Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6835

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201009936/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2009 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring voor woningtoewijzing afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009936/1/H3.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2010 in zaak nr. 09/4674 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2009 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring voor woningtoewijzing afgewezen.

Bij besluit van 2 september 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 september 2010, verzonden op 16 september 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2011, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.M.E. Schuttenhelm, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting W.J. de Haas, keuringsarts bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (hierna: de GGD), verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.4.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Partiële Regionale Huisvestingsverordening voor de gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening) kunnen Burgemeester en Wethouders een voorrangsverklaring verlenen aan degenen wier medische of sociale omstandigheden van zodanig ernstige aard zijn dat voorrang geboden is, te bepalen door Burgemeester en Wethouders.

Ingevolge artikel 4.1 zijn Burgemeester en Wethouders bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

Bij de uitoefening van de bevoegdheid ingevolge artikel 2.4.1 van de Verordening hanteert het college beleidsregels die zijn neergelegd in Uitvoeringsinstructie 5 Urgentieverklaring en medische indicatie (hierna: de Uitvoeringsinstructie). Volgens artikel 4.2, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsinstructie dient de aanvrager van een urgentieverklaring om medische of sociale redenen psychisch in staat te zijn om zelfstandig te wonen, dat wil zeggen dat er door de GGD geen contra-indicatie is verstrekt voor het zelfstandig kunnen wonen.

2.2. Ter beoordeling van de aanvraag om een urgentieverklaring heeft op 14 april 2009 een medische keuring door een GGD-arts plaatsgevonden. In zijn advies van 11 mei 2009 verklaart de GGD-arts twijfels te hebben ten aanzien van het welslagen van zelfstandig wonen en functioneren onder de huidige begeleiding. Hij heeft geconcludeerd dat bij [appellante] sprake is van chronische psychische problematiek waarvoor zij niet onder behandeling is en waarbij nadere behandeling en intensievere begeleiding noodzakelijk is. Deze conclusie ziet hij bevestigd in een advies van de crisisdienst GGZ Buitenamstel uit 2006. Op grond van het advies van de GGD-arts heeft het college de aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen.

Naar aanleiding van het door [appellante] gemaakte bezwaar heeft een andere GGD-arts opnieuw een advies uitgebracht. In zijn advies van 9 juli 2009 overweegt hij dat sprake is van een veel langer bestaande problematiek waarvoor op dit moment onvoldoende begeleiding is om zelfstandig te kunnen wonen, welke visie wordt gedeeld door de voormalig begeleidster van GGZ-InGeest.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen aanwijzing heeft gevonden dat het advies van de GGD-arts op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Hiertoe voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de oude informatie uit het dossier kan worden afgeleid dat gebleken is van een langdurige problematiek. Volgens haar is slechts van belang of zij ten tijde van de besluitvorming voldeed aan de criteria als genoemd in artikel 2.4.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening en artikel 4.2 van de Uitvoeringsinstructie. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het onder deze omstandigheden aan haar is om door enige medische of psychologische verklaring aan te tonen dat de GGD-artsen en haar vroegere behandelaarster het niet goed zien en dat zij wel tot zelfstandig wonen in staat is. Ook heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Tevens heeft de rechtbank ten onrechte het beroep op de hardheidsclausule afgewezen met als motivering dat [appellante] niet zonder begeleiding zou mogen proberen of ze mogelijk in staat is tot zelfstandig wonen als ze rust krijgt. Zij heeft gesteld dat zij tijdens de besluitvorming psychisch in staat was en thans in staat is om zelfstandig te kunnen wonen.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 november 2009 in zaak nr. 200903011/1/H3; www.raadvanstate.nl) mag een bestuursorgaan een advies dat is uitgebracht door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige bij zijn beoordeling van een aanvraag betrekken, mits dit advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.

De GGD-arts heeft zijn advies van 11 mei 2009 onder meer gebaseerd op het onderhoud met [appellante] van 14 april 2009, bij de huisarts opgevraagde informatie en een telefonisch gesprek van een intakemedewerker met de voormalig begeleidster van GGZ-InGeest in het kader van het op 24 maart 2009 gehouden intakegesprek. De verkregen informatie uit 2006 heeft de GGD-arts bij zijn beoordeling mogen betrekken, nu deze gegevens een indicatie geven van eerdere problematiek. Anders dan [appellante] betoogt, ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat het advies van de GGD-arts op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Dit advies wordt bovendien ondersteund door een advies van een andere GGD-arts in het kader van de bezwaarprocedure en de visie van de voormalig begeleidster van GGZ-InGeest. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het onder deze omstandigheden aan [appellante] is om met enige medische of psychologische verklaring aan te tonen dat de visie van de GGD-artsen en haar vroegere behandelaarster onjuist is en dat zij wel tot zelfstandig wonen in staat is. Nu zij dergelijke informatie niet heeft overgelegd, mocht het college zich op het standpunt stellen dat [appellante] psychisch niet in staat is om zelfstandig te kunnen wonen, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 4.2, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsinstructie. Voor zover [appellante] betoogt dat uit de door haar overgelegde brief van 1 oktober 2010 van haar psychiater blijkt dat zij zowel fysiek als mentaal in staat is om zelfstandig te wonen, overweegt de Afdeling dat deze brief ziet op de periode na het nemen van het besluit op bezwaar en dat hieruit niet kan worden afgeleid dat [appellante] ten tijde van dit besluit in staat was om zelfstandig te wonen. Nu niet aan voornoemde voorwaarde is voldaan, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante] niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Voorts is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan [appellante] in aanmerking komt voor toepassing van de hardheidsclausule. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

97-697.