Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201010997/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Relou Maaskant B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de Beerschemaasweg ongenummerd te Escharen, gemeente Grave. Dit besluit is op 13 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010997/1/M2.

Datum uitspraak: 8 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Escharen, gemeente Grave,

en

het college van burgemeester en wethouders van Grave,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Relou Maaskant B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de Beerschemaasweg ongenummerd te Escharen, gemeente Grave. Dit besluit is op 13 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 22 december 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2011, waar het college, vertegenwoordigd door J.M.P. Kamp, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Bij besluit van 18 juni 1991 is voor de inrichting een vergunning verleend krachtens de Hinderwet voor het houden van 875 vleesvarkens in twee stallen. De bij het bestreden besluit verleende vergunning ziet op het houden van 1944 vleesvarkens in een nieuw te bouwen stal, die de oude stallen vervangt.

2.3. [appellant] betoogt dat het college zijn standpunt dat geen milieueffectrapport moet worden opgesteld, onvoldoende heeft gemotiveerd. Hij voert hiertoe aan dat de drempelwaarden die zijn opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit mer), niet als absolute waarden maar hooguit als richtinggevende waarden mogen worden aangemerkt. Het college heeft volgens [appellant] ten onrechte niet beoordeeld of sprake is van omstandigheden als bedoeld in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003.

2.3.1. Het college stelt dat de criteria uit bijlage III van de richtlijn 85/337/EEG bij de beoordeling van de aanvraag van de milieuvergunning zijn betrokken. Er is gekeken naar onder meer de kenmerken van het project, de ligging van het project en de kenmerken van de potentiële effecten mede in verband met mogelijke cumulatie met andere projecten. Het college concludeert dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten vanwege de omvang van het project en de omstandigheden ter plaatse, zodat het opstellen van milieueffectrapport niet nodig is.

2.3.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het derde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a, de categorieën van besluiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge het vierde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit mer worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit mer worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer is in categorie 14 onder meer aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor het fokken, mesten of houden van varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 3.000 plaatsen voor mestvarkens.

In onderdeel D van de bijlage is in categorie 14 onder meer aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor het fokken, mesten of houden van varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met 2.200 of meer plaatsen voor mestvarkens.

2.3.3. De inrichting waarvoor vergunning is verleend is aan te merken als een project als bedoeld in bijlage II van de richtlijn.

De drempelwaarden, genoemd in categorie 14 van onderdeel C en in categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer, worden niet overschreden. In zoverre ontbreekt de verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport.

Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 2009, Commissie tegen Nederland, C-255/08 (www.curia.europa.eu) dient door het bevoegd gezag gekeken te worden naar andere factoren als bedoeld in bijlage III van de richtlijn, die aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een milieueffectrapport, ondanks dat de drempelwaarden zoals genoemd in de bijlage bij het Besluit niet worden overschreden.

Gebleken is dat het college deze factoren heeft bezien en daarin geen aanleiding heeft gevonden om een milieueffectrapport te verlangen. Het college heeft daarbij overwogen dat de emissies van ammoniak en geur afnemen ten opzichte van de eerder vergunde situatie, dat in de nabijheid van de inrichting geen gevoelig gebied is gelegen en dat er geen cumulatie-effecten met andere projecten optreden. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd kan geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het opstellen van een milieueffectrapport niet nodig is.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

2.5. [appellant] betoogt dat de inrichting in een extensiveringsgebied ligt en dat op grond van het reconstructieplan en het huidige verscherpte provinciale beleid de inrichting niet op deze locatie niet mag worden gerealiseerd.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 8 maart 2006 in zaak nr. 200506744/1, dienen de doelstellingen van de Reconstructiewet te worden uitgewerkt via doorwerking in het gemeentelijk planologisch beleid. De vraag of de uitbreiding van een veehouderij past binnen de doelstellingen van de Reconstructiewet en het daarop gebaseerde reconstructieplan, betreft derhalve niet de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] betoogt dat de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften te weinig waarborgen bevatten om geur- en geluidhinder tegen te gaan. Hij stelt dat een aantal woningen op korte afstand van de inrichting ligt, de afstand tot zijn woning kleiner wordt en geen onderscheid is gemaakt tussen activiteiten in het weekend en tijdens werkdagen.

2.6.1. Het college heeft bij de beoordeling van geluidhinder en bij het stellen van geluidsnormen aansluiting gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking). Het college heeft in het bestreden besluit getoetst aan de geluidsnormen die in de Handreiking zijn opgenomen en geconcludeerd dat de vergunningvoorschriften toereikend zijn om geluidhinder in voldoende mate te beperken. Daarbij heeft het college overwogen dat de inrichting een volcontinubedrijf is, zodat het opleggen van aparte geluidsgrenswaarden voor de weekenden niet is aangewezen.

2.6.2. In de Handreiking wordt de zaterdag als werkdag beschouwd en wordt ten aanzien van zon- en feestdagen een onderscheid gemaakt tussen volcontinubedrijven en niet volcontinubedrijven. Voor eerstgenoemde bedrijven, zoals een veehouderij, is het volgens de Handreiking veelal niet mogelijk voor de zon- en feestdagen een strengere richtwaarde te hanteren. Mede gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de Afdeling het stellen van aparte geluidgrenswaarden voor de weekenden in redelijkheid achterwege kunnen laten. Voor het overige heeft [appellant] niet gesteld dat de door het college uitgevoerde toetsing aan de Handreiking onjuist of onzorgvuldig is of dat de daarop gebaseerde conclusie onjuist is.

2.6.3. Wat de geuremissie betreft heeft het college in het bestreden besluit de vergunningaanvraag getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij en geconcludeerd dat aan die normen wordt voldaan, zodat de vergunning niet vanwege geuremissie kan worden geweigerd.

2.6.4. [appellant] heeft niet gesteld dat deze toetsing onjuist of onzorgvuldig is of dat de daarop gebaseerde conclusie onjuist is. De Afdeling tekent daarbij aan dat de Wet geurhinder en veehouderij geen onderscheid kent tussen werkdagen en weekenden.

2.6.5. De beroepsgrond faalt.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Brink w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011

190-684.