Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6846

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201008528/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied Wijziging 2008 Voorneseweg" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2011/100 met annotatie van Van Bommel
JOM 2011/525
BR 2011/133 met annotatie van T.D. Rijs
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008528/1/R2.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Heerewaarden, gemeente Maasdriel,

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied Wijziging 2008 Voorneseweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 22 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, en het college, vertegenwoordigd door J.J.W.G. van den Oetelaar, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Comgra B.V., vertegenwoordigd door G.P. Liebrecht en bijgestaan door A.A.J. Plateijn, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied, Binnendijks deel" (hierna: het bestemmingsplan) teneinde een ander niet-agrarisch bedrijf mogelijk te maken op het perceel Voorneseweg 1 te Heerewaarden.

2.2. [appellant] kan zich in beroep niet verenigen met de met het plan voorziene mogelijkheid tot het vestigen van een ander bedrijf op het perceel Voorneseweg 1, dat direct naast zijn perceel [locatie] ligt. Hij vreest voor overlast, met name vanwege de buitenopslag van dit bedrijf en het vrachtverkeer dichtbij zijn perceel. De uitvoering van het voorgestelde beplantingsplan leidt volgens hem niet tot een voldoende afscherming tussen beide percelen en is niet in het plan verzekerd.

2.3. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan voorziet in een bedrijf dat tot minder geluidsoverlast zal leiden dan het tuincentrum dat in het bestemmingsplan op dit perceel was toegestaan. Voorts wordt voldaan aan de wijzigingsbepaling van het bestemmingsplan, aangezien de buitenopslag landschappelijk wordt ingepast, aldus het college.

2.4. Blijkens het bestemmingsplan was aan het perceel Voorneseweg 1 de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de aanduiding "tuincentrum" toegekend. Deze aanduiding is met het voorliggende plan gewijzigd in "handel en opslag klimmaterialen, valbeveiligingssystemen en hekwerk". Voor onder meer een strook grond gelegen in de noordwestelijke hoek van het plangebied voorziet het wijzigingsplan in de wijziging van de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" in de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden".

2.4.1. Ingevolge artikel 6.5, lid 6.5.1, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan kan het college van burgemeester en wethouders met toepassing van het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het bestemmingsplan wijzigen teneinde een andere vorm van een niet-agrarisch bedrijf toe te staan, mits aan de volgende, hier van belang zijnde, voorwaarden wordt voldaan:

a. uitbreiding van bebouwing is niet toegestaan; bebouwing die niet noodzakelijk is voor de nieuwe functie (overtollige bebouwing) dient te worden gesloopt, tenzij het een gemeentelijk monument of een rijksmonument betreft.

d. buitenpandige opslag is niet toegestaan, tenzij landschappelijk inpasbaar […];

i. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

Ingevolge de tabel in artikel 6.3, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan geldt er geen beperking ten aanzien van de situering van bedrijfsgebouwen.

Ingevolge deze tabel is de maximaal toegestane bebouwingshoogte van de bedrijfsgebouwen 10 meter.

Ingevolge artikel 1 van de planregels van het wijzigingsplan samen met artikel 6.2, onder a, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan is de maximaal toegestane omvang van het bedrijfstype "handel, opslag van klimmaterialen, valbeveiligingssystemen en hekwerken" 1.200 m².

Ingevolge artikel 6.5, lid 6.5.2, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" onder meer wijzigen in de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden".

2.4.2. Volgens de toelichting wordt beoogd het bedrijf landschappelijk in te passen overeenkomstig het inrichtingsplan en beplantingsplan van Nienhuis Landschapsarchitectuur, van mei 2010 (hierna: inrichtingsplan). Volgens dit inrichtingsplan zullen de bedrijfsgebouwen aan één of meerdere zijden worden omsloten door bomen, struweelranden en hagen, onder meer tussen het bedrijfsgebouw en [appellants] perceel, dat ten westen van het plangebied ligt. Tussen de buitenopslag en [appellant]s perceel is voorzien in een plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden". Ter plaatse zal een struweelrand van ongeveer vijf meter breed komen.

Zoals het college ter zitting heeft gesteld, volgt uit de in het bestemmingsplan gestelde eis van een landschappelijke inpassing niet dat [appellant] op geen enkele wijze vanuit zijn perceel zicht mag hebben op het voorziene bedrijf. Uit het inrichtingsplan volgt dat de buitenopslag zoveel mogelijk aan het zicht van [appellant] onttrokken wordt en dat het bedrijf landschappelijk wordt ingepast. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de uitvoering van het inrichtingsplan is voorzien in een landschappelijke inpassing van de buitenopslag en de bedrijfsgebouwen en dat is voorzien in een voldoende visuele afscherming tussen beide percelen.

Met het oog op de realisatie van de landschappelijke inpassing heeft het college in het besluit onder meer als voorwaarde voor vaststelling van het wijzigingsplan gesteld dat de landschappelijke inpassing van de buitenopslag voor 1 december 2010 overeenkomstig het inrichtingsplan gerealiseerd moet zijn en dat deze blijvend in stand moet worden gehouden. De aanleg en instandhouding van de beplanting volgens dit inrichtingsplan zijn echter niet in de planregels van het plan geregeld. Nu uit het besluit blijkt dat het college de landschappelijke inpassing van de bedrijfsgebouwen en de buitenopslag noodzakelijk acht met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, heeft het college de aanleg en instandhouding daarvan ten onrechte niet in het plan geregeld. Het betoog van [appellant] dat de door het college noodzakelijk geachte landschappelijke inpassing onvoldoende in het plan is gewaarborgd slaagt.

2.4.3. Voor zover [appellant] betoogt dat in het plangebied nog steeds een maximale bebouwing van 2.672 m² is toegestaan, overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist en reeds daarom faalt, nu artikel 1 van het plan een maximale bebouwing van 1.200 m² toestaat. Aan de voorwaarde van artikel 6.5, lid 6.5.1, onder a, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan, dat overtollige bebouwing dient te worden gesloopt, is inmiddels ook voldaan.

2.5. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat de verkeersoverlast als gevolg van het plan zal toenemen, overweegt de Afdeling als volgt.

Op het perceel van het voorziene bedrijf zal ongeveer eenmaal per week een vrachtwagen materiaal aanleveren en dagelijks zullen de werknemers van dit bedrijf met bestelbusjes naar de buiten het plangebied gelegen werklocaties rijden. Het college heeft er terecht op gewezen dat dergelijke verkeersbewegingen aanzienlijk minder zijn dan die van een tuincentrum te verwachten zijn. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan leidt tot een vergroting van het aantal verkeersbewegingen.

De stelling van [appellant] dat het om het bedrijfsgebouw op het perceel Voorneseweg 1 heen rijden tot overlast leidt, treft geen doel, nu dit niet de opzet is van het inrichtingsplan en voorts ter zitting door Comgra B.V. en [appellant] is verklaard dat dit inmiddels onmogelijk is gemaakt.

2.6. Blijkens de plankaart van het bestemmingsplan rust op [appellants] perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden". Blijkens de verbeelding bij het plan is aan de meest noordwestelijk gelegen gronden eveneens deze bestemming toegekend. Een deel van deze gronden behoort tot [appellant]s perceel. Het betoog van [appellant] dat het college ten onrechte aan een deel van zijn perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden" heeft toegekend, faalt, nu deze gronden met het plan dezelfde bestemming hebben gekregen als de rest van [appellants] perceel. Hiermee is de bestemming van dit perceel aangepast aan de eigendomssituatie.

2.7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan voor zover dat betrekking heeft op het perceel Voorneseweg 1 is vastgesteld in strijd met artikel 3.1 gelezen in samenhang met artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover niet is voorzien in een planregel die voorziet in de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing van de bedrijfsgebouwen en de buitenopslag.

De Afdeling ziet aanleiding zelfvoorziend een dergelijke planregel vast te stellen. Daarbij wordt aangesloten bij de door het college in het besluit gestelde voorwaarde dat de beplanting voor 1 december 2010 overeenkomstig het inrichtingsplan moet zijn uitgevoerd en vervolgens in stand moet worden gehouden. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat derdebelanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad, nu Comgra B.V. ter zitting heeft verklaard dat zij feitelijk voor 1 december 2010 voldaan heeft aan de voorwaarde van de aanleg van de landschappelijke inpassing.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over het plan voor zover dat op zijn gronden betrekking heeft ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep is op dit punt ongegrond.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 13 juli 2010, voor zover in de planregels niet is voorzien in de verplichting tot aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing van de bedrijfsgebouwen en de buitenopslag op het perceel Voorneseweg 1 overeenkomstig het inrichtingsplan;

III. bepaalt dat een nieuw artikel 2A wordt toegevoegd aan de planregels en dat dit als volgt komt te luiden:

"Artikel 2A

1. de landschappelijke inpassing van de bedrijfsgebouwen en de buitenopslag op de gronden met de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschaps- en cultuurhistorische waarden" en "Niet-agrarische bedrijven", voor zover begrepen in dit plan voor het perceel Voorneseweg 1, moet voor 1 december 2010 zijn aangelegd overeenkomstig het inrichtingsplan en dient vervolgens aldus in stand te worden gehouden;

2. onder inrichtingsplan wordt in deze planregels verstaan het inrichtings- en beplantingsplan Voorneseweg 1, gedateerd mei 2010, opgesteld door Nienhuis Landschapsarchitectuur";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover vernietigd;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Verbeek

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

388-677.