Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6833

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201010330/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2010:BP2267, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2010 heeft het CBR geconstateerd dat [wederpartij] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010330/1/H3.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR),

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 23 september 2010 in zaken nrs. 10/1700 en 10/1701 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Bergen,

en

het CBR.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2010 heeft het CBR geconstateerd dat [wederpartij] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 15 juni 2010 heeft het CBR het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 september 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 juni 2010 vernietigd, het CBR opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen, met inachtneming van de uitspraak, en het besluit van 9 maart 2010 geschorst tot zes weken nadat het besluit op bezwaar aan [wederpartij] is verzonden. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het CBR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 november 2010.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 16 maart 2011 heeft het CBR, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, het door [wederpartij] tegen het besluit van 9 maart 2010 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit herroepen.

[wederpartij] heeft hierop een reactie ingediend.

Bij brief, bij de rechtbank ingekomen op 25 maart 2011, heeft [wederpartij] daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep doorgezonden aan de Raad van State.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2011, waar het CBR, vertegenwoordigd door J.A. Launspach, juridisch medewerkster bij het CBR, en W. van Os, arts bij het CBR, en [wederpartij], bijgestaan door

mr. G.J.M. van Spanje, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR, onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat de betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid. Dit onderzoek wordt door een deskundige uitgevoerd.

Ingevolge artikel 134, eerste lid, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft.

Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge het derde lid deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek of de onderzoeken inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage (hierna: de bijlage).

In die bijlage is in paragraaf 8.8, "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)", bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring op basis van een specialistisch rapport geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

Ingevolge artikel 464, tweede lid, aanhef en onder b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) wordt, indien het handelingen betreft als omschreven in artikel 446, vierde lid, de persoon op wie het onderzoek betrekking heeft in de gelegenheid gesteld mee te delen of hij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen. Indien die wens is geuit en de handelingen niet worden verricht in verband met een tot stand gekomen arbeidsverhouding of burgerrechtelijke verzekering dan wel een opleiding waartoe de betrokkene reeds is toegelaten, wordt bedoelde persoon tevens in de gelegenheid gesteld mee te delen of hij van de uitslag en de gevolgtrekking als eerste kennis wenst te nemen teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan.

2.2. Na een mededeling in de zin van artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 heeft [wederpartij] zich onderworpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid, als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet. Dit onderzoek heeft op 11 januari 2010 plaatsgevonden en bestond uit anamneses en een lichamelijk, een psychiatrisch en een laboratoriumonderzoek. De betrokken psychiater, N. van Loenen, heeft in het verslag van bevindingen (hierna: het rapport), voor zover thans van belang, geconcludeerd dat op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin kan worden gesteld. Voorts acht hij het niet aannemelijk dat [wederpartij] ten tijde van het onderzoek met alcoholmisbruik was gestopt.

Op grond van het rapport heeft het CBR [wederpartij] ongeschikt geacht voor het besturen van motorrijtuigen en op grond van paragraaf 8.8 van de bijlage het besluit van 9 maart 2010 genomen.

2.3. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de door Van Loenen gestelde psychiatrische diagnose alcoholmisbruik niet wordt gedragen door het rapport en dat het CBR zich derhalve niet op dit rapport heeft mogen baseren. Volgens de voorzieningenrechter komen in het rapport ongerijmdheden voor en kan op grond van de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en laboratoriumgeneeskunde, aangaande de geschiktheid van CDT-analysemethoden ten behoeve van onderzoek naar chronisch overmatig alcoholgebruik (hierna: de Richtlijn) niet worden gesteld dat de bij het bloedonderzoek geconstateerde carbohydraat deficiënt transferrine (hierna: CDT)-waarde van 2,6% duidt op alcoholmisbruik.

De voorzieningenrechter acht het besluit van 15 juni 2010 in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

2.4. Het CBR betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het zich op het rapport heeft mogen baseren. Het CBR heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat het rapport geen ongerijmdheden bevat en dat de conclusie van de voorzieningenrechter dat de bij [wederpartij] geconstateerde CDT-waarde van 2,6% op grond van de Richtlijn niet duidt op alcoholmisbruik evenmin juist is. Daartoe heeft het CBR het volgende aangevoerd. Op grond van zijn bevindingen heeft Van Loenen bij [wederpartij] een verhoogde tolerantie voor alcohol kunnen vaststellen. Het rapport bevat op dit punt geen ongerijmdheden. In de omstandigheid dat uit het rapport blijkt dat [wederpartij] tijdens het onderzoek heeft verklaard dat hij zonder speciale reden alcohol had genuttigd, terwijl hij steeds heeft verklaard dat hij op een festival aanwezig was en aldaar aan het kamperen was, ziet het CBR evenmin reden om het rapport niet voldoende concludent te achten. Verder heeft Van Loenen de CDT-waarde van 2,6% volgens het CBR kunnen toeschrijven aan overmatig alcoholgebruik. De bijdrage van normale biologische en analytische variaties is immers zo beperkt dat ook bij die waarde met een grote mate van zekerheid kan worden gesteld dat [wederpartij] niet bij de normale verdeling behoort. Dit geldt te meer nu [wederpartij] geen andere oorzaken dan overmatig alcoholgebruik aannemelijk heeft gemaakt. Voorts moet de geconstateerde CDT-waarde volgens het CBR worden bezien in het licht van de overige bevindingen bij het onderzoek.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 april 2007 in zaak nr. 200606675/1), bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, slechts aanleiding om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Die omstandigheden doen zich hier niet voor.

In het rapport is vastgesteld dat [wederpartij] een fors verhoogde tolerantie heeft voor alcohol, omdat hij zich ten tijde van de aanhouding op 7 juni 2009 ondanks het bij hem geconstateerde zeer hoge ademalcoholgehalte van 1030 µg/l goed in staat voelde om een motorrijtuig te besturen en hij in het jaar voorafgaand aan de aanhouding pas na vier eenheden alcohol een effect bemerkte. Voorts wordt vastgesteld dat de uitslag van het op 21 december 2009 uitgevoerde bloedonderzoek in een laboratorium een verhoogde CDT-waarde van 2,6% laat zien, hetgeen volgens de psychiater een aanwijzing vormt voor recent en overmatig alcoholgebruik en niet in overeenstemming is met de anamnese.

Anders dan de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat het CBR het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft mogen baseren op het rapport. [wederpartij] heeft bij het onderzoek verklaard dat hij in het jaar voorafgaand aan de aanhouding geen verminderd effect ervoer bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid alcohol. Dat Van Loenen desondanks heeft geconcludeerd dat [wederpartij] in deze periode wel een verminderd effect ervoer bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid alcohol, berust op de verklaringen van [wederpartij] dat hij zich ten tijde van de aanhouding wel goed in staat voelde om te rijden en hij in het jaar voorafgaand aan de aanhouding pas na vier eenheden alcohol een effect bemerkte. Op grond daarvan heeft Van Loenen de mate van gewenning aan alcohol bij [wederpartij] beoordeeld en vastgesteld dat [wederpartij] een verhoogde tolerantie had voor alcohol. De Afdeling acht de toelichting van Van Loenen op dit punt niet onvoldoende. Niet valt in te zien dat Van Loenen zijn conclusies niet mag toelichten met gegevens uit de anamnese. Voorts heeft [wederpartij] volgens het rapport tijdens het onderzoek verklaard dat hij zonder speciale reden alcohol had genuttigd. [wederpartij] heeft echter in een later stadium van de procedure verklaard dat hij net terug was van een wereldreis en op een festival aanwezig was. Nu hetgeen in het rapport is vermeld een weergave betreft van een verklaring van [wederpartij] tegenover Van Loenen, kan de latere verklaring van [wederpartij] over de reden voor het alcoholgebruik niet leiden tot het oordeel dat het rapport inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat Van Loenen de CDT-waarde van 2,6% ten onrechte heeft toegeschreven aan overmatig alcoholgebruik. De geconstateerde CDT-waarde dient te worden bezien in het licht van het geheel van de in het rapport neergelegde bevindingen. Gelet hierop maakt de omstandigheid dat de waarde onder de afkapgrens van 2,8% valt, en daarom niet met 95% zekerheid gesteld kan worden dat de uitslag niet bij de normale verdeling behoort, in dit geval niet dat niet kan worden gesteld dat de CDT-waarde van 2,6% - bij normaalwaarden tot 2,3% - aan overmatig alcoholgebruik is toe te schrijven. Het CBR heeft terecht in aanmerking genomen dat [wederpartij] ook geen andere oorzaken dan alcoholmisbruik aannemelijk heeft gemaakt. Dat de bij het bloedonderzoek geconstateerde Gamma GT-waarde niet is verhoogd, betekent, anders dan [wederpartij] heeft gesteld, niet dat de conclusie alcoholmisbruik in dit geval niet gerechtvaardigd is. Het CBR heeft op grond van het rapport tot ongeldigverklaring van het rijbewijs mogen besluiten. Het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de gronden van het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 15 juni 2010 behandelen, voor zover die, gelet op wat hiervoor is overwogen, nog behandeling behoeven.

2.6. [wederpartij] betoogt dat het CBR door de uitslag van het onderzoek aan het besluit ten grondslag te leggen, heeft gehandeld in strijd met de vereiste zorgvuldigheid. Hij voert daartoe aan dat hij met betrekking tot de uitslag van het psychiatrisch onderzoek niet in de gelegenheid is gesteld het aan hem toekomende inzage- en blokkeringsrecht uit te oefenen, waardoor hij in zijn belangen is geschaad.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 februari 2009 in zaak nr. 200803362/1) dient het door de psychiater in opdracht van het CBR verrichte onderzoek te worden aangemerkt als "een handeling ter beoordeling van de gezondheidstoestand of medische begeleiding van een persoon, verricht in opdracht van een ander dan die persoon in verband met de vaststelling van aanspraak of verplichtingen" als bedoeld in artikel 446, vierde lid, van Boek 7 van het BW en kwam aan [wederpartij] in beginsel het in artikel 464, tweede lid, aanhef en onder b, van Boek 7 van het BW genoemde inzage- en blokkeringsrecht toe. Hij diende in dat kader op grond van voornoemde bepaling in de gelegenheid te worden gesteld mee te delen of hij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenste te vernemen. Gebleken is dat hij daartoe door de psychiater in de gelegenheid is gesteld en hij heeft verklaard hiervan af te zien. Hij heeft derhalve expliciet van zijn inzagerecht afgezien en behoefde daarom niet in de gelegenheid te worden gesteld mee te delen of hij van de uitslag en de gevolgtrekking als eerste kennis wenst te nemen teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan het CBR wordt gedaan. Het CBR heeft derhalve door de uitslag van het onderzoek aan het besluit tot ongeldigverklaring ten grondslag te leggen niet gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog faalt.

2.7. Voorts ontkent [wederpartij] tijdens het onderzoek te hebben verklaard dat hij zich ten tijde van de aanhouding goed in staat voelde om te rijden en dat hij pas na vier eenheden alcohol enig effect bemerkte. Verder stelt [wederpartij] dat een aantal vragen die in het rapport zijn vermeld niet aan hem zijn gesteld en betwist hij de in het rapport weergegeven antwoorden op die vragen.

2.7.1. [wederpartij] heeft niet aannemelijk gemaakt dat Van Loenen verklaringen niet juist heeft weergegeven in het rapport. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat onvoldoende reden om te twijfelen aan de verklaringen zoals die in het rapport zijn opgenomen. Hierbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat Van Loenen op de hoogte is gesteld van de door [wederpartij] gestelde onjuistheden, maar daarin geen aanleiding heeft gezien zijn rapport te wijzigen. Het betoog faalt.

2.8. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 juni 2010 ongegrond verklaren.

2.9. Het besluit van 16 maart 2011 wordt ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, tweede lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is aan dit besluit, dat ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is genomen, de grondslag komen te ontvallen. Om die reden zal de Afdeling het beroep tegen dit besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 23 september 2010 in zaken nrs. 10/1700 en 10/1701;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 16 maart 2011 gegrond;

V. vernietigt dat besluit.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

97-597.