Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6837

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201011331/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een champignonkwekerij op het perceel [locatie] te America. Dit besluit is op 15 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet geurhinder en veehouderij
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/830
Milieurecht Totaal 2012/361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011331/1/M2.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te America, gemeente Horst aan de Maas,

en

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een champignonkwekerij op het perceel [locatie] te America. Dit besluit is op 15 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 24 december 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2011, waar het college, vertegenwoordig door drs. L.J.M. Selen, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door P.M.M. Janssen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Voor zover [appellant] aanvoert dat het bestreden besluit niet aan hem is toegezonden zoals bepaald in artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, heeft dit betrekking op een onregelmatigheid die dateert van na het nemen van het bestreden besluit, waardoor het reeds om die reden de rechtmatigheid van dit besluit niet kan aantasten. De beroepsgrond faalt.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

2.4. Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat de inrichting waarschijnlijk nooit gerealiseerd zal worden, overweegt de Afdeling dat dit betoog niet ziet op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en reeds om die reden niet kan slagen. Hetzelfde geldt voor het betoog van [appellant] dat een voor de inrichting verleende bouwvergunning moet worden ingetrokken.

2.5. Volgens [appellant] miskent het college dat de champignonkwekerij een geurgevoelig object is in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. Hij stelt dat zijn bedrijfsontwikkeling wordt beperkt door de realisatie van een geurgevoelig object in de geurcontour van zijn varkenshouderij.

2.5.1. Gezien artikel 8.10 van de Wet milieubeheer kan de vergunning uitsluitend worden geweigerd vanwege de milieugevolgen die de champignonkwekerij veroorzaakt in de omgeving. Gelet hierop is het voor de vergunningverlening niet relevant of de champignonkwekerij zelf een geurgevoelig object is. Een beperking van mogelijkheden tot uitbreiding van de varkenshouderij van [appellant] kan verder evenmin worden aangemerkt als een milieugevolg als bedoeld in artikel 8.10. De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. [appellant] heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

262-687.