Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7477

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201011073/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college geweigerd aan Windsurfing Renesse vrijstelling en reguliere bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van scheidingswanden in het pand op het perceel

De Zoom 15 te Renesse.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011073/1/H1.

Datum uitspraak: 8 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Windsurfing Renesse B.V. (hierna: Windsurfing Renesse), gevestigd te Renesse, gemeente Schouwen-Duiveland,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 7 oktober 2010 in zaak nr. 09/857 in het geding tussen:

Windsurfing Renesse

en

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college geweigerd aan Windsurfing Renesse vrijstelling en reguliere bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van scheidingswanden in het pand op het perceel

De Zoom 15 te Renesse.

Bij besluit van 17 augustus 2009 heeft het college het door Windsurfing Renesse daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Windsurfing Renesse daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Windsurfing Renesse bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 januari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2011, waar Windsurfing Renesse, vertegenwoordigd door mr. E.S. van Aken, advocaat te Zierikzee, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. van Iterson en mr. L.P. Koster-Braad, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het reeds gerealiseerde bouwplan voorziet in het plaatsen van scheidingswanden op de eerste en tweede verdieping van het pand, teneinde - naast de reeds bestaande woonruimte - zes studio's te realiseren.

2.2. Windsurfing Renesse betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het plaatsen van de scheidingswanden kan worden aangemerkt als het aanbrengen van een verandering van niet ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb), zodat hiervoor geen bouwvergunning is vereist. Hiertoe voert zij aan dat het bouwplan deels voorziet in onzelfstandige woonruimte bestemd voor kamerverhuur.

2.2.1. Uit de bij de bouwaanvraag behorende tekeningen en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bouwplan voorziet in het realiseren van zes studio's. De rechtbank heeft daarom, anders dan Windsurfing Renesse betoogt, terecht geoordeeld dat het plaatsen van de scheidingswanden niet kan worden aangemerkt als een verandering van niet-ingrijpende aard in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb, zoals deze gold ten tijde van belang, zodat hiervoor een bouwvergunning is vereist. De enkele omstandigheid dat het bouwplan deels voorziet in onzelfstandige woonruimte bestemd voor kamerverhuur, wat hier verder van zij, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover Windsurfing Renesse in dit verband betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen onderzoek ter plaatse heeft ingesteld, wordt overwogen dat een dergelijk onderzoek niet tot een ander oordeel zou hebben geleid. De stukken in het dossier waaruit immers blijkt dat het bouwplan voorziet in het realiseren van zes studio's bieden voldoende duidelijkheid dat zonder meer voor het bouwplan een bouwvergunning is vereist.

Het betoog faalt.

2.3. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bebouwde Kom Renesse" rust op het perceel de bestemming "Centrumvoorzieningen".

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Centrumvoorzieningen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. detailhandel;

b. kantoren;

c. dienstverlening;

d. kleinschalige bedrijfsactiviteiten;

e. maximaal 45 wooneenheden, zowel in combinatie met het bepaalde onder a, b, c en d, als zelfstandig zoals opgenomen in bijlage 1 deel uitmakende van deze voorschriften;

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder d, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder e, voor het vergroten van het aantal wooneenheden, mits:

- het in het eerste lid, onder e, genoemde aantal met maximaal 10 wooneenheden wordt overschreden;

- dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld;

- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;

- de te realiseren woning(en) past/passen binnen het geldende provinciale en gemeentelijke woningbouwprogramma;

- er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in de omgeving en op de locatie aanwezige architectonische, cultuurhistorische en/of archeologische waarden;

- voldaan wordt aan de bepalingen ingevolge de Wet geluidhinder.

2.4. Het bouwplan is in strijd met artikel 8, eerste lid, onder e, van de planvoorschriften, omdat het perceel niet is opgenomen in de in dat lid genoemde bijlage. Bij besluit van 17 augustus 2009 heeft het college zijn weigering om krachtens artikel 8, vierde lid, onder d, van de planvoorschriften, dan wel krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling te verlenen gehandhaafd.

2.5. Windsurfing Renesse betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn weigering om krachtens artikel 8, vierde lid, onder d, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen niet in redelijkheid heeft kunnen handhaven. Hiertoe voert zij aan dat het college zich in zijn besluit van 17 augustus 2009 onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet past binnen het woningbouwprogramma van de gemeente, nu de planningslijst woningbouw ten tijde van het nemen van dit besluit nog niet definitief was vastgesteld. Voorts voert zij aan dat het bouwplan aan de overige voorwaarden van artikel 8, vierde lid, onder d, van de planvoorschriften voldoet.

2.5.1. Het college heeft aan zijn weigering om binnenplanse vrijstelling te verlenen ten grondslag gelegd dat in het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012 is vermeld dat gemeenten zelf inhoud geven aan hun woningbouw-programmering, dat ter uitvoering van die verplichting een "planningslijst woningbouw 2008-2017" is opgesteld en dat het bouwplan hierop niet is vermeld. Anders dan Windsurfing Renesse betoogt, is niet gebleken dat deze planningslijst ten tijde van de besluitvorming niet definitief was vastgesteld. Het college heeft zich in zijn besluit van 17 augustus 2009 derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan niet past binnen het woningbouwprogramma van de gemeente. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college ten onrechte heeft geweigerd om krachtens artikel 8, vierde lid, onder d, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen.

Het betoog faalt.

2.6. Windsurfing Renesse betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn weigering om krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen niet in redelijkheid heeft kunnen handhaven. Hiertoe voert zij aan dat het bouwplan in overeenstemming is met de Structuurvisie Schouwen-Duiveland, omdat de studio's een verrijking vormen voor het toeristisch product.

2.6.1. Gelet op de omstandigheid dat de maximale oppervlakte van de studio's 25 m2 bedraagt, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan geen bijdrage levert aan de kwalitatieve verbetering van het toeristisch product. De stelling van Windsurfing Renesse dat het bouwplan voorziet in de behoefte aan woonruimte ten behoeve van de huisvesting van de in de omgeving van Renesse werkzame seizoensarbeiders, leidt op grond van het hiervoor onder 2.5.1. overwogene niet tot een ander oordeel.

De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in overstemming is met de Structuurvisie Schouwen-Duiveland en dat het college zijn weigering om krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen in redelijkheid heeft kunnen handhaven.

Het betoog faalt.

2.7. Windsurfing Renesse betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat vrijstelling zou worden verleend. Hiertoe voert zij aan dat het college eerder toestemming heeft verleend om in het pand op het perceel asielzoekers te huisvesten.

2.7.1. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in onder meer de uitspraak van 24 november 2010 in zaak nr. 201003520/1/H1), nodig dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde derde, waaraan Windsurfing Renesse het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college vrijstelling en bouwvergunning zou verlenen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat Windsurfing Renesse niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan deze vereisten voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is voldaan.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Graaff-Haasnoot

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011

531-593.