Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7466

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201011287/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2008 heeft de minister het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van gespreksverslagen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) inzake het onderzoek naar het overlijden van [moeder] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011287/1/H3.

Datum uitspraak: 8 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Edam, gemeente Edam-Volendam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 oktober 2010 in zaak nr. 09-5454 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2008 heeft de minister het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van gespreksverslagen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) inzake het onderzoek naar het overlijden van [moeder] afgewezen.

Bij besluit van 22 september 2009 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar voor zover gericht tegen de motivering deels gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. De minister heeft het besluit van 18 december 2008 onder verbetering van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 15 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 december 2010.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 december 2010 heeft [appellant] de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2011, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Snoeks, werkzaam bij het ministerie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. (…);

b. (…);

c. (…);

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. (…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Ingevolge artikel 4a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kwaliteitswet zorginstellingen (hierna: Kwaliteitswet) meldt de zorgaanbieder aan de ingevolge artikel 8 met het toezicht belaste ambtenaar onverwijld iedere calamiteit die in de instelling heeft plaatsgevonden.

Ingevolge het tweede lid wordt onder calamiteit verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg en die tot de dood van of een ernstig schadelijk gevolg voor een patiënt of cliënt van de instelling heeft geleid.

2.2. Het verzoek van [appellant] ziet op openbaarmaking van gespreksverslagen van inspecteurs van de IGZ in het kader van het onderzoek naar de gang van zaken rond het overlijden van zijn [moeder]. Deze stond tot vlak voor het overlijden onder behandeling bij het Expertisecentrum Novawhere.

2.3. De minister heeft aan zijn besluit van 22 september 2009 ten grondslag gelegd dat het belang van inspectie, controle en toezicht als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Voorts heeft de minister de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob aan de weigering ten grondslag gelegd, omdat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling volgens hem eveneens zwaarder wegen dan het belang van openbaarmaking.

2.4. Nadat [appellant] de rechtbank geen toestemming had verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, geoordeeld dat de gevolgen van een weigering om de rechtbank toestemming te verlenen kennis te nemen van de stukken waarop in het kader van de Wob een beroep wordt gedaan in beginsel komen voor risico van degene die toestemming heeft geweigerd en het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft [appellant] voornoemde toestemming wel verleend. Ter zitting van de Afdeling heeft de minister in reactie hierop het standpunt ingenomen dat in hoger beroep uitsluitend de aangevallen uitspraak ter beoordeling staat. Onder verwijzing naar de uitspraak van 11 februari 2004 in zaak nr. 200303449/1 overweegt de Afdeling dat wanneer in beroep is geweigerd aan de rechtbank toestemming te verlenen als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, maar die toestemming in hoger beroep wel aan de Afdeling wordt verleend, de Afdeling uitspraak kan doen op grond van de stukken die met een beroep op artikel 8:29 van de Awb zijn overgelegd en het geschil in hoger beroep derhalve ook de weigering van een bestuursorgaan omvat de gevraagde documenten openbaar te maken.

2.5. [appellant] betoogt dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat het belang van inspectie, controle en toezicht zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking van de gespreksverslagen. Voorts voert [appellant] aan dat artikel 8:29 van de Awb in strijd is met artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: BUPO), omdat hiermee het beginsel van een eerlijk proces wordt geschonden.

2.5.1. [appellant] betoogt tevergeefs dat artikel 8:29 van de Awb in strijd is met het beginsel van een eerlijk proces. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 februari 2010 in zaak nr. 200903967/1/H3) belet de beperkingsmogelijkheid van artikel 8:29 van de Awb niet dat een volledige rechterlijke toetsing van het besluit op bezwaar plaatsvindt, zodat het recht op een eerlijke procesvoering daarmee niet in essentie wordt aangetast en geen schending van artikel 6 van het EVRM plaatsvindt. Omdat artikel 6 van het EVRM niet geschonden wordt, is een schending van artikel 14 van het BUPO, dat van dezelfde strekking is, evenmin aan de orde.

Zoals hiervoor onder 2.3. is overwogen, heeft de minister aan de gehandhaafde weigering om de gespreksverslagen openbaar te maken, eveneens de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob ten grondslag heb gelegd. Tegen toepassing van deze weigeringsgronden heeft [appellant] geen gronden aangevoerd. Ter zitting van de Afdeling heeft de minister desgevraagd verklaard dat deze weigeringsgronden zelfstandig dragend zijn voor de weigering. [appellant] kan daarom met een inhoudelijke beoordeling van zijn betoog dat de minister ten onrechte de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, niet bereiken dat de gespreksverslagen openbaar zullen worden gemaakt. Indien de Afdeling [appellant] zou volgen in zijn standpunt, zou immers de weigering de gespreksverslagen openbaar te maken op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob, gehandhaafd blijven.

2.6. Het hoger beroep is reeds hierom ongegrond. Het betoog van [appellant] inzake de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011

176-697.