Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7480

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201009143/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Broekgraaf" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009143/1/R1.

Datum uitspraak: 8 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de Vereniging tot behoud van het landelijk karakter van de Parallelweg te Leerdam (hierna: de vereniging), [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C], allen gevestigd onderscheidenlijk wonend te Leerdam,

en

de raad van de gemeente Leerdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Broekgraaf" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de vereniging, [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2010, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M.R.J. Baneke en mr. J. de Roos, beiden advocaat te Nijmegen, en G. Baartmans, A.M.W. van den Dungen en S. Vonk, allen werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van de vereniging, [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] niet-ontvankelijk is. Daarbij stelt de raad onder meer dat de vereniging ten tijde van het naar voren brengen van de zienswijze niet kon kwalificeren als vereniging of als vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid.

Voorts bestrijdt de raad dat het beroep mede is ingesteld namens [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C].

2.1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Uit het derde lid volgt dat voor het opkomen in rechte ter behartiging van algemene en collectieve belangen de eis van rechtspersoonlijkheid geldt om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt.

2.1.2. Niet is gebleken dat de vereniging op het moment dat de zienswijzentermijn eindigde een bij notariële akte opgerichte rechtspersoon was en over statuten beschikte. Uit de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan volgt dat de zienswijzentermijn eindigde op 8 april 2010 en dat de statuten dateren van 6 oktober 2010.

Verder is niet gebleken dat zij op dat moment voldeed aan de in de uitspraak van 12 maart 2008, zaak nr. 200704378/1 (www.raadvanstate.nl), genoemde cumulatieve vereisten om te concluderen dat het in dit geval gaat om een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat onder meer niet is gebleken dat zij destijds beschikte over een ledenadministratie.

2.1.3. Weliswaar hebben [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] de stukken in de onderhavige procedure steeds op naam van de door hen op te richten vereniging gesteld, maar hun zienswijze en beroep moeten in dit geval worden geacht mede namens hen naar voren te zijn gebracht onderscheidenlijk te zijn ingesteld. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de statuten van de inmiddels opgerichte vereniging staat dat de vereniging zich, bij het bevorderen van de leefbaarheid aan en rond de Parallelweg, vooral richt op de bewoners aan die weg en dat [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] aan die weg wonen. Voorts zijn [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] de oprichters en inmiddels de bestuurders van de vereniging en hebben zij de zienswijze en het beroepschrift als zodanig ondertekend. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] hiermee blijk hebben gegeven behalve voor de vereniging in oprichting ook voor zichzelf te willen opkomen.

Het beroep van de vereniging, [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] is derhalve ontvankelijk, voor zover ingesteld door [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] (hierna: [appellant sub 1] en anderen).

Het plan

2.2. Het bestemmingsplan voorziet in een globaal eindplan voor de hoofdstructuur van de verkeersontsluiting, het nieuwe sportcomplex, de hoofdwatergangen en de groenstructuur. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan in een globaal plan met een uitwerkingsverplichting voor de ontwikkeling van het woongebied en voor de gebieden met gemengde doeleinden. Voorts voorziet het plan in een gedetailleerd eindplan voor de bestaande bebouwing die conserverend wordt bestemd.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen

2.3. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de toename van de verkeersintensiteit op de Parallelweg als gevolg van het bestemmingsplan en het langs deze weg voorziene fietspad leiden tot verkeersonveiligheid. Dit is volgens hen niet deugdelijk onderzocht.

Voorts betogen zij dat de raad een alternatief voor het fietspad langs de Parallelweg niet behoorlijk in behandeling heeft genomen.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de maximumsnelheid op de Parallelweg wordt verlaagd van 60 km/uur naar 50 km/uur en dat het bestemmingsplan een fietspad toelaat op een strook grond naast de Parallelweg, nu de bestemming "Verkeer" ook is gelegd op de bermen en de bijbehorende sloot. Zodoende wordt de verkeersveiligheid gewaarborgd, aldus de raad.

2.3.2. Het bestemmingsplan voorziet, voor zover van belang, voor een strook grond, ter plaatse van de bestaande Parallelweg en de naastgelegen bermen en sloot, in de bestemming "Verkeer".

Ingevolge artikel 7 van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor wegen, groenvoorzieningen, bermen en taluds.

2.3.3. In de plantoelichting zijn de resultaten van de modelmatige doorrekening van de verkeerseffecten in 2020 volgens het verkeerskundig onderzoek van Megaborn van 25 januari 2010 opgenomen. Daarin staat dat de grootste groei op de Parallelweg niet wordt veroorzaakt door de ontwikkeling van het plangebied, maar door de autonome ontwikkeling van het verkeer. Voorts is vermeld dat de verhouding tussen de capaciteit en de intensiteit op het wegennet goed blijft.

[appellant sub 1] en anderen hebben geen argumenten aangevoerd waaruit zou volgen dat het verkeerskundig onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont, dat dit niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht worden gelegd.

2.3.4. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan niet leidt tot verkeersonveiligheid op de Parallelweg. Hierbij overweegt zij dat in het verkeerskundig onderzoek is vermeld dat de verhouding tussen de capaciteit en de intensiteit op het wegennet goed blijft. Voorts staat in de plantoelichting dat de maximaal toelaatbare snelheid voor de Parallelweg naar 50 km/uur zal worden teruggebracht. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat het voorziene fietspad gescheiden van de Parallelweg zal worden aangelegd, op een strook grond waar nu een gedeelte van de sloot en de berm liggen. Daarnaast heeft de raad ter zitting toegelicht dat voor bewoners aan de Parallelweg die een toegangspoort hebben op gronden van de gemeente op de eigen gronden voldoende ruimte resteert om te wachten tot het moment waarop veilig kan worden ingevoegd op de Parallelweg.

2.3.5. Voorts ziet de Afdeling, nu [appellant sub 1] en anderen niet kenbaar hebben gemaakt welk alternatief zij hebben aangedragen voor het fietspad langs de Parallelweg en nu zij dit punt evenmin nader hebben onderbouwd, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in een fietspad langs de Parallelweg.

2.4. Voorts betogen [appellant sub 1] en anderen dat het bestemmingsplan zal leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat in de vorm van vermindering van privacy en geluidoverlast ter plaatse van de bestaande woningen ten noorden van de Parallelweg. Hierbij voeren zij aan dat vanaf de voorziene hoge woningen en vanaf de voorziene stationshalte zicht zal zijn op de bestaande woningen. Voorts voeren zij aan dat het stoppen en optrekken van treinen bij de nieuwe stationshalte leidt tot een toename van de geluidsbelasting. Daar komt bij dat het spoor intensiever zal worden gebruikt. Verder voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat ten onrechte geen voorzieningen zijn getroffen om de aantasting van het woon- en leefklimaat te beperken, zoals een geluidscherm ten noorden van het spoor.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat, gelet op de afstand tussen de bestaande woningen aan de Parallelweg en de voorziene woningen onderscheidenlijk de stationshalte, geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de vorm van vermindering van privacy.

Ten aanzien van de geluidoverlast voert de raad aan dat de voorziene stationshalte geen wijziging van een spoorweg in de zin van de Wgh betreft, nu dit geen toename van de geluidsbelasting van meer dan 1 dB veroorzaakt.

2.4.2. De woningen van [appellant sub 1] en anderen liggen ten noorden van het spoor. Ten zuiden daarvan is de stationshalte voorzien ter plaatse van een strook grond met, voor zover van belang, de bestemming "Verkeer - Railverkeer" met de aanduiding "openbaar vervoer station". Ten zuiden daarvan zijn de nieuwe woningen voorzien ter plaatse van het plandeel met, voor zover van belang, de bestemming "Wonen - Uit te werken" met de aanduiding "maximale bouwhoogte 12 m".

Ingevolge artikel 8 van de planregels zijn de voor "Verkeer - Railverkeer" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor spoorwegen, een stationshalte ter plaatse van de aanduiding "openbaar vervoer station" en geluidswerende voorzieningen.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, zijn de gronden met de bestemming "Wonen - Uit te werken", voor zover van belang, bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 14.2.3, onder b, gelezen in samenhang met de verbeelding, is de bouwhoogte maximaal 12 m.

2.4.3. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de stationshalte op ongeveer 25 m en de nieuwe woningen op ongeveer 40 m van de tuinen bij de bestaande woningen van [appellant sub 1] en anderen zijn voorzien. Gelet hierop en op de maximale bouwhoogte van 12 m van de nieuwe woningen ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene stationshalte en de nieuwe woningen geen ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en anderen in de vorm van privacy met zich brengen.

2.4.4. Ingevolge artikel 1 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) wordt onder wijziging van een spoorweg, voor zover van belang, verstaan een wijziging met betrekking tot een aanwezige spoorweg, die verandering brengt in de omstandigheden welke ingevolge de regels die gelden bij de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege die spoorweg in acht genomen moeten worden (…).

Ingevolge artikel 1b, vierde lid, aanhef en onder a, wordt, voor zover van belang, in afwijking van artikel 1 onder wijziging van een spoorweg in deze wet en de daarop berustende bepalingen niet verstaan de afzonderlijke omstandigheid die bestaat uit een wijziging van de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beiden in het toekomstig maatgevende jaar van door Onze Minister te bepalen categorieën spoorvoertuigen op een bepaald spoorweggedeelte of een combinatie van spoorweggedeelten als gevolg waarvan de geluidemissie van de betreffende spoorgedeelten of de combinatie daarvan onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van de gemiddelde geluidemissie, bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, van de drie jaren voorafgaand aan de wijziging.

2.4.5. Het plan voorziet voor de gronden met de bestemming "Verkeer - Railverkeer" in de bouw van geluidwerende voorzieningen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat alleen is beoogd een geluidscherm te plaatsen ten zuiden van het spoor en niet, zoals [appellant sub 1] en anderen voorstaan, tevens ten noorden van het spoor.

2.4.6. In de quick scan geluid Merwede-Lingelijn, van Movares, van 29 november 2007 (hierna: de quick scan) staat dat nabij haltes waar fysieke wijzigingen worden uitgevoerd op waarneempunten waar geen extra afscherming door perrons ontstaat geen sprake is van een toename van de geluidsbelasting met meer dan 1 dB, zodat geen sprake is van een wijziging van een spoorweg als bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat het optrekken en afremmen bij de nieuwe halte bij de quick scan betrokken is.

[appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat voormeld onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich hier bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet op had mogen baseren. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene stationshalte niet leidt tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en anderen in de vorm van geluidoverlast en dat een geluidscherm aan de noordzijde van het spoor niet nodig is.

2.5. Verder betogen [appellant sub 1] en anderen dat het intensievere gebruik van de Parallelweg, ondermeer door bouwverkeer, kan leiden tot schade aan de woningen aan de Parallelweg. In ieder geval dient een nulmeting te worden verricht, aldus [appellant sub 1] en anderen.

2.5.1. Hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geeft geen grond voor de verwachting dat het intensievere gebruik van de Parallelweg, ondermeer door bouwverkeer, zodanige schade aan de woningen aan de Parallelweg met zich zal brengen dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het bestemmingsplan aan de orde zijn. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de Parallelweg geschikt is voor zwaar verkeer en dat, zoals in 2.3.3. is overwogen, de verhouding tussen de capaciteit en de intensiteit op het wegennet goed blijft. Voorts kan de wijze van uitvoering van het plan in deze procedure niet aan de orde komen.

2.6. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van de vereniging en [appellant sub 1] en anderen tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de Vereniging tot behoud van het landelijk karakter van de Parallelweg te Leerdam, [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellante sub 1C] niet-ontvankelijk voor zover het beroep is ingesteld door de Vereniging tot behoud van het landelijk karakter van de Parallelweg te Leerdam;

II. verklaart het beroep van de Vereniging tot behoud van het landelijk karakter van de Parallelweg te Leerdam, [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellante sub 1C], voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011

270-635.