Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7439

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201100028/1/R1 en 201100028/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2010, nummer FLO/2010/10783, heeft de raad het bestemmingsplan "Remigiushoeve" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100028/1/R1 en 201100028/2/R1.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te Schimmert, gemeente Nuth,

en

de raad van de gemeente Nuth,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2010, nummer FLO/2010/10783, heeft de raad het bestemmingsplan "Remigiushoeve" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 15 januari 2011.

Bij eerstgenoemde brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 maart 2011, waar [appellant], bijgestaan door J.H.G. Levels, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.H.J. Eussen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Ter zitting zijn buiten bezwaren van partijen nadere stukken in het geding gebracht.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan maakt de realisatie mogelijk van twee appartementen en een kunstgalerie in de Remigiushoeve. Het plan voorziet voorts in de mogelijkheid op het achterliggende terrein een bedrijfsgebouw van ongeveer 700 m² op te richten ten behoeve van een transport-/overslagbedrijf.

2.3. [appellant] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dat voorziet in de vestiging van een transportbedrijf op de gronden achter zijn perceel. Hij voert daartoe aan dat deze gronden in het vorige plan deels een agrarische bestemming hadden en zijn bedoeld als groene buffer tussen het bedrijventerrein De Steeg en de lintbebouwing langs Klein Haasdal en derhalve groen dienen te blijven.

2.3.1. Volgens de raad maakt het achterterrein en met name de gronden voor de parkeerplaats een verwaarloosde indruk. Het plan leidt tot een ruimtelijke verbetering, nu de voorziene invulling beter zal aansluiten op de omgeving. De bedrijfshal wordt op de achterzijde van het terrein gesitueerd waardoor het aansluit op het bedrijventerrein De Steeg. Door de verharding van de gronden ontstaat volgens de raad een meer gelijkmatige overgang tussen het bedrijventerrein en de kleinschalige lintbebouwing van Klein Haasdal en wordt hiermee een buffer tussen deze twee soorten bebouwing gevormd. Bovendien wordt het transportbedrijf landschappelijk ingepast. Voorts stelt de raad dat de gronden in de gemeentelijke structuurvisie zijn aangewezen als uitbreidingsgebied ten behoeve van het bedrijventerrein.

2.3.2. De Remigiushoeve en de woning van [appellant] maken deel uit van de lintbebouwing aan Klein Haasdal. Aan de gronden voor de Remigiushoeve en de achtergelegen parkeerplaats was in het vorige bestemmingsplan de bestemming "Centrumdoeleinden" toegekend met de aanduiding "alleen horeca toegestaan". De Remigiushoeve was voorheen als partycentrum in gebruik en staat thans leeg. De parkeerplaats achter de Remigiushoeve is verhard door middel van betontegels. De gronden recht achter het perceel van [appellant] zijn thans onverhard en ingericht als grasland. Deze gronden hadden in het vorige plan een agrarische bestemming. Direct achter het plangebied ligt het bedrijventerrein De Steeg.

2.3.3. De voorzitter overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. In de "Structuurvisie gemeente Nuth, deel: Kernen en bedrijventerrein De Horsel" die op 14 juli 2009 is vastgesteld (hierna: de structuurvisie) heeft de raad de gronden achter de lintbebouwing aan de Klein Haasdal aangemerkt als uitbreidingsgebied voor het bedrijventerrein De Steeg. In de structuurvisie staat dat binnen het uitbreidings- en zoekgebied voor het bedrijventerrein de gronden met een agrarische functie in aanmerking komen voor een bedrijfsmatige functie. Voorts staat er dat binnen de kern geen groenstructuur aanwezig is en dat gezien de korte afstand vanuit de kern tot het buitengebied een groene structuur binnen de kern ook geen meerwaarde zal hebben. Volgens de structuurvisie zijn sommige open ruimtes in de kern Schimmert groen, maar kunnen deze evengoed bebouwd worden.

Het plan is op dit punt in overeenstemming met de structuurvisie. [appellant] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de raad aanleiding had moeten zien daarvan af te wijken. Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwvlak ten behoeve van het voorziene transportbedrijf aansluit bij het bestaande bedrijventerrein De Steeg en in die zin een geleidelijke overgang wordt gecreëerd tussen het bedrijventerrein en de lintbebouwing.

Het betoog van [appellant] faalt.

2.4. [appellant] vreest geluidsoverlast van het transportbedrijf en voert hiertoe aan dat ten onrechte niet de afstand is aangehouden die in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) wordt aanbevolen. Voorts stelt hij dat de maatregelen die volgens de raad zullen worden getroffen ter voorkoming van overschrijdingen van de geluidsnorm voor piekgeluiden gedurende de avond en nachtperiode van 60 dB(A) en het aantal vervoersbewegingen waarvan is uitgegaan niet handhaafbaar zijn. Hij betoogt tevens dat geen rekening is gehouden met het klankkasteffect door de lagere ligging van de gronden met de bestemming "Bedrijf".

2.4.1. De raad stelt dat hij de VNG-brochure niet heeft toegepast bij de voorbereiding van het plan en dat hij daarom niet gebonden is aan de richtafstand die de VNG-brochure aanbeveelt. Volgens de raad kan met het plan aan de geluidsnormen worden voldaan. Dit volgt volgens de raad uit het akoestisch onderzoek door Witteveen+Bos dat in opdracht van de initiatiefnemer Edcetera Holding B.V. is uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek in verband met de vestiging van een transportbedrijf" van 18 februari 2008 (hierna: het akoestisch rapport). De raad stelt zich op het standpunt dat maatwerkvoorschriften in de milieumelding handhaafbaar zijn door persoonlijke waarneming of met behulp van meetapparatuur.

2.4.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels, voor zover van belang, zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" bestemd voor een transport-/overslagbedrijf en voor kantoren, met de daarbij behorende groen- en parkeervoorzieningen, open terreinen en technische installaties, nodig voor het doen functioneren van het desbetreffende bedrijf.

2.4.3. De raad heeft bij het voorbereiden van het plan geen gebruik gemaakt van de in de VNG-brochure opgenomen aanbevelingen en is daartoe ook niet verplicht. Dit laat onverlet dat de raad in dit geval dient te onderbouwen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder voor [appellant].

In het akoestisch rapport staat dat is uitgegaan van de maximale representatieve bedrijfssituatie, waarbij goederen 24 uur per dag worden aangevoerd met bestelbussen en vrachtwagens en de voertuigen inpandig worden gelost en geladen met gesloten overheaddeuren. In het akoestisch rapport wordt geconcludeerd dat voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt voldaan aan de grenswaarden van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit), onder de werkingsfeer waarvan het transportbedrijf valt. Wat betreft het maximaal geluidsniveau wordt een piekgeluid in de avond- en nachtperiode ter plaatse van de woning Klein Haasdal 63 gemeten van 61 dB(A) door het dichtslaan van portieren. Dit betekent een overschrijding van de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit van 60 dB(A) met 1 dB(A). Volgens het akoestisch onderzoek kan het geluidsniveau met behulp van gedragsregels gereduceerd worden, zodat aan het maximaal geluidsniveau gedurende de avond- en nachtperiode kan worden voldaan.

De voorzitter stelt vast dat in het akoestisch rapport ervan uit is gegaan dat inpandig wordt gelost en geladen met gesloten overheaddeuren, terwijl het plan dit niet voorschrijft. Door middel van het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit kan worden gewaarborgd dat inpandig en met gesloten overheaddeuren wordt gelost en geladen en dat de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit niet worden overschreden. Gelet daarop acht de voorzitter niet aannemelijk dat niet aan de normen van het Activiteitenbesluit kan worden voldaan en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet kan worden gewaarborgd. Voorts blijkt uit bijlage IV bij het akoestisch rapport dat rekening is gehouden met het hoogteverschil van de gronden. Wat betreft het aantal verkeersbewegingen staat in het akoestisch rapport dat is uitgegaan van de maximale representatieve bedrijfssituatie. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad wat betreft de verkeersbewegingen van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter plaatse van de woning van [appellant] geen onaanvaardbare geluidhinder zal optreden als gevolg van het plan.

2.5. [appellant] vreest voorts aantasting van zijn privacy en van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van stankoverlast en lichthinder. Hij stelt dat een beukenhaag tussen zijn perceel en de gronden waarop het transportbedrijf is voorzien geen soelaas zal bieden.

2.5.1. De raad stelt dat het transportbedrijf landschappelijk zal worden ingepast door middel van een beukenhaag. Er zal voorts geen onaanvaardbare stankoverlast optreden, nu het bedrijf met de modernste transportmiddelen werkt die zijn uitgerust met motoren die voldoen aan de euro 5 normen of hoger. Van lichthinder zal volgens de raad tevens geen sprake zijn, omdat inpandig zal worden gelost en geladen en lichtbundels van de koplampen van de bestelbussen en vrachtwagens de woning van [appellant] niet zullen kunnen bereiken, omdat de parkeerplaats voor het transportbedrijf ongeveer 2,5 m lager zal worden ingericht dan het peil van de woning van [appellant].

2.5.2. De voorzitter overweegt dat op het perceel van [appellant] grenzend aan het plangebied reeds een haag aanwezig is. Voorts is als bijlage bij het plan de "Landschappelijke inpassing Remigiushoeve te Schimmert" gevoegd, waarin staat dat de initiatiefnemer de gronden direct achter het perceel van [appellant], waaraan de bestemming "Wonen" is toegekend, zal inrichten als tuin en op de keermuur van de gronden voor het transportbedrijf een beukenhaag zal planten. De bestemmingen "Wonen" en "Bedrijf" maken deze landschappelijke inpassing ook mogelijk. Gelet hierop ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de privacy van [appellant] niet onevenredig wordt aangetast als gevolg van het plan. Gelet op hetgeen onder 2.5.1 is vermeld bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot lichthinder. [appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse van zijn woning onaanvaardbare stankoverlast zal optreden als gevolg van het plan. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare stankoverlast met zich zal brengen.

Het betoog van [appellant] faalt.

2.6. Volgens [appellant] zijn in de omgeving voldoende alternatieve locaties beschikbaar voor de vestiging van een transportbedrijf. Hij betoogt dat de raad de mogelijkheid van vestiging van het transportbedrijf op een andere locatie ten onrechte niet heeft onderzocht.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het project op zichzelf aanvaardbaar is, voornamelijk doordat het voorziet in een functie voor de thans leegstaande Remigiushoeve en de bijbehorende parkeerplaats. Volgens de raad zijn geen gelijkwaardige of minder bezwaarlijke alternatieve locaties voorhanden.

2.6.2. De voorzitter overweegt dat de raad bij het ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening toekennen van bestemmingen en het geven van regels een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De voorzitter overweegt dat de raad belang heeft mogen toekennen aan de omstandigheid dat het plan tevens in een invulling voor de thans leegstaande Remigiushoeve. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen alternatieve locaties voorhanden zijn. Het betoog van [appellant] faalt.

2.7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

2.8. Gelet op het vorenstaande wijst de voorzitter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

472-655.