Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6847

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201007765/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2010, nr. 80833123, heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Woudenberg bij besluit van 22 maart 2007, nr. 2007-13, vastgestelde bestemmingsplan "Prinses Amalialaan".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007765/1/R2.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Woudenberg Natuurlijk!, gevestigd te Woudenberg,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2010, nr. 80833123, heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Woudenberg bij besluit van 22 maart 2007, nr. 2007-13, vastgestelde bestemmingsplan "Prinses Amalialaan".

Tegen dit besluit heeft de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2010, beroep ingesteld. Het beroep is aangevuld bij brief van 14 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2011, waar de Stichting, vertegenwoordigd door J.A.B. Wiegers, en het college, vertegenwoordigd door W.J. de Vries, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is de raad, vertegenwoordigd door I.K. Kuperus, werkzaam bij de gemeente, ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van 27 woningen op de locatie Prinses Amalialaan ten noorden van de Nico Bergsteijnweg, aan de noordzijde van de kern van Woudenberg. Na toepassing van een in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid is de bouw van acht extra woningen mogelijk. Het plangebied is ongeveer 3,5 hectare groot.

2.3. De Stichting betoogt allereerst dat met dit plan ten onrechte wordt afgeweken van het provinciale beleid voor Boswetgebieden. Hiertoe voert zij aan dat het Streekplan Utrecht 2005-2015 (hierna: het Streekplan) geen afwijkingsbevoegdheid kent voor dit plan. Zij stelt primair dat het toepasselijke Streekplanbeleid een zogenoemde hoofdbeleidslijn betreft. Subsidiair stelt zij dat afwijking van dit beleid neerkomt op een materiële herziening van het Streekplan, hetgeen volgens haar niet is toegestaan. De afwijkingsbevoegdheid in het Streekplan in geval van een wettelijk vereiste medewerking is volgens de Stichting niet van toepassing. Daarnaast stelt de Stichting dat bij de afwijking van het Streekplan onvoldoende rekening is gehouden met het belang bij behoud van de bomen in het plangebied. De Stichting voert voorts meerdere argumenten aan op grond waarvan zij stelt dat de afwijking onvoldoende is gemotiveerd. Zij wijst onder meer op de vervallen financiële noodzaak voor vaststelling van het plan. De Stichting stelt ten slotte dat het college heeft gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir, omdat de afwijkingsprocedure puur en alleen is gevolgd omdat de provincie geld kan verdienen aan het project.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat van het Streekplanbeleid voor zogenoemde compensatiebeginselgebieden kon worden afgeweken. Hiertoe stelt het college dat met wettelijk vereiste medewerking de afgifte van een verklaring van geen bezwaar en de goedkeuring van bestemmingsplannen wordt bedoeld. Het college stelt voorts dat op goede gronden is afgeweken van het Streekplanbeleid. Het college licht toe dat dit beleid bedoeld was om naast de kwantitatieve compensatieplicht uit de Boswet een kwalitatieve compensatie af te dwingen. In dit geval acht het college het niet redelijk dit beleid onverkort toe te passen. Hiertoe acht het college van belang dat het plangebied binnen de rode contour voor woningbouw ligt, de houtwal van ondergeschikte omvang is, niet is aangewezen als deel van de EHS en bovendien ruimschoots zal worden gecompenseerd. Verder is volgens het college wel rekening gehouden met de waarden van de bomen en houtopstanden in het plangebied.

2.4. Uit het Streekplan vloeit voort dat het compensatiebeginsel van toepassing is op gebieden waarvoor de Boswet geldt. Voor deze compensatiebeginselgebieden geldt het 'nee, tenzij'-regime. Dit betekent dat in principe geldt dat in deze gebieden geen ingrepen worden toegestaan die de te beschermen wezenlijke kenmerken en waarden aantasten. Compensatie kan alleen aan de orde komen als een dergelijke aantasting onontkoombaar is. Van een onontkoombaarheid is slechts sprake indien is aangetoond dat de ingreep van groot openbaar belang is en als uit onderzoek blijkt dat elders geen alternatieve locaties voorhanden zijn. Voor ingrepen die aantoonbaar aan de criteria voldoen, geldt het vereiste dat de schade zoveel mogelijk moet worden beperkt door mitigerende maatregelen. Resterende schade dient te worden gecompenseerd.

Voorts is in het Streekplan vermeld dat het college bij het beoordelen en toetsen van (ruimtelijke) plannen niet kan afwijken van beginselen uit de hoofdbeleidslijnen. Een hoofdbeleidslijn kan alleen worden gewijzigd door een herziening van het Streekplan. Van overige beleidsuitspraken kan worden afgeweken. De afwijking van het beleid mag echter nooit neerkomen op een materiële herziening van het Streekplan. De afwijkingsbevoegdheid kan volgens het Streekplan worden toegepast voor het verlenen van de wettelijk vereiste medewerking aan het ruimtelijk beleid van gemeenten.

2.4.1. Bij uitspraak van 21 januari 2009, nr. 200709133/1 heeft de Afdeling het eerdere goedkeuringsbesluit van het college vernietigd wegens strijd met het in het Streekplan neergelegde beleid voor compensatiebeginselgebieden. In deze procedure zijn onder meer de beroepsgronden van de Stichting met betrekking tot de ligging van het plangebied in de nabijheid van de ecologische hoofdstructuur, en de gestelde strijdigheid met de Flora- en faunawet beoordeeld. Voorts is overwogen dat het Streekplan de toelaatbaarheid van woningbouw ter plaatse niet afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de opbrengsten uit de ontwikkeling van het gebied op een bepaalde wijze moeten worden aangewend, zodat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met het Streekplan. Nu de Stichting geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd ziet de Afdeling thans geen aanleiding op deze punten anders te oordelen.

2.4.2. In de hiervoor aangehaalde uitspraak heeft de Afdeling vastgesteld dat de Boswet op de onderhavige houtwal van toepassing is en dat, nu het compensatiebeginselbeleid in het Streekplan van toepassing is verklaard op alle bosareaal waarvoor de Boswet geldt, het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het beleid voor compensatiebeginselgebieden in dit geval niet van toepassing is. Gelet hierop heeft het college thans een afwijkingsprocedure gevolgd op grond van de hiervoor onder 2.4. weergegeven passages uit het Streekplan. Voor zover de Stichting betoogt dat deze passages niet als grondslag kunnen dienen voor de afwijking van het Streekplanbeleid, overweegt de Afdeling allereerst dat het beleid voor compensatiebeginselgebieden geen onderdeel is van de door de Stichting genoemde hoofdbeleidslijn 5. De Stichting heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat de afwijking van het Streekplan op genoemd punt in dit geval neerkomt op een materiële herziening hiervan. Nu bovendien niet is gebleken dat de uitleg van het college van de zinsnede 'wettelijk vereiste medewerking' onjuist of onredelijk is, heeft het college terecht gesteld dat het op grond van het Streekplan bevoegd was af te wijken van het beleid voor compensatiebeginselgebieden.

De Stichting heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het college de natuur-, landschappelijke- en cultuurhistorische waarden van het plangebied onvoldoende heeft onderkend en meegewogen. Hierbij betrekt de Afdeling de 'Natuurtoets bouwlocatie Nico Bergsteijnweg noord' van Arcadis van 5 augustus 2005 en de overwegend groene toekomstige inrichting van het plangebied die als gevolg van de huidige inrichting is gekozen. Het college heeft voorts van belang mogen achten dat de nieuwe woonwijk voorziet in de op grond van het gemeentelijk beleid gewenste stedenbouwkundige afronding van het dorp. Ook heeft het college in zijn afweging mogen betrekken dat de woonbebouwing in het plangebied aansluit op de bestaande bebouwing. Het college heeft bovendien geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen aan de omstandigheid dat het plangebied in het concept-Streekplan niet binnen de rode contour lag, nu gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden geen grond bestaat voor het oordeel dat het besluit van provinciale staten tot vaststelling van het Streekplan, waarbij het plangebied binnen de rode contour is komen te liggen, als kennelijk onredelijk moet worden gekenschetst. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad onweersproken heeft gesteld dat ook in het Streekplan Utrecht 1994 het plangebied binnen de rode contour lag voor stedelijk gebied. Gelet op het voorgaande heeft het college ruimtelijk relevante overwegingen aan zijn besluit ten grondslag gelegd en wordt dit besluit niet louter door financiële motieven gedragen. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college in strijd met het verbod van détournement de pouvoir heeft gehandeld.

2.4.3. Tot slot heeft het college van belang mogen achten dat een kwalitatieve compensatie voor de houtwal plaatsvindt ten zuiden van Groot Oudenhorst, langs de oude spoordijk van de voormalige spoorlijn Amersfoort - Kesteren. Naar ter zitting is bevestigd, heeft de gemeente deze gronden deels in eigendom en is inmiddels een compensatievoorstel ingediend bij het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De compensatieplicht maakt volgens de raad bovendien deel uit van de kapvergunning. Daarnaast is in het bestemmingsplan "Buitengebied" een bestemming opgenomen die de compensatie mogelijk maakt.

2.5. De conclusie is dat hetgeen de Stichting heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Langeveld- Mak

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

317-647.