Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6844

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201009848/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Heerewaarden" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009848/1/R2.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Heerewaarden, gemeente Maasdriel,

en

de raad van de gemeente Maasdriel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Heerewaarden" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 10 november 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2011, waar [appellant], bijgestaan door H. Fredriksson, en de raad, vertegenwoordigd door J.J.W.G. van den Oetelaar en W.F.H. Zwevering, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat Fredriksson niet gemachtigd was om het beroep namens [appellant] in te dienen en [appellant] derhalve niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn beroep.

2.1.1. Bij brief van 4 november 2010 heeft Fredriksson de vereiste machtiging overgelegd. Hiermee is aangetoond dat Fredriksson het beroep namens [appellant] heeft ingediend. [appellant] is derhalve ontvankelijk in zijn beroep.

Het plan

2.2. Het plan voorziet in een actualisering van de bestemmingsplannen die betrekking hebben op de kern Heerewaarden.

Procedureel

2.3. [appellant] voert allereerst als procedureel bezwaar aan dat de raad voorafgaand aan de herziening van het bestemmingsplan "Heerewaarden dorp 1992" hierover met hem geen overleg heeft gevoerd.

2.3.1. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bestemmingsplanprocedure onzorgvuldig is verlopen. Het voeren van overleg tussen het gemeentebestuur en een belanghebbende maakt geen onderdeel uit van de procedure van vaststelling van een bestemmingsplan, zoals vastgelegd in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening. Het ontbreken van dergelijk overleg heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit waarbij het bestemmingsplan is vastgesteld. Daarnaast bestaat geen verplichting om een belanghebbende persoonlijk op de hoogte te stellen van een voorgenomen nieuw bestemmingsplan.

Inhoudelijk

2.4. [appellant] kan zich er niet mee verenigen dat zijn bouwmogelijkheden op het perceel [locatie 1] te Heerewaarden worden beperkt ten opzichte van het vorige plan. Hij betoogt verder dat een deel van het perceel [locatie 2] ten onrechte een woonbestemming heeft gekregen. Voorts heeft [appellant] bezwaar tegen de verhoging van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte op het perceel [locatie 3].

2.5. De raad stelt zich op het standpunt dat op [appellant]s perceel voldoende bouwmogelijkheden zijn en dat uit stedenbouwkundig opzicht meer bouwmogelijkheden ongewenst zijn.

2.6. Blijkens de verbeelding gelezen samen met artikel 9, lid 9.2.3, onder c, van de planregels mag het bebouwingspercentage op het bouwperceel aan de [locatie 1] niet meer bedragen dan 70, mits daarbij op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien.

Op het perceel is de maximaal toegestane goothoogte zes meter en de maximaal toegestane bouwhoogte acht meter.

In het vorige bestemmingsplan "Heerewaarden dorp 1992" was de maximaal toegestane goothoogte op het perceel zeven meter.

2.6.1. Het perceel, met de bestemming "Horeca", is in 2003 door [appellant] gekocht met het voornemen om het daarop liggende horecabedrijf "'t Oude Veerhuis" in bedrijf te stellen. In deze horecagelegenheid worden ook overnachtingsmogelijkheden geboden.

2.6.2. Bezwaren ten aanzien van het niet verlenen van een bouwvergunning en de welstandstoets kunnen in de onderhavige procedure niet aan de orde komen, nu slechts het besluit tot vaststelling van het plan ter toetsing voorligt.

2.6.3. Voor zover [appellant] betoogt dat vanwege de in het plan maximaal toegestane goot- en bouwhoogte op het perceel [locatie 3] zijn vrije uitzicht wordt aangetast, overweegt de Afdeling dat er geen recht op vrij uitzicht bestaat. Het standpunt van de raad dat de in het plan voor dit perceel maximaal toegestane goothoogte van 6 meter aansluit bij de directe omgeving waarin aan percelen met een woonbestemming dezelfde maximaal toegestane goothoogte is toegekend, komt de Afdeling niet onredelijk voor. Nu bovendien het bouwvlak op dit perceel slechts gedeeltelijk voor het hoofdgebouw op [appellant]s perceel ligt, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitzicht vanuit [appellant]s perceel niet ernstig zal worden aangetast.

2.6.4. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen.

Ter zitting is gebleken dat [appellant] en de raad bebouwing voor het hoofdgebouw op [appellant]s perceel vanuit stedenbouwkundig opzicht niet wenselijk achten. Aangezien dit voorterrein ongeveer 30% bedraagt van het bouwvlak op [appellant]s perceel, faalt het betoog van [appellant] dat het plan ten onrechte een bebouwingspercentage van 70 toekent aan zijn perceel.

De maximaal toegestane goothoogte op [appellant]s perceel is ten opzichte van het vorige plan met één meter verlaagd. De motivering van de raad dat met deze verlaging in stedenbouwkundig opzicht wordt aangesloten bij de omgeving, is onvoldoende draagkrachtig nu voor het merendeel van de aangrenzende percelen een woonbestemming geldt en het perceel van [appellant] een horecabestemming heeft. Het betoog van [appellant] dat het plan voor zijn perceel ten onrechte voorziet in een goothoogte van 6 meter slaagt.

Ter zitting is gebleken dat een deel van de gronden op het perceel [locatie 2], waar een woonbestemming op rust, behoort tot [appellant]s horecagelegenheid. Nu de raad ter zitting heeft verklaard dat, had hij dit eerder geweten, een andere begrenzing van de bestemming "Horeca" zou zijn opgenomen op de verbeelding, vormt dit aanleiding voor het oordeel dat in zoverre het plan berust op een onzorgvuldige voorbereiding.

2.6.5. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Wonen" voor een deel van het perceel [locatie 2], zoals nader aangeduid bij deze uitspraak behorende kaart. Voorts berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Horeca" voor het perceel [locatie 1], zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor het overige strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.7. De raad dient in beginsel in de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling is echter van oordeel dat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten, nu Fredriksson niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij rechtsbijstand verleent als een vast onderdeel van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening, in de zin van artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Maasdriel van 29 april 2010, voor zover dat betrekking heeft op:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor een deel van het perceel [locatie 2];

b. het plandeel met de bestemming "Horeca" voor het perceel [locatie 1];

zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Maasdriel aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Wijers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

234-677.

<HR>

Kaart