Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7456

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201009542/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2007 heeft het college het verzoek om planschade van 30 maart 2006 van [appellant] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009542/1/H2.

Datum uitspraak: 8 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna ook tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Blaricum,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juli 2010 in zaak nr. 08/2448 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Blaricum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2007 heeft het college het verzoek om planschade van 30 maart 2006 van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 15 mei 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juli 2010, verzonden op 2 augustus 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2011, waar [appellant B] in persoon en bijgestaan door mr. C.E. Wartena-Tjaberings, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.W. Suijver, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals deze wet luidde tot 1 juli 2008, kent het college, voor zover een belanghebbende ten gevolge van een vrijstellingsbesluit als bedoeld in de artikelen 17 en 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Bij de beoordeling van een aanvraag om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van het oude planologische regime maximaal kon worden gerealiseerd en na de planologische maatregel maximaal kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.3. [appellant], eigenaar van de woning gelegen aan de [locatie 1], te Blaricum, heeft het college verzocht om vergoeding van planschade, die hij stelt te lijden als gevolg van de bij besluit van 21 maart 2003 krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO verleende vrijstelling van het bestemmingsplan "Dorp I" (hierna: het bestemmingsplan), ten behoeve van de bouw van een woning op het naastgelegen perceel [locatie 2], te Blaricum (hierna: het perceel) op drie meter van de zijdelingse gemeenschappelijke perceelsgrens (hierna: de perceelsgrens). Deze woning dient ter vervanging van een in 2003 gesloopte woning. [appellant] stelt dat door de bouw van de nieuwe woning onder meer de lichtinval en uitzicht vanuit zijn woning en zijn privacy is verminderd.

2.4. Volgens artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, ten tijde hier van belang, mogen in die gevallen dat afstanden op de dag van ter inzage legging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan in hoofdstuk II is voorgeschreven, in afwijking daarvan als minimaal toelaatbaar worden aangehouden, met inachtneming van hetgeen in artikel 9 is bepaald.

In artikel 9, derde lid, aanhef en onder j, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang en ten tijde hier van belang, is bepaald dat de afstand van hoofdgebouwen met een oppervlakte van 1.000 m2 en minder dan 2.500 m2 niet meer mag bedragen dan zeven meter tot de overige perceelsgrenzen.

Volgens artikel 18, eerste lid, van de planvoorschriften, ten tijde hier van belang, mag een bouwwerk, dat op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van het plan bestond of nadien legaal is of kan worden gebouwd en dat van het plan afwijkt, mits de bestaande afwijkingen naar hun aard niet worden vergroot:

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. geheel worden vernieuwd, indien het bouwwerk door een calamiteit is teniet gegaan, mits de bouwvergunning is gevraagd binnen twee jaar nadat het bouwwerk is teniet gegaan.

2.5. Bij besluit van 10 december 2007, gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 15 mei 2008, heeft het college zich met verwijzing naar het aan hem uitgebrachte rapport van de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van oktober 2007 op het standpunt gesteld dat artikel 5 van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) geen overgangsbepaling betreft. Krachtens dat artikel moest, in aanvulling op artikel 9 van de planvoorschriften, een afstand van vijf in plaats van zeven meter in acht worden genomen omdat de bestaande woning ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan nog met die afstand tot de perceelsgrens op het perceel was gesitueerd. Dat artikel is dan ook terecht niet buiten beschouwing gelaten bij de planvergelijking, aldus het college.

2.6. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college artikel 5 van de planvoorschriften terecht niet heeft aangemerkt als een overgangsbepaling en om die reden terecht niet buiten beschouwing heeft gelaten bij de planvergelijking. De rechtbank heeft daartoe overwogen, dat door artikel 5, gelezen in samenhang met artikel 9 van de planvoorschriften, de afstand van het hoofdgebouw van vijf meter tot de perceelsgrens, positief is bestemd.

2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 5 van de planvoorschriften een overgangsbepaling betreft en dat het college om die reden aanleiding had moeten zien om artikel 5 buiten beschouwing te laten bij de planvergelijking. [appellant] voert daartoe aan dat volgens het dagelijks taalgebruik onder het begrip "overgangsbepaling" wordt verstaan de bepaling bij een nieuwe wet, die de overgang van de oude tot de nieuwe wet gemakkelijker of geleidelijker maakt. Artikel 5 van de planvoorschriften voldoet, evenals artikel 18 van de planvoorschriften, aan die definitie, nu deze ziet op bestaande situaties. Dat deze bepaling niet is opgenomen in het hoofdstuk "overgangs- en slotbepalingen" van de planvoorschriften doet, aldus [appellant], daaraan niet af. [appellant] verwijst ter nadere onderbouwing van zijn standpunt naar het door hem in hoger beroep ingediende deskundigenbericht van 2 mei 2011 van prof. dr. A. Verhagen, hoogleraar in de Nederlandse Taalkunde.

2.7.1. Met een overgangsbepaling beoogt de planwetgever een regeling te treffen voor bestaande situaties die volgens het oude planologische regime legitiem zijn, maar die dat in het nieuwe planologische regime niet langer zijn. Het doel van zo een bepaling is om op termijn een einde te maken aan een ongewenste planologische situatie. De betekenis die in het dagelijks taalgebruik aan het begrip "overgangsrecht" is toegekend, zoals door [appellant] is gesteld, is hier derhalve niet doorslaggevend.

De rechtbank heeft uit artikel 5 van de planvoorschriften terecht afgeleid dat daarmee is beoogd om, in afwijking van, onder meer, de afstanden genoemd in artikel 9 van de planvoorschriften, bestaande afstanden positief te bestemmen. In artikel 5 van de planvoorschriften is immers bepaald dat de afstanden die op de dag van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan minder bedragen dan in hoofdstuk II is voorgeschreven, in afwijking daarvan als minimaal toelaatbaar worden aangehouden. Hiermee is derhalve niet bedoeld om op termijn een einde te maken aan de bestaande ongewenste situatie maar om de bestaande en toelaatbaar geachte situatie te handhaven. Uit de systematiek van het bestemmingsplan, waarbij de overgangsbepalingen zijn opgenomen in een afzonderlijk hoofdstuk, en waarbij in tegenstelling tot artikel 18, artikel 5 van de planvoorschriften niet in dat hoofdstuk is opgenomen, kan eveneens worden afgeleid dat dat artikel geen overgangsbepaling betreft.

Het door [appellant] ingebrachte deskundigenbericht kan aan dit oordeel niet afdoen reeds omdat Verhagen geen deskundige is op het gebied van het omgevingsrecht en aan een taalkundige vergelijking tussen artikel 5 en artikel 18 daarom geen doorslaggevende betekenis toekomt.

De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het college artikel 5 van de planvoorschriften terecht niet heeft aangemerkt als een overgangsbepaling en om die reden terecht niet buiten beschouwing heeft gelaten bij de planvergelijking.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011

47-680.