronderstelling moet zorgvuldig worden gemotiveerd. Indien sprake is van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling zich aan een in artikel 1(F) bedoelde handeling heeft schuldig gemaakt, dient de vreemdeling, wil hij voorkomen dat op hem dit artikel van toepassing zal worden verklaard, dit gemotiveerd te weerleggen.

Teneinde te bepalen of de vreemdeling individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1(F), wordt de "personal and knowing participation–test" bedoeld in de artikelen 25 en 27 tot en met 33 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof toegepast. Beoordeeld wordt of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het misdrijf/de desbetreffende misdrijven ("knowing participation") én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ("personal participation"). Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1(F) worden tegengeworpen.

Volgens dit beleid is niet alleen sprake van "personal participation" wanneer een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in opdracht of onder verantwoordelijkheid van de vreemdeling is gepleegd, doch ook bij het door de vreemdeling direct faciliteren van de misdrijven, dat wil zeggen wanneer zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen dat deze misdrijven hebben plaatsgevonden. Onder wezenlijke bijdrage wordt verstaan dat de bijdrage feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf of de misdrijven en dat het misdrijf of de misdrijven hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou of zouden hebben plaatsgevonden, indien niemand de rol van betrokkene had vervuld, dan wel betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf of de misdrijven te voorkomen.

2.3.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling vanaf 1989 tot 2003 als officier in dienst van de AVD is geweest, in de rang van luitenant tot laatstelijk majoor. Evenmin is in geschil dat de vreemdeling op de hoogte is geweest van de misdrijven die de AVD heeft begaan, zodat sprake is van "knowing participation".

2.3.3. Op basis van de verklaringen van de vreemdeling over zijn werkzaamheden en het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 12 december 2003, betreffende Iraakse inlichtingen- en veiligheidsdiensten (hierna: het ambtsbericht), heeft de minister in het besluit van 26 oktober 2009, in samenhang gelezen met het daarin ingelaste voornemen, artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op de vreemdeling van toepassing geacht. De minister heeft zich daartoe, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat sprake is van "personal participation", omdat de vreemdeling met zijn werkzaamheden martelingen en/of verdwijningen direct heeft gefaciliteerd. De vreemdeling werkte op de afdeling administratieve zaken en was verantwoordelijk voor het onderhoud van de gebouwen, de inventaris en de behandeling van de post. Verder was hij verantwoordelijk voor het screenen van sollicitanten, het bijhouden van de personeelsdossiers en de salarisbetalingen. Ook heeft de vreemdeling het onderzoekscomité Majles Al-Tahqiq informatie verschaft over van corruptie verdachte personeelsleden. Door het verrichten van deze werkzaamheden heeft de vreemdeling volgens de minister een onmisbare rol vervuld bij de AVD en heeft hij een wezenlijke invloed op de door de AVD gepleegde misdrijven gehad. De andere medewerkers van de AVD hadden immers zonder zijn ondersteuning hun werkzaamheden, zoals het toezicht houden op de politie, het analyseren van politierapporten en het in de gaten houden van mensen, niet kunnen uitvoeren, aldus de minister.

Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister nader toegelicht dat hij naast de werkzaamheden waar de vreemdeling over heeft verklaard, ook de rang waarin de vreemdeling deze heeft verricht, namelijk majoor, en de omstandigheid dat hij lid is geweest van de Baath partij en hij heeft mogen toetreden tot de groep met de titel "Vrienden van de President" redengevend heeft geacht voor zijn conclusie dat sprake is van "personal participation"

2.3.4. In het ambtsbericht is vermeld dat de AVD toezicht hield op het leven van alledag van de Iraakse burgers. Saddam Hoessein verleende personeel van de AVD volgens het ambtsbericht meer macht dan andere overheidsfunctionarissen en in de praktijk had een sergeant van de AVD meer macht dan de gouverneur. In ruil voor hun loyaliteit werd het personeel overladen met beloningen zoals bijvoorbeeld maatkostuums, geldbedragen of onroerend goed. De AVD was volgens het ambtsbericht onder meer verantwoordelijk voor informatieverzameling en hield een uitgebreid archief bij van persoonsdossiers. Er waren volgens het ambtsbericht aanwijzingen dat de buitengewoon gedetailleerde dossiers gegevens zouden bevatten over onder meer de familie, de opleiding, de loopbaan en (voormalige) vrienden van Iraakse burgers. Over de afdeling administratieve zaken vermeldt het ambtsbericht dat deze was belast met alle administratieve en juridische zaken van de AVD en het bijhouden van het archief.

2.3.5. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister zich, gezien het verband tussen de bijdrage van de vreemdeling en de gepleegde misdrijven, terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door de AVD gepleegde misdrijven hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze hadden kunnen plaatsvinden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld. De vreemdeling hield immers de personeelsdossiers bij en heeft de andere medewerkers van de AVD informatie verschaft over van corruptie verdachte personeelsleden, op basis waarvan zij hun feitelijke taak konden uitoefenen. De aard van de werkzaamheden die de vreemdeling heeft verricht brengt mee dat deze feitelijk effect hebben gehad op het begaan van de door de AVD gepleegde misdrijven. De minister heeft voorts voor zijn conclusie dat ten aanzien van de vreemdeling sprake is van "personal participation", gezien het ambtsbericht, mede van belang mogen achten dat de vreemdeling verschillende keren promotie binnen de AVD heeft gemaakt en zijn werkzaamheden laatstelijk als majoor verrichte en hij bovendien volwaardig lid was van de Baath partij.

Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank derhalve ten onrechte overwogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van de vreemdeling sprake is van "personal participation".

2.3.6. De grieven slagen.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 26 oktober 2009 alsnog beoordelen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.5. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Het behoren tot de Al-Maliki stam is volgens de vreemdeling voldoende voor een geslaagd beroep op dit artikel.

2.5.1. De minister heeft zich in het besluit van 26 oktober 2009, in samenhang gelezen met het daarin ingelaste voornemen, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn stamachtergrond een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Volgens de minister is de verwijzing naar de strijd tussen de premier van Irak, die afkomstig is uit de stam van de vreemdeling, en het Mahdi-leger hiervoor onvoldoende, nu er geen aanwijzingen zijn dat de achterliggende reden van deze gevechten stamtwisten zouden zijn.

2.5.2. Nu de vreemdeling zijn beroep op artikel 3 van het EVRM in beroep niet nader heeft toegelicht en heeft volstaan met een herhaling van zijn stelling, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn stamachtergrond bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

2.5.3. De beroepsgrond faalt.

2.6. Voorts heeft de vreemdeling in beroep aangevoerd dat uit de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken, de informatie in de media en de informatie van Amnesty International en andere al dan niet internationale organisaties blijkt dat in Irak zich een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn) voordoet.

2.6.1. De Afdeling heeft over Irak, meer in het bijzonder Bagdad, eerder overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 20 januari 2011 in zaak nr. 201002529/1/V2; www.raadvanstate.nl) dat de minister in het daarin aan de orde zijnde besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat de mate van willekeurig geweld in Irak, meer in het bijzonder Bagdad, niet dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat de desbetreffende vreemdeling, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Reeds omdat de vreemdeling niet nader heeft geconcretiseerd uit welke stukken kan worden afgeleid dat zich in Irak wel een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn voordoet, bestaat geen grond daar thans anders over te oordelen.

2.6.2. De beroepsgrond faalt.

2.7. Het inleidende beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 28 april 2010 in zaak nr. 09/40840;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, mr. H. Troostwijk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. De Vink

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

154-603.

Verzonden: 1 juni 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser