Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7473

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201004337/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2010:BM1262, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling, ontheffing en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een jachthaven ten behoeve van vaste ligplaatsen en de verhuur van boten alsmede het uitbreiden van de buitenopslag op het perceel [locatie] te Broek (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004337/1/H1.

Datum uitspraak: 8 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Broek, gemeente Skarsterlân,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 18 maart 2010 in zaken nrs. 08/819, 08/2620, 08/2651 en 08/2652 in het geding tussen:

[appellant], [wederpartij A] en anderen, en [wederpartij B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling, ontheffing en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een jachthaven ten behoeve van vaste ligplaatsen en de verhuur van boten alsmede het uitbreiden van de buitenopslag op het perceel [locatie] te Broek (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 september 2008 (deel I) heeft het college de door [appellant], [wederpartij A] en anderen, en [wederpartij B] daartegen gemaakte bezwaren, voor zover die zijn gericht tegen de door het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verleende vrijstelling, gegrond verklaard, het besluit van 23 november 2007 herroepen en verklaard hiervoor in de plaats binnen afzienbare tijd een vervangend inhoudelijk besluit te nemen in een besluit op bezwaar deel II.

Bij besluit van 15 oktober 2008 (deel II) heeft het college bepaald dat dit besluit onderdeel is van het besluit deel I en aan [vergunninghouder] vrijstelling onder voorwaarden en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een jachthaven ten behoeve van vaste ligplaatsen en de verhuur van boten alsmede het uitbreiden van de buitenopslag op het perceel.

Bij uitspraak van 18 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de door [appellant], [wederpartij A] en anderen en [wederpartij B] tegen het besluit van 22 september 2008, zoals aangevuld bij besluit van 15 oktober 2008, door haar tezamen aangeduid als het bestreden besluit, ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op de gemaakte bezwaren beslist. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 juni 2010.

Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het college de door [appellant], [wederpartij A] en anderen en [wederpartij B] tegen het besluit van 23 november 2007 gemaakte bezwaren opnieuw gegrond verklaard, de bij besluit van 22 september 2008, zoals aangevuld bij besluit van 15 oktober 2008, verleende vrijstelling en bouwvergunning onder aanvulling van de motivering gehandhaafd en bepaald dat de besluiten van 22 september 2008, 15 oktober 2008 en 4 mei 2010 tezamen het besluit op de bezwaren vormen. Tevens heeft het college aan de verleende vrijstelling voorwaarden verbonden.

Tegen dit besluit heeft [appellant] in voormelde brief van 14 juni 2010 gronden aangevoerd. Voorts hebben [appellant], bij brief van 17 juni 2010, [wederpartij A] en anderen, bij brief van 14 juni 2010, en [wederpartij B], bij brief van 15 juni 2010, beroep ingesteld bij de rechtbank. Deze geschriften zijn door de rechtbank met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursecht (hierna: Awb) doorgezonden aan de Afdeling ter verdere afhandeling.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.F.C. Hendriks en mr. R.M. Posthuma, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [vergunninghouder], [wederpartij A] en anderen, bijgestaan door mr. E. Wiarda, en [wederpartij B] als partij gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Er zijn nog stukken ontvangen van het college, [appellant], [wederpartij A] en anderen en [wederpartij B]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] vanwege de afstand van zijn woning tot het perceel alsmede het gebrek aan zicht op het bouwplan geen rechtstreeks bij het besluit van 22 september 2008, zoals aangevuld bij besluit van 15 oktober 2008, betrokken belang heeft.

Gelet op het ter zitting getoonde kaartmateriaal, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat [appellant] op grond van het afstand- en zichtcriterium geen belanghebbende zou zijn.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aanvraag om bouwvergunning niet voldoet aan de in het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: Biab) gestelde vereisten.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 augustus 2007 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://200609028/1">200609028/1</a>), volgt uit het enkele feit dat niet is voldaan aan de vereisten gesteld bij het Biab, niet dat de bouwvergunning om die reden niet in stand kan blijven. Het is aan het bestuursorgaan om te beoordelen of voldoende gegevens en bescheiden zijn ingediend om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen.

2.2.2. Voor het oordeel dat het college zich in dit geval niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden. De aanvraag om bouwvergunning omvat een formulier als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Biab, een toelichting en diverse tekeningen. Verder is, gelet op de inhoud van deze stukken alsmede de daarop ter zitting van de Afdeling door het college gegeven toelichting, voldoende duidelijk dat de aanvraag mede betrekking heeft op de verhuur van boten en het uitbreiden van de buitenopslag.

Het betoog faalt.

2.3. De rechtbank heeft voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat met de verlening van de bouwvergunning een andere situatie is ontstaan dan waarvoor vergunning is gevraagd. In hetgeen [appellant] op dit punt naar voren heeft gebracht, bestaat, gelet op de aanvraag en de daarbij behorende stukken alsmede de formulering van het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning, geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.4. Het bouwplan is op meerdere punten in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Broek-Noord". Om niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college bij besluit van 22 september 2008, zoals aangevuld bij besluit van 15 oktober 2008, krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.5. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid overdragen aan burgemeester en wethouders.

2.6. De door de rechtbank uitgesproken vernietiging berust op de grond dat het besluit van 22 september 2008, zoals aangevuld bij besluit van 15 oktober 2008, is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Awb. Hiertoe heeft de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of het college bij het verlenen van de vrijstelling gebruik mocht maken van de door het college van gedeputeerde staten van de provincie Fryslân voor het project afgegeven verklaring van geen bezwaar, overwogen dat gedeputeerde staten ten aanzien van de milieuhygiënische inpassing van het bouwplan in Broek niet deugdelijk hebben gemotiveerd waarom in dit geval afwijking van het streekplan "Fryslân 2007" gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft - kort weergegeven - overwogen dat zonder nadere motivering wordt uitgegaan van het gebiedstype "gemengd gebied" en voorts dat de afwijking van de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering 2007" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) aanbevolen afstanden ontoereikend is gemotiveerd. Daarbij is geen rekening gehouden met de uitbreiding van de buitenopslag.

2.7. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de memo van de brandweer Skarsterlân en Lemsterland van 30 juli 2008 in strijd met artikel 3:11 van de Awb niet bij het ontwerp van het vrijstellingsbesluit ter inzage is gelegd, faalt. Niet wordt betwist dat het ontwerp van dat besluit met de hierop betrekking hebbende stukken met ingang van 16 mei 2008 gedurende zes weken ter inzage heeft gelegen. De memo dateert van na die periode, zodat reeds hierom geen sprake is van een op het ontwerp betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat artikel 3:11 van de Awb niet op dit stuk van toepassing is. Overigens is de memo blijkens de stukken toegevoegd aan het dossier en bij de definitieve besluitvorming betrokken. [appellant] heeft voldoende de gelegenheid gehad zich daarover uit te laten.

2.8. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank weliswaar terecht heeft geoordeeld dat gedeputeerde staten in hun verklaring van geen bezwaar van 30 september 2008 niet deugdelijk hebben gemotiveerd waarom in dit geval kan worden afgeweken van het streekplan, maar dat de inbreuk die het bouwplan op het streekplan maakt ingrijpender is dan uit de aangevallen uitspraak kan worden afgeleid. Hiertoe voert hij aan dat Broek in het streekplan niet is aangemerkt als stedelijke, regionale of recreatiekern, zodat bij Broek, anders dan de rechtbank heeft overwogen, slechts jachthavens tot 25 ligplaatsen zijn toegestaan. Het bouwplan voorziet derhalve in meer dan een verdubbeling van het maximaal toegestane aantal ligplaatsen, aldus [appellant]. [appellant] voert verder aan dat het bouwplan in strijd is met de voorwaarden die in het steekplan zijn gesteld aan de vestiging van bedrijven in overige kernen.

2.8.1. Volgens paragraaf 2.5.2 "Vaarrecreatie" van het streekplan worden nieuwe grootschalige en intensieve recreatieve voorzieningen primair geconcentreerd in de stedelijke en regionale centra en in nader genoemde recreatiekernen. De mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande en voor vestiging van nieuwe kleinere tot middelgrote jachthavencomplexen liggen eveneens primair bij de op de vaargebieden gerichte stedelijke en regionale centra en recreatiekernen. Onder de voorwaarde van grotere provinciale betrokkenheid, kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken. Als richtinggevende beleidsuitspraak is voorts opgenomen dat buiten de stedelijke en regionale centra en de recreatiekernen nieuwe, kleinschaliger jachthavenvoorzieningen mogelijk zijn. Het betreft hier voorzieningen van 25 (buiten de kernen) tot 50 ligplaatsen (bij de kernen). In alle gevallen wordt een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing gevraagd, aldus het streekplan.

In paragraaf 2.3.3 "Overige kernen" van het streekplan is als richtinggevende beleidsuitspraak opgenomen dat ruimte voor lokale bedrijven in de overige kernen bijdraagt aan de levendigheid en de economische vitaliteit op het lokale schaalniveau. Primair wordt binnen het bestaande bebouwde gebied naar ruimte gezocht door functieveranderingen, het intensiveren en combineren van functies, of het benutten van open ruimten. Daarnaast is er ruimte voor nieuwe bedrijvigheid aan de rand van de kern onder de voorwaarden dat het totale ruimtebeslag van het bedrijf, ook op langere termijn, beperkt blijft en in een redelijke verhouding staat tot de schaal van de kern, een verantwoorde milieuhygiënische inpassing is gewaarborgd, rekening wordt gehouden met landschappelijke en cultuurhistorische waarden en met de aanwezige infrastructuur de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid en de verkeersleefbaarheid in voldoende mate zijn gewaarborgd. Ter toelichting is beschreven dat type en schaal van bedrijven passen bij deze kernen, zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch. Daarbij wordt ter indicatie gesteld dat het relatief kleinschalige bedrijfstypen in de milieucategorieën 1 en 2 (en in een enkel geval categorie 3) betreft.

2.8.2. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd, terecht geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de inbreuk die het bouwplan op het streekplan maakt ingrijpender is dan zij reeds in haar uitspraak, zoals hiervoor onder 2.6 is weergeven, heeft overwogen.

Blijkens de tekst van de in paragraaf 2.5.2. van het streekplan opgenomen richtinggevende beleidsuitspraak heeft deze betrekking op jachthavens buiten de stedelijke en regionale centra en de recreatiekernen. Met het tussen haken geplaatste woord "kernen" in die beleidsuitspraak, wordt derhalve, anders dan [appellant] kennelijk meent, de overige kernen bedoeld. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat Broek als overige kern als bedoeld in het streekplan kan worden aangemerkt, hetgeen ook niet wordt betwist. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat gedeputeerde staten en het college zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat ter plaatse van het perceel volgens het streekplan voorzieningen tot 50 ligplaatsen zijn toegestaan.

Het bouwplan voorziet echter in een uitbreiding van de reeds bestaande jachthaven naar 55 ligplaatsen. Gedeputeerde staten erkennen in hun verklaring van geen bezwaar van 30 september 2008 dat het bouwplan in zoverre niet in overeenstemming is met het streekplan. Zij hebben zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van het streekplan op dit punt kan worden afgeweken, omdat zij een overschrijding van het aantal ligplaatsen met vijf in ruimtelijk opzicht niet onaanvaardbaar achten. Daarbij hebben zij in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat het bouwplan een uitbreiding van een bestaande voorziening betreft en de jachthaven na uitbreiding ervan volgens het streekplan nog steeds kan worden aangemerkt als een kleinschalige voorziening. Blijkens het streekplan wordt een jachthaven eerst vanaf 250 ligplaatsen aangemerkt als groot. Voorts hebben zij, gelet op het ter zitting bij de Afdeling bestudeerde kaart- en fotomateriaal van de omgeving van het perceel, in aanmerking mogen nemen dat het totale ruimtebeslag beperkt blijft en in redelijke verhouding staat tot de schaal van de kern. Dat de oppervlakte van de jachthaven na uitbreiding meer dan 2500 m2 bedraagt, leidt, anders dan [appellant] betoogt, niet tot het oordeel dat de jachthaven niet past bij de kern Broek. Niet aannemelijk is geworden dat de landschappelijke inpassing alsmede de cultuurhistorische lintbebouwing door de uitbreiding van de jachthaven wordt aangetast, nu het karakter van Broek reeds mede wordt bepaald door de aanwezigheid van de bestaande jachthaven.

Gelet op het voorgaande, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college in zoverre ten onrechte van de verklaring van geen bezwaar gebruik heeft gemaakt.

2.8.3. Voor zover het beroep van [appellant] ziet op hetgeen in paragraaf 2.3.3 van het streekplan is opgenomen over de verantwoorde milieuhygiënische inpassing, wordt overwogen dat de rechtbank het beroep van onder meer [appellant] op dit punt tegen het besluit van 22 september 2008, zoals aangevuld bij besluit van 15 oktober 2008, wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb gegrond heeft verklaard. Het betoog van [appellant] is in zoverre een herhaling van hetgeen hij bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Het college dient op dit punt, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, een nieuw besluit op onder meer zijn bezwaar tegen het besluit van 23 november 2007 te nemen.

Het betoog faalt.

2.9. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Flora- en Faunawet niet aan de uitvoering van het bouwplan in de weg staat. Hij stelt dat door realisatie van het bouwplan vaste verblijfplaatsen van onder meer vleermuizen worden verstoord, zodat geen ontheffing op grond van de Flora- en faunawet kan worden verleend. Hij voert daartoe aan dat het ecologisch rapport "Ecologische beoordeling herinrichting watersportbedrijf De Broek" van bureau Altenburg & Wymenga van 24 april 2008, dat het college aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, op onjuiste gegevens is gebaseerd. Voorts stelt hij dat de in het ecologisch rapport opgenomen voorwaarden dat niet tijdens de broedperiode mag worden gebouwd en dat de werkzaamheden dienen te worden stilgelegd indien er tijdens de werkzaamheden toch vogels worden verstoord, niet in het besluit van 22 september 2008, zoals aangevuld bij besluit van 15 oktober 2008, zijn opgenomen.

2.9.1. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2004 in zaak nr. 200305190/1, overwogen dat de vragen of voor de uitvoering van het bouwplan ontheffing nodig is op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, aan de orde komen in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet en dat het college geen vrijstelling voor het plan had kunnen verlenen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.9.2. In het ecologisch rapport is vermeld dat het plangebied en de directe omgeving daarvan onderdeel kunnen uitmaken van het fourageergebied van verscheidene vleermuissoorten. Volgens het ecologisch rapport zijn verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied niet te verwachten, omdat er geen bebouwing aanwezig is, dan wel geen bebouwing wordt gesloopt, en de bomen jong zijn en/of geen holten bevatten die geschikt zijn voor verblijfplaatsen. Het belang van het plangebied als fourageergebied wordt dan ook niet groot geacht. Voorts is in het ecologisch rapport geconcludeerd dat de beoogde herinrichting voor vleermuizen geen negatieve effecten veroorzaakt, indien de lichtuitstraling naar de omgeving wordt beperkt. Tot slot is in het ecologisch rapport geconcludeerd dat geen conflicten met de Flora- en faunawet ontstaan ten aanzien van broedvogels, mits onder meer verstorende werkzaamheden niet binnen de broedperiode worden gestart.

2.9.3. De rechtbank heeft in de enkele omstandigheid dat op het perceel een aantal bomen zal worden gekapt, anders dan [appellant] betoogt, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat verblijfplaatsen van vleermuizen zullen worden verstoord. Het college heeft in dit verband ter zitting bij de Afdeling toegelicht dat de te kappen bomen zijn onderzocht en dat hierin geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, zodat het ecologisch rapport in zoverre is bevestigd. In hetgeen [appellant] in dit verband heeft aangevoerd heeft de rechtbank derhalve terecht geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het verrichte onderzoek onvoldoende of onzorgvuldig is geweest dan wel dat de in het ecologisch rapport opgenomen conclusies onjuist zijn. Ook overigens bestaat geen aanleiding voor dat oordeel. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat Altenburg & Wymenga B.V. in haar nadere reactie van 2 februari 2009 aan de hand van verspreidingsgegevens aannemelijk heeft gemaakt dat geen waarnemingen van de steenuil, noordse woelmuis en waterspitsmuis bekend zijn binnen of nabij het plangebied en dat het perceel voorts geen geschikte verblijfplaats vormt voor de waterspitsmuis en de noordse woelmuis. Ten aanzien van de ransuil is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, aannemelijk geworden dat het eerder aangetroffen oude nest niet meer in gebruik is. Hetgeen is vermeld in de brieven van Els en Linde B.V. van 20 december 2008 en 5 februari 2009, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat zij niet zelf met behulp van een onderzoek ter plaatse aannemelijk heeft gemaakt dat voormelde soorten wel aanwezig zijn.

2.9.4. Anders dan [appellant] betoogt, is aan het besluit van 15 oktober 2008, waarbij het besluit van 22 september 2008 is aangevuld, de voorwaarde verbonden dat de in het ecologisch rapport opgenomen conclusies en aanbevelingen moeten worden opgevolgd. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de in het ecologisch rapport opgenomen conclusies en aanbevelingen niet duidelijk zijn. Gelet hierop bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat voormelde aan het besluit van 15 oktober 2008 verbonden voorwaarde onduidelijk is. Dat met deze voorwaarde onvoldoende aan de bezwaren van [appellant] tegemoet wordt gekomen, is door hem niet aannemelijk gemaakt.

2.9.5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.9.3 en 2.9.4 is overwogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich op grond van het ecologisch rapport in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

2.10. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat na realisering van het bouwplan ter plaatse is voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Hiertoe voert hij aan dat op de bij de aanvraag om bouwvergunning behorende tekening slechts 21 parkeerplaatsen zijn ingetekend.

2.10.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij de vaststelling van de parkeerbehoefte aansluiting mocht zoeken bij de "ASVV 2004 - Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom" van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek, waarin voor een jachthaven met een laag voorzieningenniveau wordt uitgegaan van minimaal 0,50 en maximaal 0,75 parkeerplaatsen per ligplaats. Het bouwplan voorziet in de uitbreiding van de jachthaven naar 55 ligplaatsen, zodat de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van een maximale parkeerbehoefte van 41 parkeerplaatsen. Aangegeven is dat wordt voorzien in 50 parkeerplaatsen. Op de tekening behorende bij de aanvraag zijn 21 parkeerplaatsen ingetekend. Voorts is op deze tekening boven de weergegeven opslagloods vermeld "parkeerplaats/buitenopslag". Het college heeft in dit verband ter zitting bij de Afdeling toegelicht dat op de bij de bouwaanvraag behorende tekening weliswaar slechts 21 parkeerplaatsen zijn ingetekend, maar dat de buitenopslag voor boten in de zomerperiode, de periode dat het meest van de jachthaven gebruik wordt gemaakt, niet in gebruik is, zodat deze ruimte dan kan worden benut voor het parkeren van auto's, zoals ook door [vergunninghouder] is aangevraagd. Dat bij de vaststelling van het aantal parkeerplaatsen geen rekening zou zijn gehouden met de boten voor verhuur, is niet gebleken. Gelet op het vorenstaande alsmede gezien de omvang van het perceel, is aannemelijk dat het deel van het terrein dat bestemd is voor buitenopslag voldoende ruimte biedt voor de overige benodigde parkeerplaatsen.

Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat na realisatie van het bouwplan ter plaatse is voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

Het betoog faalt.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellant], [wederpartij A] en anderen, en [wederpartij B] tegen het besluit van 23 november 2007 gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.13. Ter zitting hebben [wederpartij A] en anderen hun beroepsgrond over de aan het besluit van 4 mei 2010 verbonden voorwaarde inzake de te verhuren boten, ingetrokken.

2.14. Het betoog van [wederpartij A] en anderen dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten voor het bouwplan vrijstelling te verlenen, nu het bestemmingsplan recent in werking is getreden, faalt. De inhoud van het bestemmingsplan noch de omstandigheid dat het een recent bestemmingsplan betreft, kan afdoen aan de aan het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO toekomende bevoegdheid van dat bestemmingsplan vrijstelling te verlenen. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat het college aldus niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten voor het bouwplan vrijstelling te verlenen.

2.15. In de door [wederpartij B] in haar brief van 15 juni 2010 geschetste gang van zaken omtrent het perceel, zoals door haar ter zitting bij de Afdeling toegelicht, zijn geen aanknopingspunten gelegen voor het oordeel dat het college het besluit van 4 mei 2010 in strijd met het in artikel 2:4 van de Awb neergelegde verbod van vooringenomenheid heeft genomen.

2.16. Het betoog van [appellant] en [wederpartij A] en anderen dat het college ten onrechte geen nieuwe verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO aan gedeputeerde staten heeft gevraagd, faalt. De enkele omstandigheid dat het college de aan de verleende vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing heeft aangepast na vernietiging door de rechtbank van het besluit van 22 september 2008, zoals aangevuld bij besluit van 15 oktober 2008, biedt daarvoor geen grond. Daarbij is van belang dat de bij brief van 30 september 2008 door gedeputeerde staten voor het bouwplan afgegeven verklaring van geen bezwaar door die vernietiging niet is komen te vervallen en dat gedeputeerde staten in de brief van 8 juni 2010, na een daartoe strekkend verzoek van het college, hebben verklaard dat zij voor het bouwplan terecht een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven.

2.17. [appellant] betoogt voorts dat het besluit van 4 mei 2010 in strijd is met de Flora- en faunawet, nu de verblijfplaats van onder meer vleermuizen wordt verstoord. Hij stelt dat de door het college aan dit besluit verbonden voorwaarde dat de conclusies en aanbevelingen van het ecologisch rapport moeten worden opgevolgd, onduidelijk is. Verder betoogt hij dat in het besluit van 4 mei 2010 het tekort aan parkeerplaatsen niet is gerepareerd. Nu niet duidelijk is in hoeveel parkeerplaatsen wordt voorzien, is de aan voormeld besluit verbonden voorwaarde inzake parkeren, volgens hem eveneens onduidelijk.

2.17.1. Vastgesteld wordt dat de rechtbank de beroepsgronden van [appellant] ten aanzien van de Flora- en Faunawet en de parkeerplaatsen in de uitspraak van 18 maart 2010 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Gelet hierop kan het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 mei 2010 slechts gericht zijn tegen dat besluit, voor zover het college daarmee uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak. Voorts is het hoger beroep dat [appellant] onder meer tegen deze aspecten heeft ingesteld, onder verwijzing naar hetgeen onder 2.9.1 tot en met 2.9.4 en 2.10.1 is overwogen, ongegrond verklaard. De beroepsgronden inzake de Flora- en faunawet en de parkeerplaatsen dienen thans derhalve buiten beschouwing te worden gelaten.

Het college heeft aan zijn besluit van 4 mei 2010 evenwel een voorwaarde inzake parkeren verbonden. Nu, gelet op hetgeen hierover in 2.10.1 is overwogen, voldoende duidelijk is hoeveel parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd, faalt evenzeer het betoog dat de aan het besluit van 4 mei 2010 verbonden voorwaarde inzake parkeren onduidelijk is.

2.18. Het betoog van [wederpartij A] en anderen dat de buitenopslag leidt tot visuele hinder, faalt. Weliswaar bestaat vanuit de woning van [wederpartij A] zicht op de buitenopslag, echter niet aannemelijk is dat vanwege deze buitenopslag sprake is van een zodanige vermindering van het uitzicht dat de gevraagde vrijstelling niet kon worden verleend.

2.19. [appellant], [wederpartij A] en anderen en [wederpartij B] betogen dat het bouwplan in strijd is met het streekplan. Zij stellen dat het college zich ten onrechte heeft gebaseerd op de door gedeputeerde staten afgegeven verklaring van geen bezwaar. Hiertoe voeren zij aan dat de afwijking van de in de VNG-brochure aanbevolen afstanden ontoereikend is gemotiveerd. Volgens hen is de omgeving van het perceel ten onrechte aangemerkt als gemengd gebied, omdat in het bestemmingsplan slechts aan het perceel een bedrijfsbestemming is toegekend. Voorts voeren zij aan dat het besluit van 4 mei 2010 geen blijk geeft van een onderzoek naar de gevaren van de jachthaven voor de woningen in de omgeving ervan. Verder stellen zij dat het akoestisch onderzoek "Watersportbedrijf Broek" van Stroop raadgevende ingenieurs B.V. van 22 april 2010 (hierna: het akoestisch onderzoek) niet ten grondslag kon worden gelegd aan het besluit van 4 mei 2011, nu dit onderzoek is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten en het project zal leiden tot een verdubbeling van het geluid. Daar komt volgens [appellant] bij dat dit onderzoek in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb niet tezamen met een nieuw ontwerp van het vrijstellingsbesluit ter inzage is gelegd en het college hem in strijd met artikel 7:9 van de Awb niet in de gelegenheid heeft gesteld daarover te worden gehoord.

2.19.1. Voorop wordt gesteld dat in paragraaf 2.3.3 "Overige kernen" van het streekplan, zoals hiervoor onder 2.8.1 omschreven, de richtinggevende uitspraak is opgenomen dat een verantwoorde milieuhygiënische inpassing is vereist. Ter toelichting is beschreven dat type en schaal van bedrijven passen bij deze kernen, zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch. Daarbij wordt ter indicatie gesteld dat het relatief kleinschalige bedrijfstypen in de milieucategorieën 1 en 2 (en in een enkel geval categorie 3) betreft.

De activiteiten in de jachthaven kunnen, naar ook niet in geschil is, worden aangemerkt als activiteiten, als bedoeld in SBI-code 9262 in de VNG-brochure. Voor dergelijke activiteiten wordt in de VNG-brochure uit het oogpunt van geluidhinder in een rustige woonwijk een afstand aanbevolen van minimaal 50 m tussen deze activiteit en woningen. Anders dan [appellant] betoogt, heeft het college zich in navolging van gedeputeerde staten niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de omgeving van het perceel kan worden aangemerkt als gemengd gebied. Aan de hand van een kaart is ter zitting bij de Afdeling genoegzaam vastgesteld dat het perceel en het gebied daar omheen zijn bestemd voor jachthaven, recreatie, wonen en (agrarische) bedrijven.

Nu de omgeving van het perceel kan worden aangemerkt als gemengd gebied, kan de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand derhalve met één afstandstap worden verlaagd tot 30 meter. Vast staat dat de afstand tussen het bouwplan en de dichtstbijzijnde woning aan de Plústerdyk 3 minder dan 30 meter bedraagt, zodat aan de in de VNG-brochure aanbevolen afstand niet wordt voldaan.

Het college heeft zich met gedeputeerde staten op het standpunt gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat in dit geval van de VNG-brochure kan worden afgeweken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft het college verwezen naar het akoestisch onderzoek, welk onderzoek aan het besluit van 4 mei 2010 ten grondslag is gelegd. Het college heeft in aanmerking genomen dat uit dit onderzoek is gebleken dat het zogenoemde langtijdgemiddelde geluidsniveau van 50 dB(A) ter plaatse van de meest belaste punten op de gevels van de dichtstbijzijnde woningen van derden ten gevolge van de activiteiten van de jachthaven niet wordt overschreden. Anders dan [appellant], [wederpartij A] en anderen en [wederpartij B] betogen, onder meer door overlegging van de rapporten van DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. van 2 november 2010 en 21 februari 2011, is niet komen vast te staan dat het aantal te verwachten bezoekers, rijbewegingen met de tractor en keren, waarop het schoonspuiten en schuren van boten plaatsvindt, dusdanig afwijken van de in het akoestisch onderzoek opgenomen uitgangspunten dat niet aan voormeld langtijdgemiddelde geluidsniveau kan worden voldaan. [appellant], [wederpartij A] en anderen en [wederpartij B] hebben, mede in aanmerking genomen de nadere reactie van Stroop van 12 januari 2011, niet aannemelijk gemaakt dat de in het akoestisch onderzoek weergegeven representatieve bedrijfssituatie zodanige onjuistheden bevat dan wel zodanige andere gebreken vertoont dat het college zich hierop bij zijn besluitvorming niet heeft mogen baseren.

Gelet op het voorgaande, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vanwege de activiteiten in de jachthaven niet zodanige geluidoverlast is te verwachten dat ter plaatse van de in de nabijheid van het bouwplan gesitueerde woningen niet langer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zodat in dit geval van de in de VNG-brochure aanbevolen afstand kan worden afgeweken.

Evenmin is aannemelijk geworden dat anderszins het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar wordt aangetast. Daarbij wordt ten aanzien van het betoog van [wederpartij B] dat vanwege de buitenopslag brandgevaar bestaat, overwogen dat dit, gelet op het brandweeradvies van 30 juli 2008, waarbij is geconcludeerd dat een calamiteit naar derden onwaarschijnlijk is, alsmede gelet op de afstand van de buitenopslag tot aan de gevel van haar woning, niet aannemelijk is geworden.

Gezien het vorenstaande en nu het project een uitbreiding van een bestaand bedrijf betreft, dat gelet op het type en de schaal past bij de kern Broek, zoals reeds in 2.8.2 is overwogen, heeft het college zich, in navolging van gedeputeerde staten, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het project een verantwoorde milieuhygiënische inpassing is gewaarborgd.

Het betoog faalt in zoverre.

2.19.2. Ten aanzien van het betoog van [appellant] inzake de artikelen 3:11 en 7:9 van de Awb wordt het volgende overwogen.

Vast staat dat het akoestisch onderzoek aan [appellant] is toegezonden, zodat het college reeds daarom terecht geen aanleiding heeft gezien om ten aanzien van de vrijstelling opnieuw afdeling 3.4 van de Awb toe te passen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat opnieuw is beslist op zijn bezwaar naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 18 maart 2010, terwijl dat besluit op bezwaar niet heeft geleid tot een ander of gewijzigd bouwplan. Nu het college het besluit van 4 mei 2010 mede heeft gebaseerd op het akoestisch onderzoek, had het college [appellant] niettemin in de gelegenheid moeten stellen daarover te worden gehoord. Het akoestisch onderzoek is immers opgesteld teneinde de afwijking van de in de VNG-brochure aanbevolen afstanden van een nadere motivering te voorzien. Gelet hierop, kan dit onderzoek worden aangemerkt als na het horen aan het bestuursorgaan bekend geworden feiten en omstandigheden die voor de nieuw op het bezwaar te nemen besluit van aanmerkelijk belang kunnen zijn. Nu het college [appellant] niet heeft gehoord, heeft het het besluit van 4 mei 2010 in zoverre in strijd met artikel 7:9 van de Awb genomen. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen ervan in stand te laten. [appellant] heeft zich door toezending van het akoestisch rapport door het college inmiddels genoegzaam over het rapport kunnen uitlaten en is in zoverre niet in zijn belangen is geschaad.

2.20. De beroepen van [wederpartij A] en anderen en [wederpartij B] tegen het besluit van 4 mei 2010 zijn ongegrond. Het beroep van [appellant] tegen dit besluit is, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.19.2 is overwogen, gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.21. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant] te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart de beroepen van [wederpartij A] en anderen en [wederpartij B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân van 4 mei 2010 ongegrond;

III. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 4 mei 2010 gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân van 4 mei 2010, kenmerk BR 2007-0116;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011

374.