Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7436

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201102299/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2010 met als kenmerk no. 7b heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102299/2/R1.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B], wonend te Groningen,

2. [verzoeker sub 2], wonend te Groningen,

en

de raad van de gemeente Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2010 met als kenmerk no. 7b heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2011, en [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2011, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoeker sub 1A] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoekers sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoekers sub 1] hebben een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 23 mei 2011, waar [verzoekers sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. A. van der Leest, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, en [verzoeker sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. W.M. Herben, werkzaam bij ARAG, en de raad, vertegenwoordigd door drs. G.C.H.J. van de Vorstenbosch, en R.S.A. Burghgraef, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de realisatie van appartementen op de eerste verdieping van de bestaande bebouwing aan de [locatie 1] ter Groningen.

2.3. [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] kunnen zich niet verenigen met het plan. Nu een bouwaanvraag is ingediend vrezen zij voor onomkeerbare gevolgen en hebben daartoe een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

2.4. [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] betogen dat zij tengevolge van bewoning van de tweede bouwlaag van de bebouwing aan de [locatie 1] aantasting van hun privacy zullen ondervinden door inkijk in hun tuin.

Voorts betogen zij dat de raad blijkens het raadsvoorstel en de plantoelichting geen voorstander is van kamerverhuur, maar dit in het plan wel wordt toegestaan. Nu niet uit het besluit volgt dat de raad, in afwijking van zijn beleid, expliciet heeft ingestemd met kamerverhuur, achten zij het plan in zoverre in strijd met het gemeentelijk beleid.

Verder stellen zij dat ten onrechte geen aandacht is geschonken aan de benodigde parkeerruimte. Daar niet duidelijk is hoeveel woningen dan wel kamers kunnen worden gerealiseerd binnen het plangebied, is niet zeker of in voldoende parkeerruimte zal worden voorzien.

[verzoekers sub 1] betogen tot slot dat de in het plan mogelijk gemaakte bebouwing niet past in de omgeving, die volgens hen bestaat uit karakteristieke woningen van een bouwlaag met een kap.

2.5. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat in het plan de bestaande situatie, met op de begane grond van het achterste gedeelte detailhandel en in het voorste gedeelte kamerverhuur, als zodanig is bestemd, mede gelet op de bestaande vergunning voor kamerverhuur. In het overige deel van de bebouwing is kamerverhuur echter nadrukkelijk niet toegestaan om overlast te beperken.

Daar de toegestane appartementen tot stand komen binnen bestaande bebouwing en de realisatie van een extra bouwlaag niet is toegestaan, stelt de raad zich op het standpunt dat de bestaande situatie niet of nauwelijks zal veranderen tengevolge van het plan. De ingang van de appartementen kan aan de zuidoostzijde van het plangebied worden gerealiseerd, waar privacyverhogende maatregelen mogelijk zijn. Hier bevindt zich reeds een ondoorzichtige wand. De woningen aan de noordwestzijde zullen een grotere kans op inkijk in de tuinen krijgen, maar gelet op de afstand heeft de raad dit niet onaanvaardbaar geacht.

De hoogte van de bebouwing aan de Pop Dijkemaweg is vergelijkbaar met bebouwing in de omgeving. Nu op de tweede bouwlaag de functie wonen wordt toegestaan en uitbreiding van de bestaande bebouwing niet is toegestaan heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat in het plan in zoverre in de omgeving past, waar eveneens een woonfunctie aanwezig is.

Verder verwijst de raad naar zijn beleid ten aanzien van parkeren, dat inhoudt dat in beginsel op eigen terrein in voldoende parkeervoorzieningen dient te worden voorzien. Wanneer dit niet mogelijk is wordt bezien of de directe omgeving mogelijkheden biedt. Toetsing aan de gemeentelijke parkeernorm vindt plaats bij de beoordeling van een bouwaanvraag. In de thans aan de orde zijde situatie kan volgens de raad op eigen terrein aan de parkeernorm worden voldaan.

2.6. Aan de gronden in het plangebied is de bestemming "Wonen (W)" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, sub a, van de planregels, bezien in samenhang met de verbeelding, is in het voorste deel van de bebouwing kamerverhuur toegestaan.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, sub c, van de planregels, bezien in samenhang met de verbeelding, is op de begane grond van het achterste gedeelte van de bebouwing detailhandel toegestaan.

2.6.1. [verzoekers sub 1] wonen aan [locatie 2], gelegen ten noordwesten van het plangebied. [verzoeker sub 2] woont aan [locatie 3], in het zuidoosten grenzend aan het plangebied. [belanghebbende] exploiteert een detailhandelsvestiging op de begane grond van [locatie 1] en wenst op de verdieping appartementen te realiseren.

2.6.2. De afstand tussen het perceel van [verzoekers sub 1] en het plangebied bedraagt 9 meter. Gelet op deze in stedelijk gebied niet onredelijke afstand en de tussenliggende straat met aan weerszijden een stoep, acht de voorzitter het voorshands niet aannemelijk dat [verzoekers sub 1] een onaanvaardbare aantasting van hun privacy zullen ondervinden tengevolge van de voorziene appartementen. Het perceel van [verzoeker sub 2] grenst aan het plangebied. Hier is thans een trapopgang en galerij aanwezig. Langs deze galerij bevindt zich een ondoorzichtig scherm. Gelet op dit scherm en nu ter zitting door [belanghebbende] toegezegd is dat de ingang van de appartementen aan de Ridderlaan zal worden voorzien en dat de zijde grenzend aan het perceel van [verzoeker sub 2] slechts als brandgang bedoeld is, overweegt de voorzitter voorshands dat [verzoeker sub 2] naar verwachting evenmin een onaanvaardbare aantasting van zijn privacy zal ondervinden.

Verder voorziet het plan in een woonfunctie, waarbij kamerverhuur uitsluitend is toegestaan in het voorste gedeelte, daar waar dat thans reeds met de in 2005 daartoe verleende exploitatievergunning plaatsvindt. Het standpunt van de raad om dit bestaande gebruik als zodanig te bestemmen en blijkens het raadsvoorstel expliciet te besluiten niet méér kamerverhuur toe te willen staan maar uit te gaan van zelfstandige bewoning, is naar het oordeel van de voorzitter niet onredelijk te achten. Gelet hierop ziet de voorzitter op voorhand geen aanleiding dat het plan in zoverre in strijd is met het gemeentelijke beleid.

Met betrekking tot parkeren overweegt de voorzitter dat toetsing aan de gemeentelijke parkeernota in beginsel bij de bouwaanvraag plaatsvindt. De raad heeft bij de vaststelling van het plan naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in redelijkheid vast kunnen houden aan zijn beleid, waarbij het uitgangspunt is om parkeren op eigen terrein te laten plaatsvinden en wanneer dit niet mogelijk is in de directe omgeving. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval op eigen terrein in voldoende parkeerruimte kan worden voorzien, daar voor het plan een parkeerbehoefte van 10 plaatsen is berekend en 11 parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding aan te nemen dat binnen het plangebied niet aan de geldende parkeernorm kan worden voldaan. De enkele stelling van [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] dat zij vrezen voor te weinig parkeerruimte maakt dit niet anders. De voorzitter betrekt hierbij dat de parkeerbehoefte voor de aanwezige detailhandelsvestiging vooral overdag zal zijn terwijl dat voor de appartementen naar verwachting met name 's avonds zal zijn, zodat de parkeerbehoefte voor deze bestemmingen voor een belangrijk deel niet samenvalt. Voor zover [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] vrezen dat parkeerproblemen zullen ontstaan wanneer, zoals het plan toestaat, op termijn op de begane grond, thans in gebruik als detailhandelsvestiging, eveneens woningen worden ontwikkeld, overweegt de voorzitter dat nu ter zitting door [belanghebbende] is toegezegd dat hier vooralsnog geen sprake van zal zijn, er in zoverre op dit moment geen spoedeisend belang bestaat.

Voor zover [verzoekers sub 1] en [verzoeker sub 2] betogen dat de bebouwing niet in de omgeving past, overweegt de voorzitter dat het bestaande bebouwing betreft waarvoor reeds een bouwvergunning is verleend, en waaraan in het plan slechts de functie wonen is toegekend. Nu in de directe omgeving eveneens een woonfunctie voorkomt ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding om aan te nemen dat de bebouwing in relatie tot de functie wonen niet in de omgeving zou passen.

2.7. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

191-667.