Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7425

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201003594/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In zijn vergadering van 26 maart 2009 heeft de raad het initiatiefvoorstel van de SGP/HKV-fractie over permanente bewoning van de recreatiewoningen "De Molenwaard" (hierna: het initiatiefvoorstel) verworpen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.9
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/527
ABkort 2011/269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003594/1/R3.

Datum uitspraak: 8 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 1 B], wonend te Hasselt, gemeente Zwartewaterland,

2. [appellant sub 2 A] en [appellante sub 2 B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Hasselt, gemeente Zwartewaterland,

en

de raad van de gemeente Zwartewaterland,

verweerder.

1. Procesverloop

In zijn vergadering van 26 maart 2009 heeft de raad het initiatiefvoorstel van de SGP/HKV-fractie over permanente bewoning van de recreatiewoningen "De Molenwaard" (hierna: het initiatiefvoorstel) verworpen.

Bij besluit van 18 februari 2010, verzonden op 18 februari 2010, heeft de raad het door [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 1 B] en [appellant sub 2] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 1 B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 1 B] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 14 mei 2010. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 14 mei 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben Jachthaven De Molenwaard (hierna: de jachthaven) en [de scheepswerf] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2011, waar [3 anderen], [appellant sub 2 A] en [appellante sub 2 B], bijgestaan door mr. C.E. van Staveren, advocaat te Zwolle, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W.E.M. Klostermann, advocaat te Zwolle, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de jachthaven, vertegenwoordigd door drs. ing. B.M. Bruins, gemachtigde, en de scheepswerf, vertegenwoordigd door mr. W.B. Kroon, advocaat te Breda, als belanghebbenden gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, voor zover van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover hier van belang, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, is artikel 3.8 niet van toepassing op de afwijzing van een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

2.2. Blijkens het door de Commissie bezwaarschriften in het kader van de bezwaarschriftprocedure uitgebrachte advies heeft de commissie het besluit van de raad van 26 maart 2009 aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, van de Wro op de grond dat in het initiatiefvoorstel wordt verwezen naar een brief van de advocaat van (onder anderen) [appellant sub 1 A] en anderen, [appellant sub 1 B] en [appellant sub 2] van 9 juli 2007. Deze brief is door de commissie aangemerkt als een verzoek om bestemmingsplanwijziging en het raadsbesluit van 26 maart 2009 is aangemerkt als een impliciete beslissing op dat verzoek.

Echter, blijkens de tekst van het aan de raad voorgelegde initiatiefvoorstel en het daarbij gevoegde ontwerp raadsbesluit stelt de SGP/HKV-fractie de raad hierbij voor het college van burgemeester en wethouders op te dragen een wijziging van het vigerende bestemmingsplan voor te bereiden teneinde legalisatie van de permanente bewoning van de Molenwaard mogelijk te maken. Het initiatiefvoorstel strekt aldus niet tot vaststelling van een bestemmingsplan, maar tot het geven van een opdracht aan het college om een procedure tot wijziging van het bestemmingsplan te entameren. De beslissing op het initiatiefvoorstel is dan ook niet op rechtsgevolg gericht en behelst geen publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De beslissing is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Gelet daarop heeft de raad [appellant sub 1 A] en anderen, [appellant sub 1 B] en [appellant sub 2] ten onrechte in hun bezwaar ontvangen. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 1:3, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar van [appellant sub 1 A] en anderen, [appellant sub 1 B] en [appellant sub 2] alsnog niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

2.3. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De door [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 1 B] opgevoerde kosten voor deskundigenrapporten komen niet voor vergoeding in aanmerking, reeds vanwege de omstandigheid dat deze kosten niet zijn gemaakt met het oog op de behandeling van het ingestelde beroep.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zwartewaterland van 18 februari 2010, zonder kenmerk;

III. verklaart dat de bezwaren van [appellant sub 1 A] en anderen, [appellant sub 1 B] en [appellant sub 2 A] en [appellante sub 2 B] niet-ontvankelijk;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Zwartewaterland tot vergoeding van bij [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 1 B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 479,51 (zegge: vierhonderdnegenenzeventig euro en eenenvijftig cent), waarvan € 437,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt de raad van de gemeente Zwartewaterland tot vergoeding van bij [appellant sub 2 A] en [appellante sub 2 B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Zwartewaterland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1 A] en anderen en [appellant sub 1 B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2 A] en [appellante sub 2 B] vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Mathot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011

413.