Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6843

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201009870/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 augustus 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een opfokbedrijf voor rosékalveren op het perceel Vissersweg (ongenummerd) te Meijel. Dit besluit is op 9 september 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/597
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009870/1/M2.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Kessel, gemeente Peel en Maas ,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Meijel, gemeente Peel en Maas,

en

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een opfokbedrijf voor rosékalveren op het perceel Vissersweg (ongenummerd) te Meijel. Dit besluit is op 9 september 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2010, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 2] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 17 november 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2011, waar [appellant sub 1] in persoon, en [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.F.E. Kees en ing. E.P.M. Giebelen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. C.M.H. Cohen en W.A. van Aerle, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo niet onherroepelijk was. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.2. Het college betoogt dat [appellant sub 1] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit nu zijn perceel uit grasland bestaat en daarop geen bouwwerken staan die bescherming behoeven tegen nadelige milieugevolgen. Het college stelt dat [appellant sub 1] op grote afstand van de inrichting woont en geen persoonlijk belang heeft bij de bescherming van nabijgelegen woningen tegen nadelige milieugevolgen.

2.2.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting of een zogenoemde revisievergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden.

[appellant sub 1] is eigenaar van een perceel dat op korte afstand van de inrichting ligt. Gelet op de aard van de inrichting is het aannemelijk dat ter plaatse van dat perceel milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. Deze omstandigheden zijn voldoende om [appellant sub 1] aan te merken als belanghebbende. Niet van belang is of dat perceel is bebouwd en evenmin of [appellant sub 1] persoonlijk hinder van de inrichting ondervindt. Verder is de aard van de beroepsgronden niet relevant voor de beoordeling van de belanghebbendheid. [appellant sub 1] is belanghebbende bij het besluit.

2.3. [appellant sub 1] heeft de beroepsgrond dat ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld, ter zitting ingetrokken.

2.4. Eerst ter zitting heeft [appellant sub 1] gronden aangevoerd met betrekking tot strijdigheid met het bestemmingsplan. In dit stadium van de procedure is dit, mede nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat deze gronden daarom buiten beschouwing.

2.5. [appellant sub 1] betoogt dat de vergunningverlening in strijd is met het structuurplan 'Buitengebied regio Peel en Maas'.

2.5.1. In de Wet milieubeheer is bepaald op welke gronden een vergunningaanvraag kan worden geweigerd. Strijd met een structuurplan is niet als weigeringsgrond in de Wet milieubeheer opgenomen.

Het betoog faalt.

2.6. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat de inrichting op een andere locatie zou moeten worden gevestigd, overweegt de Afdeling dat het college is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

2.9. Het college betoogt dat het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover dat betrekking heeft op de geuremissie ter plaatse van de woning [locatie], niet-ontvankelijk is omdat zij op dat punt geen belang hebben bij het bestreden besluit.

2.9.1. [appellant sub 2] en anderen zijn belanghebbenden bij het besluit omdat ter plaatse van hun woningen milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. Voor een niet-ontvankelijkverklaring van bepaalde beroepsgronden bestaat geen grond. Zoals onder 2.2.2. is overwogen is de aard van de beroepsgronden niet relevant voor de beoordeling van de belanghebbendheid bij het bestreden besluit.

2.10. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het rapport "Onderzoek Luchtkwaliteit" van M&A Milieuadviesbureau BV van 22 oktober 2008, nr. 28-MViong.-pm10-v2, niet met het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen.

2.9.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.9.2. Vast staat dat rapport niet met het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen. De beoordeling van de vergunningaanvraag is, voor zover het de luchtkwaliteit betreft, gebaseerd op het rapport. Het rapport moet worden aangemerkt als een stuk dat redelijkerwijs nodig is voor een beoordeling van het ontwerpbesluit. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb tot stand gekomen.

De Afdeling ziet geen aanleiding de schending van dit vormvoorschrift te passeren met toepassing van artikel 6:22, nu niet is gebleken dat potentiële belanghebbenden door deze schending niet zijn benadeeld. Het feit dat het rapport bij het definitieve besluit ter inzage heeft gelegen en dat [appellant sub 2] en anderen daarvan kennis hebben kunnen nemen, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan het college kennelijk veronderstelt, gaat het bij de toepassing van artikel 6.22 niet alleen om mogelijke benadeling van degenen die beroep hebben ingesteld.

De beroepsgrond slaagt.

2.10.1. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het akoestisch rapport van M&A Milieuadviesbureau BV van 21 juni 2010, nr. 210-Mvi-il-v1, op belangrijke punten afwijkt van de aanvraag en daarom niet ten grondslag kan worden gelegd aan het bestreden besluit. Verder stellen zij dat als gevolg van die afwijkingen niet duidelijk is voor welke bedrijfsvoering vergunning is verleend. Voor zover met het akoestisch rapport is beoogd de vergunningaanvraag te wijzigen, is dit volgens [appellant sub 2] en anderen niet toegestaan, omdat die wijziging dan zou hebben plaatsgevonden na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit.

2.10.2. Ingevolge artikel 8.11, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt in een vergunning duidelijk aangegeven waarop zij betrekking heeft.

2.10.3. Zowel de vergunningaanvraag als het akoestisch rapport, dat na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit is opgesteld, zijn gewaarmerkt als behorende bij de het bestreden besluit. In het besluit, op pagina 14, is vermeld dat het akoestisch rapport als aanvulling op de oorspronkelijke aanvraag is ingediend en onderdeel uitmaakt van de vergunning.

Vast staat dat het akoestisch rapport ten aanzien van een aantal uit een oogpunt van geluidhinder relevante activiteiten afwijkt van de vergunningaanvraag. Dit betreft zowel de frequentie van die activiteiten als het tijdstip waarop die mogen plaatsvinden. Zoals ook het college heeft erkend, is hierdoor niet duidelijk waarop de vergunning betrekking heeft. Het besluit is op dit punt in strijd met artikel 8.11, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond slaagt.

2.11. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het gebouw op het perceel [locatie], dat feitelijk als woning in gebruik is, ten onrechte niet is aangemerkt als een geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. Zij wijzen er op dat de geldende bestemming menselijk verblijf toestaat. Verder stellen zij onder meer dat het gebruik als woning op grond van het overgangsrecht is toegestaan.

2.11.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij wordt onder een geurgevoelig object verstaan: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

2.11.2. Gezien deze definitie is allereerst van belang of een gebouw bestemd alsmede geschikt is voor menselijk wonen dan wel verblijf. Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 3, blz. 17) wordt met de term 'bestemd' bedoeld dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf. Niet in geschil is dat op het gebouw aan de [locatie] de bestemming 'bedrijfsgebouw' rust. Gelet op de uitspraak van 11 maart 2009 in zaaknr. 200801961/1 kan een bedrijfsgebouw een geurgevoelig object zijn in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt dat het gebouw op het perceel [locatie] niet is bestemd voor menselijk verblijf. Evenmin heeft hij onderzocht of bewoning van dit gebouw op grond van het overgangsrecht van het bestemmingsplan is toegestaan. Nu blijkens de bij het verweerschrift overgelegde berekeningen de ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij geldende geurnorm ter plaatse van dat gebouw wordt overschreden, staat derhalve niet vast of de verlening van de vergunning zich verdraagt met deze wet. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

De beroepsgrond slaagt.

2.12. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het college heeft verzuimd inzichtelijk te maken wat de effecten zijn van de ammoniakemissie op de gebieden die op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 worden beschermd. Zij stellen zich op het standpunt dat niet wordt voldaan aan de vereisten van deze wet, in het bijzonder het vereiste van saldering, zodat de vergunning ten onrechte is verleend.

2.12.1. De gevolgen van de ammoniakemissie op de bij of krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 aangewezen gebieden dienen uitsluitend te worden beoordeeld in het kader van die wet. In de Wet milieubeheer noch in de Wet ammoniak en veehouderij is strijd met de Natuurbeschermingswet 1998 als weigeringsgrond opgenomen.

Het betoog faalt.

2.13. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:11, eerste lid, van de Awb en 8.11, eerste lid, van de Wet milieubeheer te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven, met het oog op een nieuw te nemen besluit, geen bespreking.

2.14 Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas van 24 augustus 2010, kenmerk 34-7a;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 914,00 (zegge: negenhonderdveertien euro), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas aan [appellant sub 2] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

190.