Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7447

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201008118/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "2e herziening Landelijk Gebied" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008118/1/R2.

Datum uitspraak: 8 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna: [appellant sub 1]), wonend te Benschop, gemeente Lopik,

2. [appellant sub 2A], wonend te Hei en Boeicop, gemeente Zederik, [appellant sub 2B], wonend te Lopik en [appellant sub 2C], wonend te Montfoort (hierna: [appellant sub 2] en anderen),

en

de raad van de gemeente Lopik,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "2e herziening Landelijk Gebied" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2010, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 1 september 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2011, waar [appellant sub 1A], bijgestaan door ing. G.C.M. Verkleij, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], bijgestaan door mr. B.W. Maris, en de raad, vertegenwoordigd door R.C. Gerritsen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 2C], richt zich onder meer tegen de aan het perceel Boveneind NZ 59 toegekende woonbestemming. Hieromtrent heeft [appellant sub 2C] geen zienswijze bij de raad naar voren gebracht. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich hier niet voor. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 2C], en voor zover dat ziet op het perceel Boveneind NZ 59 is niet-ontvankelijk.

2.2. Het plan strekt er onder meer toe delen van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" te herzien, naar aanleiding van de onthouding van goedkeuring aan delen van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied", deels als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2009, in zaak nr. 200801865/1/R1.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

2.3. [appellant sub 2] en anderen voeren allereerst als procedureel bezwaar aan dat ten onrechte de procedure van de Wro is gevolgd.

2.3.1. Ingevolge artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan, waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd, met dien verstande dat na dat tijdstip niet meer een verzoek als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de WRO kan worden ingediend.

De Wro is op 1 juli 2008 in werking getreden. Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen vanaf 31 december 2009. Nu deze terinzagelegging na de datum van de inwerkingtreding van de Wro is, is deze wet derhalve van toepassing op het plan. Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 2A]

2.4. Het beroep van [appellant sub 2A] richt zich tegen de oppervlakte van het bouwvlak op zijn perceel [locatie 1] te IJsselstein, zoals is geregeld in het bestemmingsplan "Landelijk Gebied". De Afdeling vat dit beroep op als zijnde gericht tegen de begrenzing van het plan.

Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In hetgeen [appellant sub 2A] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In de vorengenoemde uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2009 is het beroep van [appellant sub 2A], dat op het door hem bedoelde plandeel betrekking had, ongegrond verklaard. Nu in die uitspraak is overwogen dat het college van gedeputeerde staten in redelijkheid heeft kunnen instemmen met het besluit van de raad om op het perceel van [appellant sub 2A] geen uitbreiding van het bouwvlak en geen bedrijfswoning toe te staan op zijn perceel, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om het bestemmingsplan "Landelijk Gebied", voor zover dit het perceel van [appellant sub 2A] betreft, te herzien.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 2A] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 2C]

2.5. [appellant sub 2C] kan zich niet verenigen met de omvang van het bouwvlak dat is toegekend aan zijn perceel Lopikerweg Oost achter huisnummers 124 en 125 te Lopik.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de omvang van het bouwvlak gebaseerd is op het huidige gebruik van de schuur op dit perceel, waarvoor een bouwvergunning is verleend. Deze vergunning is verleend voor een schuur met een oppervlakte van 75 m². De raad stelt zich op het standpunt bij de herziening van het plan bovendien rekening te hebben gehouden met de (niet vergunde) uitbreidingen van deze schuur.

2.5.2. [appellant sub 2C] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting aannemelijk gemaakt dat de raad niet de feitelijke oppervlakte van de schuur in de verbeelding van het plan heeft ingetekend. Het betoog van [appellant sub 2C] faalt.

2.5.3. [appellant sub 2C] richt zich voorts tegen de bestemming "Woondoeleinden (W)", zoals is geregeld in het bestemmingsplan "Landelijk Gebied", waarmee zijn bedrijf op het perceel [locatie 2] niet als een volwaardig agrarisch bedrijf is bestemd. Hij betoogt hierdoor in zijn bedrijfsuitoefening te worden belemmerd. De Afdeling vat dit beroep op als zijnde gericht tegen de begrenzing van het plan.

Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In hetgeen [appellant sub 2C] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2009 is het beroep van [appellant sub 2C], voor zover dit betrekking had op de bestemming "Woondoeleinden (W)" op zijn perceel [locatie 2], ongegrond verklaard. Nu in die uitspraak is overwogen dat het betoog van [appellant sub 2C] in zoverre geen aanleiding vormde voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de aan [appellant sub 2C]' gronden toegekende bestemming, heeft de raad hierin geen aanleiding hoeven zien om het bestemmingsplan "Landelijk Gebied", voor zover het betreft het perceel [locatie 2], te herzien.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 2C] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 2B]

2.6. [appellant sub 2B] kan zich niet verenigen met de omvang van het bouwvlak dat is toegekend aan het perceel Boveneind NZ tegenover het perceel Boveneind ZZ 59 te Lopik, en wenst bij recht een uitbreidingsmogelijkheid van 15% van dit bouwvlak.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat, gezien de landschappelijke waarden van de gronden waarop het bouwvlak van [appellant sub 2B] zich bevindt, geen uitbreiding van dit bouwvlak mag plaatsvinden.

2.6.2. [appellant sub 2B] heeft niet nader onderbouwd dat de raad dit standpunt niet in redelijkheid heeft kunnen innemen. Zijn betoog faalt.

2.6.3. In hetgeen [appellant sub 2B] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 2B] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.7. [appellant sub 1] kan zich er niet mee verenigen dat de raad het bijgebouw dat door [appellant sub 1] wordt gebruikt als bedrijfswoning op het perceel [locatie 3] te Benschop niet als bedrijfswoning heeft bestemd.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebruik van het bijgebouw op het perceel [locatie 3] als woning slechts tijdelijk onder strikte voorwaarden was toegestaan. Aangezien het geen legale bedrijfswoning is, zou het bij recht toestaan van een tweede bedrijfswoning op dit perceel in strijd zijn met gemeentelijk en provinciaal beleid, aldus de raad.

2.7.2. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat het gebruik van het bijgebouw op zijn perceel als bedrijfswoning vergund is en daarom sprake is van bestaand legaal gebruik, overweegt de Afdeling als volgt.

Het betoog van [appellant sub 1] dat in de bouwvergunning voor het bijgebouw, die op 7 april 2000 is verleend, geen termijn is gesteld, faalt. Gezien de bewoordingen "tijdelijke woning" in de beslissing van 7 april 2000 had kenbaar kunnen en moeten zijn voor [appellant sub 1] dat het college van burgemeester en wethouders geenszins de bedoeling heeft gehad een tweede bedrijfswoning toe te staan op het perceel [locatie 4], waarvan [locatie 3] deel uitmaakt.

Verder acht de Afdeling van belang dat het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 22 oktober 2009 een persoonsgebonden gedoogbeschikking heeft afgegeven aan [belanghebbende]. Zij is hiermee in staat gesteld de tijdelijke woning als hoofdwoning te gebruiken. In dit besluit is duidelijk aangegeven dat het toegestane gebruik een uitzonderingssituatie betreft, uitsluitend toegesneden op de persoon van [locatie 3].

Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat een bedrijfswoning op het perceel [locatie 4] noodzakelijk is vanwege veiligheidsredenen en voor een duurzame continuering van de bedrijfsvoering van zijn camping op dit perceel, overweegt de Afdeling dat reeds bij recht een bedrijfswoning op dit perceel was toegestaan. Nu [appellant sub 1] deze bedrijfswoning aan derden heeft verkocht, komt het voor zijn rekening dat hij zelf geen bedrijfswoning op dit perceel meer beschikbaar heeft.

2.7.3. Ten aanzien van de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met de percelen Zuidzijdseweg naast 120, Lopikerweg West 95A en Lopikerweg West 112a heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie, omdat het geen situaties betreffen waarin reeds bij recht een bedrijfswoning was toegestaan en verzocht is om een tweede bedrijfswoning bij recht toe te staan. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.7.4. Gezien het vorenstaande heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat op het perceel [locatie 4], waarvan nummer [locatie 3] deel uitmaakt, niet in een tweede bedrijfswoning behoefde te worden voorzien. Het betoog van [appellant sub 1] faalt.

2.7.5. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat het plan voor zover het zijn perceel betreft ten onrechte niet voorziet in 40 standplaatsen op zijn camping in plaats van 22, overweegt de Afdeling als volgt.

In de huidige situatie beschikt de recreatiecamping van [appellant sub 1] over 22 standplaatsen. Nu [appellant sub 1] slechts heeft betoogd dat het voornemen bestaat om het aantal standplaatsen op de camping van 22 naar 40 uit te breiden, heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het huidige gebruik van de camping met de bijbehorende 22 standplaatsen als zodanig is bestemd en dat geen rekening behoefde te worden gehouden met niet concreet gemaakte toekomstige uitbreidingsplannen.

2.7.6. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 2C] en gericht tegen de aan het perceel Boveneind NZ 59 toegekende woonbestemming, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] geheel en het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van staat.

w.g. Wiebenga w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011

218-677.