Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ7419

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
201101783/1/R1 en 201101783/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan

"De Bousberg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101783/1/R1 en 201101783/2/R1.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Landgraaf,

en

de raad van de gemeente Landgraaf,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan

"De Bousberg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2011, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben [appellanten] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 april 2011, waar [appellanten], beiden in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A. van de Schraaff, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bousberg B.V. (hierna: Bousberg), vertegenwoordigd door N.W.G.M. Sproncken en bijgestaan door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. De Bousberg is een voormalige camping en bungalowpark, gevestigd aan de Boomweg 10 te Landgraaf. Met het plan wordt gekomen tot een herstructurering van het gebied tot een woningbouwlocatie zoals verwoord in de gemeentelijke structuurvisie. Het plan maakt de realisatie van 102 woningen mogelijk.

2.3. Op 31 juli 2007 is door het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf aan Bousberg vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor de bouw van 88 woningen op het perceel Boomweg 10 te Landgraaf. De vrijstelling en bouwvergunning zijn na uitspraken van de Afdeling van 23 juni 2010 in zaak nrs. 200905042/1/H1, 200905401/1/H1 en 200905490/1/H1 onherroepelijk geworden.

2.3.1. Met het plan is beoogd om hetgeen met het eerder genoemde vrijstellingsbesluit ter plaatse aan gebruik mogelijk is gemaakt, planologisch vast te leggen. Voorts staat het thans aan de orde zijnde plan ten opzichte van de onherroepelijke vrijstelling nog eens 14 woningen op vrije kavels toe. Die extra woningen zijn gelegen langs de zuidelijke rand van het plangebied langs de Boomweg.

2.4. [appellanten] betogen dat in de longeerbak van hun manege op het perceel [locatie] te Landgraaf het gehele jaar door zowel overdag als ‘s avonds lessen worden gegeven. Deze longeerbak zal wegens de afstand tot de in het plan voorziene woningen tot klachten leiden.

2.4.1. In eerdervermelde uitspraak van 23 juni 2010 in zaak nr. 200905401/1/H1 heeft de Afdeling overwogen dat door de raad van de gemeente Landgraaf op 14 februari 2008 een verordening als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) is vastgesteld op grond waarvan de afstand tussen de manege en de dichtstbijzijnde bebouwing minimaal 50 meter dient te bedragen, in afwijking van de in de Wgv opgenomen afstand van 100 meter. Aangezien het gaat om paarden, waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders in het kader van de vraag of ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd mede kunnen verwijzen naar de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG), waarin voor maneges in verband met het aspect geur een afstand van 50 meter en in verband met de aspecten geur en stof een afstand van 30 meter tot woningen in een rustige woonwijk is aanbevolen. Voorts volgt uit genoemde uitspraak dat op 3 februari 2009 aan [appellanten] een milieuvergunning - welke onherroepelijk is - is verleend, op grond waarvan het aantal paarden dat mag worden gehouden is verhoogd tot 32, mits het emissiepunt op een afstand van 50 meter tot de geplande woningen blijft. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden ter voorkoming van overlast.

Gelet op het vorenstaande heeft de Afdeling in de hiervoor vermelde uitspraak overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat voor de in het bouwplan opgenomen woningen niet zal zijn voorzien in een goed woon- en leefklimaat. Niet is gebleken dat de feiten en omstandigheden ten aanzien van de 88 woningen waarvoor onherroepelijk vrijstelling en bouwvergunning is verleend, ten tijde van het thans bestreden besluit in relevante mate zijn gewijzigd. De voorzitter ziet om die reden geen aanleiding thans in zoverre anders te oordelen over hetgeen [appellanten] op dit punt in beroep hebben aangevoerd. De 14 extra woningen die op grond van het onderhavige plan zijn voorzien, geven evenmin aanleiding voor een ander oordeel, aangezien deze op een afstand van minimaal 90 meter van de longeerbak zijn geprojecteerd, zodat is voldaan aan de richtafstanden van de VNG.

2.5. Voor zover [appellanten] aanvoeren dat geen behoefte bestaat aan de voorziene woningen vanwege de vergrijzing van de bevolking en de leegstand van bestaande woningen, verwijst de voorzitter naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2010 in zaak nr. 200905042/1/H1, waarin geen aanleiding is gezien voor het oordeel dat geen behoefte bestaat aan de voorziene woningen. In die uitspraak is overwogen dat het bouwplan is opgenomen in de lijst met prioritaire plannen van Parkstad Limburg die hoort bij de regionale woonvisie. In die woonvisie is weliswaar aangegeven dat een daling van het aantal inwoners wordt verwacht, maar tevens dat nog 2000 nieuwe woningen aan het woningbestand in de regio mogen worden toegevoegd, waarvan 200 in Landgraaf. Voorts heeft de raad in de onderhavige procedure toegelicht dat die woningen aan bepaalde kwaliteitseisen dienen te voldoen om aan te sluiten op de vraag vanuit de markt. Het onderhavige project is volgens de raad dermate uniek en kwalitatief hoogwaardig van opzet, dat het past binnen de woonvisie en voorziet in een woonbehoefte.

De voorzitter ziet in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan de Afdeling in de hiervoor vermelde uitspraak heeft gedaan.

2.6. Voorts betogen [appellanten] dat in de eerste bouwplannen sprake was van één bouwlaag, terwijl op de huidige tekeningen bij alle woningen twee of vier bouwlagen zijn toegestaan. Als gevolg van de voorziene hoge bebouwing zal sprake zijn van verlies van privacy en horizonvervuiling, aldus [appellanten].

2.6.1. Ingevolge artikel 5, lid B, aanhef en onder 1.1., van de regels behorende bij het plan mogen op en in de tot "Wonen" bestemde gronden uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken worden opgericht die qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen. Voor gebouwen geldt daarbij dat het ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal bouwlagen" aangegeven aantal bouwlagen voor de aaneengesloten gronden niet mag worden overschreden.

Gezien de verbeelding bestaan de voorziene gebouwen uit maximaal twee of vier bouwlagen.

2.6.2. De Afdeling heeft in eerdervermelde uitspraak van 23 juni 2010 in zaak nr. 200905490/1/H1 in het kader van de vraag of sprake is van horizonvervuiling door het bouwplan, ten aanzien van de 88 woningen waarvoor onherroepelijk vrijstelling en bouwvergunning is verleend, geoordeeld dat in de gestelde vermindering van het uitzicht geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders de vrijstelling en bouwvergunning had moeten weigeren. Daarbij is door de Afdeling in aanmerking genomen dat de dichtstbijgelegen bestaande woningen op geruime afstand van de in het bouwplan voorziene woonbebouwing - in het bijzonder ook de daarvan deel uitmakende kastelen met maximaal vier bouwlagen - zijn gelegen en dat sprake is van een geaccidenteerd terrein. Niet is gebleken dat de feiten en omstandigheden ten aanzien van de 88 woningen waarvoor onherroepelijk vrijstelling en bouwvergunning is verleend, ten tijde van het thans bestreden besluit in relevante mate zijn gewijzigd. Het bestemmingsplan maakt geen wezenlijk hogere bebouwing mogelijk. De voorzitter ziet om die reden geen aanleiding thans in zoverre anders te oordelen over hetgeen [appellanten] in beroep hebben aangevoerd.

De 14 extra woningen die op grond van het onderhavige plan zijn voorzien, geven evenmin aanleiding voor een andere conclusie. Gelet op de afstand en de ligging van de desbetreffende voorziene woningen ten opzichte van de woning en het bedrijf van [appellanten], ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor een ernstige inbreuk op de privacy niet behoeft te worden gevreesd. Voorts hebben [appellanten] het standpunt van de raad dat de mogelijkheid van een tweede bouwlaag geen nieuw gegeven is, maar een vertaling in het plan van de reeds onherroepelijk geworden vrijstelling en bouwvergunning eerste fase, niet gemotiveerd weersproken.

2.7. [appellanten] voeren verder aan dat zij en hun paarden overlast zullen ondervinden van bladblazers, grasmaaiers en het verkeer dat van en naar de voorziene woningen gaat.

2.7.1. Door [appellanten] is niet weersproken dat het plangebied binnen het voorheen geldende plan de bestemmingen "Verblijfsaccommodatie 1" en "Verblijfsaccommodatie 2" had, waarbij het was toegestaan om op die gronden een vakantiepark met bungalows en kampeerplaatsen te exploiteren. Voorheen was op het terrein een camping gevestigd waarvan de kampeerplaatsen tot aan de erfafscheiding met de manege van [appellanten] liepen. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op het campingterrein eveneens sprake was van menselijke activiteiten met de daarbij behorende geluiden. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij door de realisatie van het bouwplan in een nadeliger situatie komen te verkeren dan door de aanwezigheid van de camping reeds het geval was. Zij hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat voor ernstige geluidoverlast dient te worden gevreesd.

2.8. Voor zover [appellanten] betogen dat de groenbuffer van ongeveer 2 meter tussen hun manege en de nieuw te bouwen woonwijk niet voldoende is om problemen te voorkomen of op te lossen, wordt overwogen dat onweersproken is dat mede door de aanleg van de groenbuffer is voldaan aan alle noodzakelijke afstanden met betrekking tot geur, stof en geluid. [appellanten] hebben bovendien niet nader onderbouwd wat de aard van de volgens hen te verwachten problemen is.

2.9. Wat het betoog van [appellanten] betreft dat als gevolg van het plan verkeersoverlast zal ontstaan bij de enige toegangsweg die het plangebied kent, wordt verwezen naar eerdervermelde uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2010 in zaak nr. 200905490/1/H1, waarin is overwogen dat uit een verkeersstudie van Arcadis van augustus 2006 onder meer is gebleken dat de noodzaak voor een tweede ontsluitingsweg ontbreekt. Voorts is uit een berekening van de kruispuntbelasting gebleken dat kan worden voldaan aan de maximale wachttijd van 20 seconden. Als gevolg van het plan zullen de wachttijden voor de aansluitingen op de Hompertsweg weliswaar toenemen, doch deze kunnen volgens de studie niet als onredelijk worden aangemerkt.

In voormelde uitspraak is voorts overwogen dat Arcadis op 3 maart 2009 een nadere reactie heeft gegeven, waarin is aangegeven dat ten opzichte van 2006 hogere waarden moeten worden gehanteerd, maar dat ook rekening houdend met een hogere ritgeneratie per woning de verwachte toekomstige intensiteit niet uitkomt boven de grenswaarden voor 30 km/uurwegen. Nu de door de diverse deskundigen voorspelde verkeersintensiteiten in ieder geval ruim binnen de op grond van de "ASVV 2004 Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom" van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water-, wegenbouw- en verkeerstechniek verkeerskundig gezien acceptabele marges blijven, heeft de Afdeling geoordeeld dat geen sprake is van een onaanvaardbare toename van de verkeersintensiteiten.

Niet is gebleken dat de feiten en omstandigheden ten aanzien van de 88 woningen waarvoor onherroepelijk vrijstelling en bouwvergunning is verleend, ten tijde van het thans bestreden besluit in relevante mate zijn gewijzigd. De voorzitter ziet om die reden geen aanleiding thans anders te oordelen over hetgeen [appellanten] in zoverre in beroep hebben aangevoerd.

De 14 extra woningen die op grond van het onderhavige plan zijn voorzien, geven evenmin aanleiding voor een andere conclusie, aangezien uit de plantoelichting blijkt dat bij voormelde verkeersstudie is uitgegaan van de realisatie van 117 woningen in het plangebied.

2.10. Ten aanzien van het betoog van [appellanten] dat zij herhaaldelijk hebben geprotesteerd tegen de voor verschillende bomen verleende kapvergunningen, wat daar verder van zij, wordt verwezen naar eerdervermelde uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2010 in zaak nr. 200905042/1/H1, waarin is overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid de kapvergunningen heeft kunnen verlenen.

2.11. Voor zover [appellanten] aanvoeren dat zij vrezen voor overlast als gevolg van de bouwwerkzaamheden, overweegt de voorzitter dat dit betoog geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. [appellanten] hebben naar het oordeel van de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat sprake zal zijn van ernstige overlast.

2.12. Ten aanzien van de vrees van [appellanten] voor inkomstenderving als gevolg van het plan, bestaat geen grond voor het oordeel dat die inkomstenderving zodanig zal zijn dat de raad hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

Voorts heeft de raad terecht verwezen naar artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Deze bepaling biedt de mogelijkheid om een aanvraag om tegemoetkoming in de planschade in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders. De beslissing hieromtrent valt echter buiten het kader van de onderhavige procedure.

2.13. [appellanten] voeren voorts aan dat de woningbouw op slechts 10 meter afstand van het archeologische monument de "Oude Landgraaf" zal worden gerealiseerd.

2.13.1. Landweer de "Oude Landgraaf" is gelegen ten noordoosten van het plangebied en is daarmee het dichtst gelegen bij de voorziene woningen waarvoor reeds onherroepelijk vrijstelling en bouwvergunning is verleend. In de toelichting behorend bij het plan is vermeld dat de landweer bij uitstek geschikt is om in het plangebied in te passen en daardoor een meerwaarde te verlenen aan het woongenot. In de toelichting is verder vermeld dat het bureau "Past2Present Archeologic" in juni 2006 voorschriften heeft opgesteld voor een optimale bescherming van de randzone van deze landweer waarin eisen zijn gesteld aan het bouwontwerp, het bouwproces en het gebruik. Het eindresultaat van de fysieke bescherming is een archeologische vindplaats die niet is aangetast en dat ook niet zal raken als gevolg van het plan. De raad heeft voorts toegelicht dat in de vrijstelling ter bescherming van de landweer maatregelen zijn voorgeschreven, zoals een minimumafstand van de landweer tot de bebouwing.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de landweer de "Oude Landgraaf" door de realisatie van de voorziene woningen niet zal worden aangetast.

2.14. [appellanten] betogen verder dat zij, evenals andere manegebedrijven in Landgraaf, op 23 september 2009 een brief hebben ontvangen van de gemeente Landgraaf betreffende klachten over paardenpoep in de buurt van maneges. Volgens [appellanten] is de kans groot dat ook over eventuele mest op de ruiterpaden rondom het plangebied zal worden geklaagd.

2.14.1. Zoals hiervoor onder 2.4.1. in het kader van onder meer het aspect geur is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat voor de nieuwe woningen niet zal zijn voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In hetgeen door [appellanten] is aangevoerd wordt geen grond aanwezig geacht voor een ander oordeel. De raad heeft er bovendien terecht op gewezen dat de klachten waarop de brief van 23 september 2009 zag niet specifiek betrekking hadden op de omgeving van de manege van [appellanten] en dat het terugdringen van paardenmest op de openbare weg los staat van de te hanteren afstand tussen de manege en de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten.

2.15. [appellanten] voeren voorts aan dat als gevolg van het plan sprake is van een belasting van het natuurgebied om het oude campinggebied heen. Volgens [appellanten] wordt het leefgebied van verschillende soorten dieren ingedamd. Zij wijzen erop dat tot voor kort bijna dagelijks reeën en vossen over het terrein van De Bousberg liepen.

2.15.1. De Afdeling heeft in eerdervermelde uitspraak van 23 juni 2010 in zaak nr. 200905042/1/H1 overwogen dat in de natuurtoets van Arcadis van 6 juli 2005 is geconcludeerd dat gelet op de zorgvuldige landschappelijke inpassing van het woningbouwplan, met ontsluiting aan de zuidzijde en het handhaven van de bosrand, geen aantasting van de aangrenzende Ecologische Hoofdstructuur plaatsvindt, zodat geen passende beoordeling behoefde te worden opgesteld. Daarnaast is overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van diersoorten en dat evenmin grond bestaat voor het oordeel dat de toepasselijke bepalingen van de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staan. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel over het bestemmingsplan. De door [appellanten] gestelde eigen waarnemingen dat tot voor kort bijna dagelijks reeën en vossen over het terrein van De Bousberg liepen, terwijl dit thans niet langer het geval zou zijn, vormen onvoldoende grond om de verrichte onderzoeken onvolledig dan wel ondeugdelijk te achten.

2.16. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

2.17. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Bechinka

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

490.