Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6830

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201002617/1/M3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Parapluherziening verbod bedrijfswoningen 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002617/1/M3.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Doetinchem,

en

de raad van de gemeente Doetinchem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Parapluherziening verbod bedrijfswoningen 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2011, waar de raad, vertegenwoordigd door E.H.J. Ketels, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het plan zijn enkele bestemmingsplannen die van toepassing zijn op bedrijventerreinen in de gemeente Doetinchem gedeeltelijk herzien. Daarbij is voor bestaande bedrijfswoningen op de plankaarten de aanduiding "(bw)" ("bedrijfswoning (dienstwoning)") opgenomen. Het plan voorziet daarnaast in een verbod op nieuwe bedrijfswoningen op bedrijventerreinen.

2.2. De raad betoogt dat de beroepsgrond inzake het overgangsrecht niet als zienswijze naar aanleiding van het ontwerpplan naar voren is gebracht, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.2.2. Naar het oordeel van de Afdeling dient hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht over het bij het plan behorende overgangsrecht ter onderbouwing van zijn betoog dat hij nadeel ondervindt door de bij het plan toegevoegde aanduiding "(bw)" voor zijn woning. Die aanduiding is een besluitonderdeel waarover [appellant] naar aanleiding van het ontwerpplan zienswijzen naar voren heeft gebracht. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3. De woning van [appellant] bevindt zich op een perceel waarop volgens het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Keppelseweg 2002" de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" rust. Bij het plan is aan de woning de aanduiding "(bw)" toegekend.

2.3.1. [appellant] betoogt dat zijn woning niet kan worden aangemerkt als bedrijfswoning en dat daarom bij het plan ten onrechte de aanduiding "(bw)" aan zijn woning is toegekend. Volgens [appellant] is de woning destijds niet als bedrijfswoning, maar als burgerwoning gebouwd. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat de woning door hem steeds als burgerwoning is gebruikt en dat geen noodzaak tot huisvesting in verband met de bestemming aanwezig is of is geweest.

2.3.2. Blijkens de plantoelichting en de toelichting die de raad ter zitting heeft gegeven is met het plan, voor zover hier van belang, beoogd de feitelijk bestaande situatie vast te leggen en de ten tijde van de vaststelling van het plan als bedrijfswoning in gebruik zijnde woningen op bedrijventerreinen uitdrukkelijk als bedrijfswoning in de bestemmingsplannen op te nemen door toekenning van de aanduiding "(bw)". De raad stelt zich op het standpunt dat de woning van [appellant] kan worden aangemerkt als bedrijfswoning.

2.3.3. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat voor de woning in 1954 een bouwvergunning is verleend. Ter zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat deze bouwvergunning is verleend voor het bouwen van een bedrijfswoning, behorend bij een later te bouwen bedrijfsruimte. Voorts is gebleken dat de woning sinds 1970 eigendom is van [appellant] en sindsdien door hem wordt bewoond. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt verder dat op het perceel sinds lange tijd een transportbedrijf is gevestigd, dat door [appellant] dan wel zijn gezinsleden wordt geëxploiteerd.

Op grond van hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat de woning ten tijde van de vaststelling van het plan niet, of niet meer, als bedrijfswoning werd gebruikt. Gelet hierop heeft de raad de woning terecht als bedrijfswoning aangemerkt.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat bij het plan ten aanzien van zijn woning een planologische wijziging tot stand is gebracht, aangezien zijn woning bij het plan is bestemd als bedrijfswoning, terwijl deze voorheen als burgerwoning werd gebruikt. Hij stelt zich op het standpunt dat de raad de noodzaak van deze wijziging onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.4.1. Gelet op hetgeen onder 2.3.3 is overwogen, heeft de raad de woning van [appellant] terecht als bedrijfswoning aangemerkt. In het plan is door de toekenning van de aanduiding "(bw)" aan deze woning dan ook slechts de bestaande situatie vastgelegd, zoals de raad heeft beoogd. De door [appellant] bedoelde planologische wijziging doet zich derhalve niet voor. Reeds hierom kan deze beroepsgrond niet slagen.

2.5. [appellant] vreest dat hij schade zal lijden als gevolg van het plan. Nu de bestemming bij het plan niet uitdrukkelijk is gewijzigd, vreest [appellant] dat hij niet op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening om tegemoetkoming in de schade zal kunnen verzoeken.

2.5.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.6. [appellant] betoogt dat hij door de toekenning van de aanduiding "(bw)" aan zijn woning nadeel ondervindt, aangezien het bij het plan behorende overgangsrecht voor hem ongunstiger is dan het overgangsrecht dat op grond van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Keppelseweg 2002" van toepassing was. Het overgangsrecht van het plan beperkt volgens hem de mogelijkheden voor uitbreiding van de bebouwing. Voorts bepaalt het overgangsrecht, anders dan het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Keppelseweg 2002", dat het met het plan strijdige gebruik niet mag worden hervat, indien dit voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken.

2.6.1. Nu bij het plan aan de woning van [appellant] de aanduiding "(bw)" is toegekend en de woning - zoals hiervoor reeds is overwogen - ten tijde van de vaststelling van het plan ook feitelijk in gebruik was als bedrijfswoning, is de woning niet een bouwwerk dat afwijkt van het plan en kan het bestaande gebruik van de woning niet worden aangemerkt als gebruik dat met het bestemmingsplan in strijd is. Dit betekent dat met betrekking tot de woning niet het bij het plan behorende overgangsrecht, zoals neergelegd in de artikelen 4.1 tot en met 4.5 van de planregels, van toepassing is, maar de voorschriften uit de planregels die betrekking hebben op bedrijfswoningen die op de plankaart met "(bw)" zijn aangeduid. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.7. [appellant] kan zich voorts niet verenigen met de definitie van het begrip bebouwing, zoals dat in artikel 1.3 van de planregels is opgenomen. Volgens hem komt het begrip bebouwing overeen met het begrip bouwwerk. Het naast elkaar hanteren van twee begrippen met dezelfde betekenis leidt volgens [appellant] tot onduidelijkheid. [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom artikel 1.3 van de planregels op dit punt niet is gewijzigd naar aanleiding van de zienswijzen.

2.7.1. Ingevolge artikel 1.3 van de planregels wordt onder bebouwing verstaan: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 1.9 wordt onder bouwwerk verstaan: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Ingevolge artikel 1.10 wordt onder gebouw verstaan: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.7.2. De raad stelt dat de begripsomschrijvingen in het plan zijn ontleend aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP 2008 (hierna: de SVBP 2008). Het hanteren van de SVBP 2008 is volgens de raad wettelijk voorgeschreven.

2.7.3. Uit artikel 2, eerste lid, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (hierna: de Regeling), in samenhang met artikel 1.2.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, volgt dat de raad een bestemmingsplan dient vorm te geven, in te richten en beschikbaar te stellen overeenkomstig de SVBP 2008, die als bijlage II deel uitmaakt van de Regeling. Volgens paragraaf 5.4 van de SVBP 2008 moeten de begrippen en bijbehorende omschrijvingen uit bijlage 11 worden overgenomen, indien deze begrippen in een te maken bestemmingsplan worden gehanteerd. De omschrijvingen van de begrippen bebouwing en bouwwerk in de planregels komen geheel overeen met de begripsomschrijvingen in bijlage 11 bij de SVBP 2008. De Afdeling is daarom van oordeel dat de raad deze begripsomschrijvingen terecht in de planregels heeft opgenomen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.8. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

483.