Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7426

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201009051/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:BN4435, Niet bevoegd
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2006 heeft de minister het door [appellant] ingediende verzoek de Postbank ontheffing te verlenen van de verplichting tot identificatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/171 met annotatie van M. Stouten
BA 2011/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009051/1/H3.

Datum uitspraak: 8 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2010 in zaak nr. 09/2518 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Financiën.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2006 heeft de minister het door [appellant] ingediende verzoek de Postbank ontheffing te verlenen van de verplichting tot identificatie afgewezen.

Bij besluit van 10 juni 2009 heeft de minister ter uitvoering van de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2009, zaak nr. 200806135/1, opnieuw beslissend het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 augustus 2010, verzonden op 18 augustus 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 oktober 2010.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat te Voorburg, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. M.A.G. Stolker en mr. drs. A.J.T. de Jong, werkzaam bij het Ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Wet op de Raad van State kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht en tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 van die wet, tenzij tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het CBb) of het gerechtshof.

2.2. In geschil is een besluit op grond van de Wet identificatie bij dienstverlening (hierna: de Wid).

De Wid komt en kwam niet voor op de bijlage behorende bij de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisaties (hierna: de Wbbo), welke bepalend is voor de rechtsmacht van het CBb in hoger beroep.

Bij uitspraak van 23 november 2009, kenmerk AWB 08/277 (LJN BK4209), heeft het CBb geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis van de Wet melding ongebruikelijke transacties (hierna: de Wmot) blijkt dat de wetgever ook voor besluiten op grond van deze wet een rechtsgang in twee instanties heeft bedoeld te voorzien, dat daarbij is verwezen naar andere financiële wetgeving waarin is geregeld dat tegen besluiten beroep mogelijk is bij de rechtbank Rotterdam en hoger beroep bij het CBb en dat het ontbreken van de Wmot in de bijlage bij de Wbbo derhalve als een omissie moet worden beschouwd.

De minister heeft in het aan de Tweede Kamer aangeboden wetsvoorstel Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Tweede Kamer, 2009-2010, 32 4590, nr. 2, blz.46), onder meer voorgesteld dat tegen een uitspraak van de rechtbank omtrent een besluit genomen op grond van een voorschrift van de opvolger van de Wid en de Wmot, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, hoger beroep kan worden ingesteld bij het CBb.

Gelet op deze omstandigheden, die zich hebben voorgedaan na de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2009, is de Afdeling van oordeel dat zij niet bevoegd is om van het hoger beroep in zaken betreffende de Wid kennis te nemen en zal zij het hogerberoepschrift ter verdere behandeling doorzenden aan het CBb.

2.3. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011

290.