Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6845

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201008924/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2010 heeft het college hogere waarden vastgesteld voor de op grond van de Wet geluidhinder ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de Cranenburgsestraat te Groesbeek van een aantal woningen aan de Cranenburgsestraat. Dit besluit is op 4 augustus 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3732
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008924/1/M2.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Groesbeek,

2. [appellant sub 2], wonend te Groesbeek,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2010 heeft het college hogere waarden vastgesteld voor de op grond van de Wet geluidhinder ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de Cranenburgsestraat te Groesbeek van een aantal woningen aan de Cranenburgsestraat. Dit besluit is op 4 augustus 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2011, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. E. Beele, advocaat te s' Hertogenbosch, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. E. Beele, en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer en drs. F.A. Wittekamp, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft het college hogere waarden vastgesteld voor de op grond van de Wet geluidhinder ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege de Cranenburgsestraat van een aantal woningen aan de Cranenburgsestraat. Thans is de Cranenburgsestraat vlak voor de grensovergang Altena-Hettsteeg voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen door middel van verkeersborden en een carterrammer afgesloten. Aanleiding voor het vaststellen van de hogere waarden is het voornemen om deze gesloten verklaring op te heffen. In verband hiermee zullen de hiervoor genoemde borden en de carterrammer worden verwijderd en zal een gedeelte van de Cranenburgsestraat, tussen de Boersteeg en de Duitse grens, worden verbreed en van een nieuw wegdek worden voorzien. Bij besluit van 20 juli 2010 is, voor zover hier van belang, besloten om de gesloten verklaring op te heffen.

2.2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de wijzigingen van de Cranenburgsestraat zijn aan te merken als een reconstructie van een weg in de zin van de Wet geluidhinder. Zij voeren hiertoe aan dat de Cranenburgsestraat niet is aan te merken als een weg in de zin van de Wet geluidhinder, omdat ter hoogte van de woning Cranenburgsestraat 107 een carterrammer is geplaatst. De Cranenburgsestraat is ten gevolge hiervan niet meer toegankelijk voor auto's tenzij het bestemmingsverkeer betreft, zodat volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet wordt voldaan aan het vereiste van de Wet geluidhinder dat een weg toegankelijk dient te zijn voor openbaar rij- of ander verkeer.

2.2.1. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat ten gevolge van de wijzigingen aan de Cranenburgsestraat, tussen de Boersteeg en de Duitse grens, bij vier woningen sprake is van een reconstructie van de weg, omdat de toename van de geluidbelasting vanwege deze wijzigingen meer dan 2 dB(A) bedraagt.

2.2.2. Ingevolge artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt onder reconstructie van een weg verstaan: een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder a, en artikel 77, derde lid, blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstige maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting die op grond van artikel 100 dan wel het bepaalde krachtens artikel 100b, aanhef en onder a, als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt met 2 dB of meer wordt verhoogd.

Ingevolge artikel 1, voor zover hier van belang, wordt onder een weg verstaan: voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande weg of pad.

2.2.3. Gelet op de definitie in de Wet geluidhinder voor een weg, geldt ten aanzien hiervan niet het vereiste dat een weg toegankelijk dient te zijn voor al het verkeer. Dat de Cranenburgsestraat niet toegankelijk is voor verkeer op meer dan twee wielen voor zover dit geen bestemmingsverkeer betreft betekent niet dat de Cranenburgsestraat niet is aan te merken als een weg in de zin van de Wet geluidhinder. Er is derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college er in zoverre ten onrechte van is uitgegaan dat ter plaatse van vier woningen aan de Cranenburgsestraat zich een reconstructie van de weg voordoet.

De beroepsgrond faalt.

2.3. [appellant sub 1] voert aan dat in strijd met artikel 81 van de Wet geluidhinder aan het bestreden besluit ten onrechte geen recenter akoestisch rapport ten grondslag is gelegd. Volgens hem volgt uit artikel 81 van de Wet geluidhinder dat het college gehouden is om binnen drie maanden na het uitvoeren van een akoestisch onderzoek een maatregelenbesluit als bedoeld in dit artikel te nemen. Nu een dergelijk besluit niet binnen drie maanden is genomen, had volgens hem een nieuw akoestisch rapport opgesteld dienen te worden.

2.3.1. Aan het bestreden besluit ligt het akoestische rapport "Reconstructie Cranenburgsestraat Boersteeg-landsgrens" van 24 augustus 2007 ten grondslag.

2.3.2. Ingevolge artikel 110a, eerste lid, van de Wet geluidhinder zijn burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

2.3.3. De in artikel 81 van de Wet geluidhinder opgenomen verplichting tot het nemen van een maatregelenbesluit staat los van de bevoegdheid tot het vaststellen van hogere waarden op grond van artikel 110a, eerste lid, van de Wet geluidhinder. Er is reeds hierom in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestische rapport van 24 augustus 2007 niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd.

De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde akoestische onderzoek niet voldoet aan de Wet geluidhinder. Zij stellen zich op het standpunt dat dit onderzoek ten onrechte uitgaat van de periode 2007-2017 in plaats van 2012-2022. Daarnaast ziet dit onderzoek volgens hen in strijd met artikel 99, tweede lid, van de Wet geluidhinder niet op de gedeelten van de Cranenburgsestraat waar geen reconstructie plaatsvindt en evenmin op de Reestraat, de Boersteeg en de Ketelstraat. Volgens hen kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de geluidbelasting vanwege deze gedeelten van de Cranenburgsestraat en de andere genoemde straten toeneemt met 2 dB(A) of meer vanwege de reconstructie van de Cranenburgsestraat. Voorts stelt [appellant sub 2] zich op het standpunt dat in dit onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de slechte gevelwering van de woningen ter plaatse waarvan de geluidbelasting is berekend en dat ten onrechte niet is onderzocht of de voorgeschreven binnenwaarde van 33 dB(A) in zijn woning niet wordt overschreden.

2.4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat bij een reconstructie van een weg het bepalende jaar voor de beoordeling van de geluidbelasting in beginsel het tiende jaar na de reconstructie is.

2.4.2. In het akoestische rapport is voor de maatgevende verkeersintensiteiten uitgegaan van het jaar 2017. Uit het besluit van 20 juli 2010 tot opheffing van de gesloten verklaring van de Cranenburgsestraat blijkt dat de gesloten verklaring per 1 december 2011 wordt opgeheven. Dit betekent dat pas vanaf het jaar 2011 sprake is van een reconstructie van de weg. Het voor de beoordeling van de geluidbelasting bepalende jaar is daarom in beginsel 2021.

2.4.3. Het college stelt zich blijkens het verweerschrift op het standpunt dat het wegverkeer een autonome groei heeft van ongeveer 3% per jaar. De geluidstoename in de periode 2017-2021 is volgens het college vanwege deze groei zo gering, dat deze als niet akoestisch relevant kan worden beschouwd. Een nieuw akoestisch onderzoek zal daarom niet tot andere uitkomsten leiden, aldus het college.

2.4.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet bestreden dat de autonome groei van het wegverkeer ongeveer 3% per jaar zal zijn. De Afdeling acht aannemelijk dat bij een groei van 3% de geluidstoename gering is. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een nieuw akoestisch onderzoek niet tot andere uitkomsten zal leiden.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.4.5. Ingevolge artikel 99, tweede lid, van de Wet geluidhinder heeft het in het eerste lid bedoelde akoestische onderzoek, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de reconstructie van een weg zal leiden tot een toename van de geluidsbelasting van 2 dB of meer vanwege andere wegen dan de te reconstrueren weg of - als een weg gedeeltelijk wordt gereconstrueerd - vanwege de niet te reconstrueren gedeelten daarvan, tevens betrekking op die andere wegen of de niet te reconstrueren gedeelten van de betrokken weg.

2.4.6. Het college gaat ervan uit dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de geluidbelasting vanwege de Reestraat, de Boersteeg en de Ketelstraat niet met 2 dB(A) of meer toeneemt vanwege de reconstructie van de Cranenburgsestraat tussen de Boersteeg en de Duitse grens. Daarbij neemt het college in aanmerking dat de Cranenburgsestraat de doorgaande route tussen Groesbeek en Kranenburg zal worden. Ter plaatse van deze wegen behoefde volgens het college daarom niet op grond van artikel 99, tweede lid, van de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Volgens het college zijn ten aanzien van de niet te reconstrueren gedeelten van de Cranenburgsestraat dergelijke onderzoeken wel uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het akoestische rapport "Reconstructie Cranenburgsestraat Molenweg-Hoflaan" van 9 oktober 2007 en de notitie "Cranenburgsestraat tussen Hoflaan en Boersteeg" van 5 oktober 2007.

2.4.7. Gelet op de door het college gegeven motivering acht de Afdeling aannemelijk dat vanwege de openstelling van de Cranenburgsestraat de geluidbelasting van de Reestraat, de Boersteeg en de Ketelstraat niet met 2 dB(A) of meer toeneemt. Daarnaast heeft het uitgevoerde akoestische onderzoek, gelet op het door het college genoemde akoestische rapport van 9 oktober 2007 en de notitie van 5 oktober 2007, wel betrekking op de niet te reconstrueren gedeelten van de Cranenburgsestraat. Er is gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestische onderzoek in zoverre in strijd is met artikel 99, tweede lid, van de Wet geluidhinder.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.4.8. Ingevolge artikel 112, aanhef en onder a, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, treffen burgemeester en wethouders, indien met betrekking tot aanwezige of in aanbouw zijnde woningen toepassing is gegeven aan artikel 100a, met betrekking tot de geluidwering van de gevels van de betrokken woningen maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting, vanwege de weg, binnen de woning bij gesloten ramen na de reconstructie ten hoogste 33 dB bedraagt.

2.4.9. Het college heeft bij het bestreden besluit op grond van artikel 100a van de Wet geluidhinder hogere waarden vastgesteld die betrekking hebben op de geluidbelasting van de gevels van woningen. Voor de geluidbelasting binnen woningen geldt hetgeen is bepaald in artikel 112 van de Wet geluidhinder. Uit de systematiek van de Wet geluidhinder volgt dat eerst na vaststelling van hogere waarden als bedoeld in artikel 100a behoeft te worden bepaald of, mogelijk in verband met slechte gevelisolatie, op grond van artikel 112 gevelisolerende maatregelen moeten worden getroffen om te bewerkstelligen dat de binnenwaarde ten hoogste 33 dB bedraagt. De gevelisolatie dan wel de binnenwaarde van woningen speelt bij het vaststellen van hogere waarden geen rol. Reeds hierom is er geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestische onderzoek, voor zover dit niet ziet op de gevelisolatie dan wel de binnenwaarde van woningen, niet voldoet aan de Wet geluidhinder.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant sub 1] voert aan dat bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met de flora en fauna in de omgeving van de Cranenburgsestraat. Volgens hem is bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte geen rekening gehouden met beschermde diersoorten in de omgeving van de Cranenburgsestraat.

2.5.1. Bij of krachtens de Wet geluidhinder is niet voorzien in de bescherming van dieren. Het aspect soortenbescherming dient aan de orde te komen in het kader van de beoordeling of een ontheffing krachtens de Flora- en faunawet is vereist en kan worden verleend.

De beroepsgrond faalt.

2.6. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat het bestreden besluit niet in werking mag treden voordat het besluit van 20 juli 2010 onherroepelijk is geworden, overweegt de Afdeling dat uit de Algemene wet bestuursrecht volgt wanneer een besluit in werking treedt. Dit aspect heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.

2.7. [appellant sub 2] verwijst in zijn beroepschrift verder naar de inhoud van de door hem naar voren gebrachte zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden.

2.8. De beroepen zijn ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en mr. T.G. Drupsteen en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, ambtenaar van staat.

w.g. Mouton w.g. Schoppers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

462-578.