Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7441

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201002309/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2010, kenmerk 1307-3, heeft de raad het bestemmingsplan "Emmeloord Centrum 1, herziening De Deel e.o." vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002309/1/R2.

Datum uitspraak: 8 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,

2. [appellant sub 2] en anderen, wonend te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,

3. de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatieve Rabobank Noordoostpolder-Urk U.A. (hierna: de Rabobank), gevestigd te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder.

en

de raad van de gemeente Noordoostpolder,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2010, kenmerk 1307-3, heeft de raad het bestemmingsplan "Emmeloord Centrum 1, herziening De Deel e.o." vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2010, [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2010, en de Rabobank bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, de Rabobank en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2011, waar [appellant sub 1], in de persoon van [appellant sub 1 A] en [appellant sub 2] en anderen, in de persoon van [appellant sub 2], zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan heeft betrekking op het gebied De Deel dat in het centrum van Emmeloord ligt. Het plan voorziet in de herinrichting van dit gebied, door onder andere de bouw van winkels, woningen, kantoren, horecagelegenheden en sociaal-culturele voorzieningen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.2. [appellant sub 1 A] woont op een afstand van ongeveer 1,5 kilometer van het plangebied. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Het door [appellant sub 1 A] aangevoerde dat hij zich betrokken voelt bij het plan vanwege zijn cultuurhistorische visie hierop, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat hij ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang heeft waarin hij rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 1 A] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 1], voor zover dit is ingesteld door [appellant sub 1 A], is derhalve niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de beroepen inhoudelijk

2.3. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en de Rabobank kunnen zich niet verenigen met de vaststelling van het plan. Hiertoe wordt onder meer aangevoerd dat de vaststelling van het plan in strijd is met artikel 3.1 van de Wro, nu het plan niet binnen de planperiode zal worden gerealiseerd. In dit verband wordt gewezen op het gelijktijdig met het plan aangenomen amendement, waarbij is besloten een nieuw bestemmingsplan op te laten stellen voor het plangebied.

2.3.1. De raad heeft in het nadere stuk van 19 april 2011 bevestigd dat geen uitvoering zal worden gegeven aan het plan. De raad heeft toegelicht dat inmiddels een nieuw ontwerpbestemmingsplan in procedure is gebracht voor De Deel.

2.3.2. Ingevolge artikel 3.1., tweede lid, van de Wro, voor zover van belang, wordt de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van tien jaar telkens opnieuw vastgesteld.

Uit deze bepaling volgt dat de wetgever een planperiode van tien jaar voor ogen staat en dat het in beginsel niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening om in een bestemmingsplan bestemmingen op te nemen die niet binnen deze planperiode zullen worden verwezenlijkt.

2.3.3. Gezien het met het plan vastgestelde amendement en in aanmerking genomen het nadere stuk van de raad van 19 april 2011, staat vast dat het plan niet binnen de planperiode zal worden gerealiseerd. Nu de raad zich niet heeft beroepen op een eventuele uitzondering op artikel 3.1, tweede lid, van de Wro, moet de vaststelling van het plan in strijd worden geacht met een goede ruimtelijke ordening.

2.4. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en de Rabobank hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3.1, eerste en tweede lid, in onderlinge samenhang bezien, van de Wro, te worden vernietigd.

Proceskosten

2.5. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en de Rabobank op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B], voor zover dit is ingesteld door [appellant sub 1 A], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B], voor zover dit is ingesteld door [appellant sub 1 B], en de beroepen van [appellant sub 2] en anderen en de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatieve Rabobank Noordoostpolder-Urk U.A. gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Noordoostpolder van 18 februari 2010, kenmerk 1307-3;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Noordoostpolder tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten als volgt:

- aan [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] € 78,40 (zegge: achtenzeventig euro en veertig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- aan [appellant sub 2] en anderen € 94,68 (zegge: vierennegentig euro en achtenzestig cent) met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- aan de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatieve Rabobank Noordoostpolder-Urk U.A. € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Noordoostpolder aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

- aan [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- aan [appellant sub 2] en anderen € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

- aan de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatieve Rabobank Noordoostpolder-Urk U.A. € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro).

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van staat.

w.g. Wiebenga w.g. Klein Nulent

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011

218-647.