Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6838

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201011172/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Tholen Noord" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Crisis- en herstelwet
Crisis- en herstelwet 1.1
Crisis- en herstelwet 1.6a
Crisis- en herstelwet 1.9
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 3.3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/294
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/1719
BR 2011/123 met annotatie van P.M.J. de Haan
Gst. 2011/127 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
ABkort 2011/253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011172/1/R2.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], gevestigd te Tholen,

en

de raad van de gemeente Tholen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Tholen Noord" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door [eigenaar], mr. D.N.J. van Horssen en ir. H.T.W. van Veen, en de raad, vertegenwoordigd door

drs. G.H. Kooiker en ing. P.A. Quist, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de omvorming van een bedrijventerrein ten noordoosten van Tholen in een woon- en voorzieningengebied.

2.2. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw), die op 31 maart 2010 in werking is getreden, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Ingevolge artikel 1.6a kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

Ingevolge artikel 1.9 vernietigt de administratieve rechter een besluit niet op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

In onderdeel 3.1 van bijlage I bij de Chw wordt de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) ten behoeve van de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden aangemerkt als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Chw.

2.2.1. Het plan maakt de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk zodat ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Chw afdeling 2 van hoofdstuk 1 op het bestreden besluit van toepassing is.

2.3. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het door [appellant] ingediende stuk van 30 maart 2011 gelet op artikel 1.6a van de Chw niet in de procedure betrokken kan worden aangezien dit stuk buiten de beroepstermijn is ingediend en nieuwe gronden bevat.

2.3.1. De Afdeling is van oordeel dat het door [appellant] ingediende stuk geen nieuwe gronden bevat maar een aanvulling van de gronden zoals ingediend bij brief, ingekomen bij de Raad van State op 22 november 2010. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de brief van 30 maart 2011 op grond van artikel 1.6a van de Chw buiten beschouwing gelaten moet worden.

2.3.2. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de bezwaren van [appellant] met betrekking tot het woon- en leefklimaat van de bewoners van de nieuwe woningen ingevolge artikel 1.9 van de Chw geen bespreking behoeven omdat deze niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden.

2.3.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 januari 2011 in zaak nr. 201006426/1/R2 kan uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 49) worden afgeleid dat de wetgever met artikel 1.9 van de Chw de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad. Met de in het bestemmingsplan opgenomen zonering tussen het bedrijf van [appellant] en de nieuwe woningen wordt beoogd zowel de belangen van de omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat als het belang van het bedrijf bij een ongehinderde bedrijfsuitoefening te waarborgen. Nu [appellant] door de bouw van de woningen mogelijk geconfronteerd zal worden met klachten over milieuhinder, staat artikel 1.9 Chw er niet aan in de weg dat hij aanvoert dat in het plangebied geen goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. De Afdeling wijst in dit verband nog op haar uitspraak van 16 maart 2011 in zaaknummer 201009223/1.

2.4. [appellant] heeft bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Gemengd (GD)" dat ziet op het perceel Wattstraat 1 te Tholen. Hiertoe voert hij aan dat tussen de voorziene woon- en winkelbestemming en zijn autobedrijf met spuiterij aan de [locatie] onvoldoende afstand in acht is genomen. Hierdoor zal of zijn bedrijf worden beperkt of de bewoners en gebruikers zullen in hun woongenot en detailhandelactiviteiten worden geschaad. Bovendien wordt het bedrijf toekomstperspectief ontnomen. Hij merkt hierbij op dat het niet zo mag zijn dat het stuklopen van de onderhandelingen over de verkoop van zijn bedrijf tot gevolg heeft dat zijn bedrijf nadeel gaat ondervinden van de nieuwe ontwikkelingen.

2.5. De raad stelt dat de bedrijfsbestemmingen in het plan conserverend van aard zijn. Met betrekking tot de door [appellant] gestelde overlast stelt de raad dat op basis van het akoestisch onderzoek 'Nieuwbouw Slachtveld te Tholen, akoestisch onderzoek in het kader van een ruimtelijke ordeningsprocedure' van Grontmij van 19 februari 2010 (hierna: het akoestisch onderzoek) is afgeweken van de richtafstand als genoemd in de brochure "Bedrijven en milieuzonering 2009" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat afwijken van de richtafstand als bedoeld in de VNG-brochure mogelijk is gelet op de tussen het perceel van [appellant] en de nieuwe ontwikkelingen voorgeschreven muur en het feit dat de nieuwe woningen op de eerste verdieping zullen worden gebouwd.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het toekomstperspectief van [appellant] niet in het geding is nu het bedrijf conserverend is bestemd en het plan niet voorziet in bestemmingswijzigingen die verdere ontwikkeling van het autobedrijf belemmert.

2.6. Blijkens de verbeelding is aan het plandeel dat ziet op het perceel Ampèrestraat 1 de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf 1' toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d, van de planregels gelezen in samenhang met de Staat van Bedrijfsactiviteiten als opgenomen in bijlage 1 bij de planregels zijn deze gronden, voor zover van belang, bestemd voor een autobeklederij met een milieucategorie 1, een autospuitinrichting van een milieucategorie van 3.1 en een autoplaatwerkerij van een milieucategorie 3.2 als bedoeld in de Staat van Bedrijfsactiviteiten "bedrijventerrein". Niet in geschil is dat het bedrijf van [appellant] een bedrijf is met een maximale milieucategorie 3.2.

Blijkens de verbeelding bedraagt de afstand tussen de perceelsgrens van het autobedrijf en de te bouwen woningen 20 meter.

De raad is bij het vaststellen van de afstand tussen het autobedrijf en de woningen uitgegaan van de richtafstand zoals opgenomen in de VNG- brochure. Hierbij heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een 'gemengd gebied' als bedoeld in de VNG-brochure waardoor een maximale richtafstand van 50 meter in plaats van 100 meter voor geluid en 30 in plaats van 50 meter voor geur van toepassing is.

Blijkens de VNG-brochure wordt onder 'gemengd gebied' verstaan een gebied met een matige tot sterke functievermenging waarbij direct naast woningen andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Dit begrip wordt gebruikt om richtafstanden aan te geven tussen een bedrijventerrein of bedrijfslocatie en een gebied met een variatie aan functies, zoals wonen, horeca en kleine bedrijvigheid. Volgens de VNG-brochure is bij het omgevingstype gemengd gebied een correctie van één afstandsstap lager mogelijk. Nu in het gebied verschillende functies voorkomen als wonen, detailhandel en bedrijven is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een gemengd gebied, waardoor de raad een richtafstand van 50 meter voor geluid en 30 voor geur tussen het bedrijf en de woningen als uitgangspunt heeft mogen nemen.

Voor zover de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat de afwijking van de richtafstand van 50 meter voor geluid mogelijk is gelet op het akoestisch onderzoek, overweegt de Afdeling het volgende. [appellant] heeft aangevoerd dat voor het bepalen van de afstand voor geluid op grond van de VNG-brochure de plaatwerkerij van zijn bedrijf maatgevend is. Voor de plaatwerkerij geldt een milieucategorie 3.2, met een richtafstand van 50 meter in een gemengd gebied. In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een bedrijf met een milieucategorie 3.1 met een afstand van 30 meter. Nu in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een verkeerd uitgangspunt, zoals [appellant] terecht heeft betoogd, is de Afdeling van oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd om welke reden hij zich bij het afwijken van de richtafstand op dit onderzoek heeft mogen baseren. Voorts heeft de raad niet onderbouwd in hoeverre de in de planregels voorgeschreven muur en het feit dat de woningen op de eerste verdieping zullen worden gebouwd zullen bijdragen aan het verminderen van geluidhinder in de woningen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad op basis van de door hem aan de besluitvorming ten grondslag gelegde gegevens zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor zover het betreft geluid de afstand van 20 meter tussen de perceelsgrens van [appellant] en de woningen voldoende te achten is.

Ten aanzien van de afwijking van de richtafstand van 30 meter voor geur overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting heeft de raad desgevraagd niet kunnen verklaren waarop het in het besluit ingenomen standpunt dat een afstand van 20 meter aanvaardbaar is door de verplichting tot oprichting van de muur, is gebaseerd. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat een afstand van 20 meter in plaats van 30 meter voor geur in dit geval voldoende is aangezien [appellant] op grond van de milieuvergunning al een afstand van 25 meter tot de perceelsgrens in acht dient te nemen voor de uitlaat van de spuitinrichting. In de aan [appellant] verleende milieuvergunning zoals verlengd bij besluit van 7 november 2007 is opgenomen dat de uitmonding van de afvoerleiding van de spuitcabine moet zijn gelegen op een hoogte van tenminste één meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter vanaf die uitmonding gelegen bebouwing en zodanig moet zijn uitgevoerd dat de gasstroom naar boven gericht blijft. Hieruit volgt dat de milieuvergunning niet ziet op de tussen de bebouwing en de afvoerpijp in acht te nemen afstand, maar op de hoogte van de afvoerpijp. Niet gebleken is dat de raad bij de vaststelling van het plan rekening heeft gehouden met dit in de milieuvergunning opgenomen voorschrift. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd of ten aanzien van het aspect geur sprake is van een beperking en derhalve of de afstand van 20 meter aanvaardbaar geacht kan worden.

2.7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Gemengd (GD)" dat ziet op het perceel Wattstraat 1, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Tholen van 23 september 2010, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Gemengd (GD)" dat ziet op het perceel Wattstraat 1;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Tholen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 477,11 (zegge: vierhonderdzevenenzeventig euro en elf cent), waarvan € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Tholen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

317-674.