Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7444

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201006678/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoogstraat 84-92 te Werkendam" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006678/1/R3.

Datum uitspraak: 8 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Werkendam,

en

de raad van de gemeente Werkendam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoogstraat 84-92 te Werkendam" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Mens Vastgoed B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2011, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. R.F.P. Scheele, advocaat te Capelle aan den IJssel, en de raad, vertegenwoordigd door J. Boterblom, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Mens Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door mr. I.O. den Hollander, advocaat te Rotterdam.

2. Overwegingen

Bestemmingsplan

2.1. Het plan voorziet in de vestiging van winkels alsmede het realiseren van achttien appartementen en een ondergrondse parkeergarage.

2.2. [appellant] en anderen betogen dat de raad in strijd heeft gehandeld met het in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verbod van détournement de pouvoir. Hiertoe voeren zij aan dat de raad het besluit slechts met het oog op de financiële ondersteuning van een grootwinkelbedrijf heeft genomen, waarbij geen rekening is gehouden met de belangen van [appellant] en anderen.

2.2.1. [appellant] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden gesteld, op basis waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat de raad zijn bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. De enkele stelling dat de raad zijn bevoegdheid heeft gebruikt zonder voldoende rekening te houden met de belangen van [appellant] en anderen, wat daarvan ook moge zijn, brengt niet met zich dat de raad in strijd met artikel 3:3 van de Awb heeft gehandeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad in redelijkheid het algemeen belang van de kwaliteitsverbetering van het winkelgebied zwaarwegender heeft kunnen achten dan de belangen van [appellant] en anderen.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] en anderen betogen dat uit artikel 46, derde lid, van de Woningwet (hierna: Ww), zoals dat gold ten tijde van de vaststelling van het plan, kan worden opgemaakt dat het college van burgemeester en wethouders eerst een aanvraag voor een bouwvergunning voor de realisering van de beoogde bebouwing op basis van het reeds geldende bestemmingsplan had dienen te weigeren, alvorens de raad dat plan mocht herzien.

2.3.1. Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is de raad te allen tijde bevoegd op grond van gewijzigde inzichten en na afweging van alle betrokken belangen een geldend bestemmingsplan te herzien. Hieraan stond artikel 46, derde lid, van de Ww, zoals dat gold ten tijde van de vaststelling van het plan, niet in de weg.

2.4. Voorts betogen [appellant] en anderen dat het college van burgemeester en wethouders ten onrechte geen vooroverleg met hen heeft gepleegd en dat niet of onvoldoende is ingegaan op de door hen naar voren gebrachte zienswijzen.

2.4.1. In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald met wie het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg dient te plegen. Dit artikel verplichtte het college van burgemeester en wethouders niet tot overleg met [appellant] en anderen. Het ontbreken van dergelijk overleg heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit waarbij het plan is vastgesteld.

Voorts zijn [appellant] en anderen in de gelegenheid gesteld de door hen schriftelijk naar voren gebrachte zienswijze mondeling toe te lichten. Uit de Nota van zienswijzen blijkt dat de raad zowel de schriftelijk als mondeling naar voren gebrachte zienswijze in zijn overwegingen heeft betrokken.

2.5. [appellant] en anderen betogen voorts dat, als gevolg van het bestemmingsplan, het woon- en leefklimaat wordt aangetast. Hiertoe voeren zij aan dat het plan een drastische verhoging van de goothoogtes mogelijk maakt ten opzichte van het voorgaande plan. Het gevolg hiervan is dat hun privacy en uitzicht onevenredig worden aangetast en de hoeveelheid zonlicht en de lichttoetreding in hun woningen sterk verminderen. Gelet op een grotere toeloop van bezoekers en onvoldoende parkeerplaatsen, brengt het plan tevens verkeersoverlast teweeg, met stankoverlast vanwege schadelijke ophopingen van autogassen en geluidshinder als gevolg. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar deze aspecten.

2.5.1. De raad voert aan dat de winkelvestiging op grond van het voorgaande plan reeds mogelijk is en dat van uitbreiding van het winkelvloeroppervlak geen sprake is. Om die reden worden er geen extra parkeerplaatsen gerealiseerd. Volgens de norm zijn er voldoende parkeerplaatsen voor de bewoners voorzien in de parkeerkelder. Dientengevolge is er volgens de raad evenmin sprake van stankoverlast en geluidhinder.

2.5.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels, zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden bestemd voor, voor zover hier van belang, detailhandel, wonen op de verdieping en een ondergrondse parkeergarage.

Ingevolge lid 3.2.1, onder b en c, in samenhang met de desbetreffende aanduidingen op de verbeelding, bedragen de maximaal toegelaten goot- en bouwhoogte, voor zover hier van belang, 10 m onderscheidenlijk 12 m, zoals op de verbeelding nader is aangeduid.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften van het voorheen geldende plan, zijn de voor "Centrumdoeleinden 1" aangewezen gronden bestemd voor, voor zover hier van belang, detailhandel en wonen op de verdieping.

Ingevolge het vierde lid, onder b, in samenhang met de desbetreffende aanduidingen op de plankaart, bedraagt de maximaal toegelaten goothoogte van gebouwen binnen de bestemming "Centrumdoeleinden 1" 4 m dan wel 7 m.

Ingevolge het vierde lid, onder c, is de maximaal toegelaten bouwhoogte van bedoelde gebouwen gelijk aan de maximale goothoogte plus 4 m.

Ingevolge het achtste lid, is het college van burgemeester en wethouders onder de in dat lid genoemde voorwaarden bevoegd vrijstelling te verlenen van de maximale goothoogte van gebouwen van 4 m tot maximaal 7 m.

2.5.3. Voor zover [appellant] en anderen stellen dat het plan leidt tot aantasting van hun woon- en leefklimaat, overweegt de Afdeling dat in het algemeen een aan geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

Naar het oordeel van de Afdeling verschillen, gelet op de hiervoor genoemde regels en voorschriften en het verhandelde ter zitting, de maximale bouwmogelijkheden onder het plan en het voorheen geldende plan niet zodanig van elkaar dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, evenals onder het voorheen geldende plan, een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat in de vorm van aantasting van de privacy, schaduwhinder, verminderde lichttoetreding en uitzichtbelemmering, zich niet zal voordoen. Hierbij is van belang dat het plangebied zich bevindt in de kern van het winkelgebied van Werkendam en dat de bij het plan mogelijk gemaakte bebouwing zich niet op kleinere afstand van de percelen van [appellant] en anderen zal mogen bevinden dan de bebouwing die is toegestaan onder het voorheen geldende plan. Dat het plan zal leiden tot ernstige verkeers- en geluidsoverlast, volgt de Afdeling evenmin, nu [appellant] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het plan zal leiden tot een grotere toeloop van bezoekers, waardoor het aantal parkeerplaatsen onvoldoende is en de parkeernormering, opgenomen in de plantoelichting, onjuist is. In dit verband is van belang dat het plan geen vergroting van het winkelvloeroppervlak mogelijk maakt en dat aan de noordzijde van het plangebied een parkeerterrein aanwezig is dat door bezoekers van de winkels gebruikt kan worden.

2.5.4. Voor zover [appellant] en anderen stellen dat het bouwvolume van de in het plan voorziene bebouwing niet past in de sfeer en de schaal van het centrum van Werkendam, overweegt de Afdeling dat de maximale bouwhoogte, gelet op het hierboven weergegeven artikel 3, lid 3.2.1, onder b en c, van de planregels, 12 m bedraagt en dat ter zitting is gebleken dat in de omgeving niet alleen veel gestapelde bebouwing van gelijke hoogte, maar ook hogere bebouwing, aanwezig is. Niet is aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene bebouwing past in de omgeving.

2.6. In hetgeen [appellant] en anderen in zoverre hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant] en anderen is in zoverre ongegrond.

Besluit om geen exploitatieplan vast te stellen

2.7. [appellant] en anderen stellen dat ten onrechte geen exploitatieplan is vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat de raad hiertoe verplicht was met het oog op het verhaal van de kosten van planschade.

2.7.1. Ingevolge artikel 6.12, tweede lid, onder a, van de Wro, kan de gemeenteraad, in afwijking van artikel 6.12, eerste lid, van de Wro, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van kosten over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wro, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen het besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan. Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, van de Wro, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.7.2. Het beroep van [appellant] en anderen is in zoverre gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18, van de Wro. Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zouden [appellant] en anderen niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de desbetreffende onderdelen van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat zij geen grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het plangebied, zij geen eigenaren zijn van gronden in dat gebied en ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellant] en anderen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de genoemde onderdelen van een exploitatieplan.

Gelet hierop kunnen [appellant] en anderen evenmin worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Het beroep van [appellant] en anderen is in zoverre niet-ontvankelijk.

Proceskosten

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011

288-709.