Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7458

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201009793/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2007 heeft de Belastingdienst/Toeslagen bepaald dat [appellant] in de jaren 2006 en 2007 geen recht op huur- en zorgtoeslag heeft, dat de huur- en zorgtoeslag met ingang van 1 maart 2006 wordt stopgezet en dat hij de na laatstvermelde datum betaalde voorschotten moet terugbetalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009793/1/H2.

Datum uitspraak: 8 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 augustus 2010 in zaak nr. 09/2646 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2007 heeft de Belastingdienst/Toeslagen bepaald dat [appellant] in de jaren 2006 en 2007 geen recht op huur- en zorgtoeslag heeft, dat de huur- en zorgtoeslag met ingang van 1 maart 2006 wordt stopgezet en dat hij de na laatstvermelde datum betaalde voorschotten moet terugbetalen.

Bij besluit van 16 mei 2008 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag voor [appellant] in het jaar 2006 definitief berekend op € 193,00.

Bij besluit van 30 mei 2008 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag voor [appellant] in het jaar 2006 definitief berekend op € 465,00.

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard voor zover deze op de periode van januari 2006 tot en met november 2007 betrekking hebben en gegrond voor zover deze op december 2007 betrekking hebben.

Bij uitspraak van 31 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 november 2010.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) heeft de belanghebbende geen aanspraak op een tegemoetkoming, ingeval de partner van de belanghebbende een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent de Belastingdienst/Toeslagen, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge het vijfde lid kan een herziening van het voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag.

2.2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd dat, samengevat weergegeven, [appellant] in de periode van januari 2006 tot en met november 2007 geen recht op huur- en zorgtoeslag had, omdat uit gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) is gebleken dat aan zijn toenmalige partner met ingang van 15 april 2005 in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA) verblijfstitelcode 98 is toegekend en dit betekent dat zij sindsdien niet langer rechtmatig verblijf heeft gehouden in de zin van artikel 8 van de Vw 2000.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door het standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen te volgen, heeft miskend dat het toekennen van een verblijfstitelcode niet aan de rechtmatigheid van het verblijf van de betrokken persoon kan afdoen, dat niet is gebleken wie die verblijfstitelcode aan zijn toenmalige partner heeft toegekend en dat hij redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn van haar verblijfsrechtelijke situatie.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 1 juli 2009 in zaak nr. 200806708/1/H2), mag de Belastingdienst/Toeslagen uitgaan van de gegevens uit de GBA, tenzij voldoende twijfel bestaat aan de juistheid van de daarin opgenomen verblijfstitelcodes.

Volgens het besluit op bezwaar heeft de IND op 4 februari 2009 medegedeeld dat de toenmalige partner van [appellant] vanaf 15 april 2005 verblijfstitelcode 98 had. [appellant] heeft in beroep niet aangetoond dat zijn toenmalige partner in de periode van januari 2006 tot en met november 2007 rechtmatig verblijf had. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen de besluitvorming ten onrechte op gegevens uit de GBA heeft gebaseerd. Voor zover [appellant] bedoelt te betogen dat twijfel aan de juistheid van de in de GBA opgenomen verblijfstitelcode 98 bestaat, faalt dat betoog derhalve.

Met zijn stelling dat hij niet wist dat zijn toenmalige partner in de periode van januari 2006 tot en met november 2007 geen rechtmatig verblijf in Nederland had, miskent [appellant] dat uit het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Awir dwingend volgt dat hij in die periode geen recht op huur- en zorgtoeslag had. Of hij op de hoogte was van haar verblijfsrechtelijke situatie, is dus niet van belang.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank, door te overwegen dat niet is gebleken dat door de Belastingdienst/Toeslagen het vertrouwen is gewekt dat de definitieve vaststelling van de huur- en zorgtoeslag gelijk aan het voorschot zal zijn, heeft miskend dat het uitblijven van de definitieve vaststelling de verwachting heeft gewekt dat de huur- en zorgtoeslag niet lager dan het voorschot zou worden vastgesteld.

2.4.1. Dat betoog faalt evenzeer. Niet in geschil is dat de toeslag bij wijze van voorschot is verstrekt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 14 juli 2010 in zaak nr. 200909913/1/H2, LJN: BN1148), volgt uit artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde en vijfde lid, van de Awir dat aan de verlening van een voorschot niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op huur- of zorgtoeslag bestaat. [appellant] kon en mocht er dus niet op vertrouwen dat de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten niet zou terugvorderen.

2.5. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de beroepsgrond dat de Belastingdienst/Toeslagen in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het beginsel van fair play en het gelijkheidsbeginsel, heeft gehandeld.

2.5.1. Dat betoog faalt evenzeer. Omdat [appellant] in beroep heeft volstaan met het inroepen van die beginselen zonder dat met feiten of omstandigheden te adstrueren, mocht de rechtbank dat betoog passeren als onvoldoende toegelicht, als zij heeft gedaan. Zij was niet gehouden om [appellant] er ter terechtzitting toe te brengen zodanige feiten of omstandigheden alsnog te stellen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Hazen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011

452.