Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6824

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201008485/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 12 februari 2009 heeft het college [appellant A] medegedeeld dat de gevraagde bouwvergunning voor het verbreden en verhogen van de steiger aan de achterzijde van de woning op het perceel [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel) van rechtswege is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/1722
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008485/1/H1.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 juli 2010 in zaak nr. 09/7097 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van den Haag.

1. Procesverloop

Bij brief van 12 februari 2009 heeft het college [appellant A] medegedeeld dat de gevraagde bouwvergunning voor het verbreden en verhogen van de steiger aan de achterzijde van de woning op het perceel [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel) van rechtswege is verleend.

Bij besluit van 24 augustus 2009 heeft het college de door [belanghebbenden] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en de van rechtswege verleende bouwvergunning herroepen.

Bij uitspraak van 14 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2011, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. O.W. Wagenaar, en het college, vertegenwoordigd door A.C. Visser en ir. A.C. van der Ven, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft naar aanleiding van bezwaren van [belanghebbenden] de van rechtswege verleende bouwvergunning herroepen. Aan de herroeping is ten grondslag gelegd dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van de Welstands- en Monumentencommissie (hierna: de welstandscommissie) van 21 januari 2009 dat het bouwplan in strijd is met de van toepassing zijnde "Algemene welstandscriteria" van de Welstandsnota van de gemeente Den Haag (hierna: de welstandsnota).

2.2. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte de bouwvergunning voor het verbreden en verhogen van de steiger, gelegen achter de woning op het perceel, heeft herroepen wegens strijd met redelijke eisen van welstand. Hiertoe voeren zij aan dat het college ten onrechte het negatieve welstandsadvies aan de herroeping ten grondslag heeft gelegd. Volgens [appellant A] en [appellant B] is dat advies niet in overeenstemming met de welstandsnota, omdat het bouwplan niet is getoetst in relatie tot de bestaande omgeving. Zij wijzen er in dit verband op dat er in de omgeving reeds diverse steigers zijn gewijzigd en er tevens verschillende erfafscheidingen, zoals schuttingen en hekwerken, zijn aangebracht en dat daarmee geen rekening is gehouden door de welstandscommissie.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering.

2.2.2. In de "Algemene welstandscriteria" wordt ingegaan op de kwaliteit van architectuur. Hierbij is de kwaliteit van een ontwerp zelf aan de orde, maar ook de relatie van het ontwerp met de omgeving, aldus de welstandsnota.

2.2.3. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de welstandscommissie het bouwplan niet heeft bezien in relatie tot de omgeving, het welstandsadvies van 21 januari 2009 derhalve niet voldoet aan de welstandsnota en het college dit niet aan het herroepen van de bouwvergunning ten grondslag heeft mogen leggen. De welstandscommissie heeft, naar aanleiding van een door [appellant A] en [appellant B] overgelegd tegenadvies van het Gelders Genootschap van 7 oktober 2009, op 24 februari 2010 een nadere toelichting op haar eerdere welstandsadvies gegeven. Hierin is uiteengezet dat zij heeft beoordeeld of het bouwplan past binnen de kenmerken van de omgeving. De welstandscommissie heeft toegelicht dat zij is uitgegaan van de aanwezigheid van steigers die weliswaar verbreed zijn, maar niet verhoogd. In dit verband is overwogen dat de eilanden waar het eiland Langeland deel van uitmaakt, worden gekenmerkt door een subtiele overgang van land naar water, welke overgang in de oorspronkelijke situatie, bij het bestaan van lage steigers, een heldere lijn is. Volgens de welstandscommissie tast de door [appellant A] en [appellant B] gerealiseerde verhoging van de achter hun woning gelegen steiger die heldere lijn aan. De andere gewijzigde steigers in dat bouwblok zijn slechts verbreed en tasten volgens de welstandscommissie om die reden de heldere lijn tussen land en water niet aan. Wat betreft de aanwezigheid van diverse bouwwerken op enkele steigers in hetzelfde bouwblok wordt overwogen dat die zonder bouwvergunning mochten worden opgericht. Ten aanzien van de aan de andere zijde van de brug aan het Langeland verhoogde steigers heeft het college toegelicht dat, voor zover die zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning zijn gerealiseerd, daartegen alsnog handhavend zal worden opgetreden. Hiervoor heeft het college ook beleid opgesteld.

Voor zover [appellant A] en [appellant B] hebben verwezen naar enkele andere gewijzigde steigers aan het Langeland, waarvoor wel bouwvergunning is verleend, heeft het college gemotiveerd uiteengezet dat het ten aanzien van die bouwplannen ten onrechte de daarvoor door de welstandscommissie gegeven positieve welstandsadviezen heeft overgenomen en op basis daarvan te onrechte bouwvergunningen heeft verleend. De welstandscommissie heeft in haar welstandsadvies van 21 januari 2009 en de nadere toelichting van 24 februari 2010 ook erkend dat het ten aanzien van die wijzigingen achteraf bezien geen positief welstandsadvies had moeten afgeven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 december 2010 in zaak nr. 201004709/1/H1), strekt het gelijkheidsbeginsel niet zover dat het college tot herhaalde met het welstandsbeleid strijdige vergunningverlening is gehouden. Derhalve heeft de welstandscommissie, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, deze gewijzigde steigers voor een beoordeling van het bouwplan in relatie tot de bestaande omgeving in redelijkheid buiten beschouwing kunnen laten en betekent dit niet dat het college het welstandsadvies van 21 januari 2009 niet aan de herroeping van de bouwvergunning ten grondslag heeft mogen leggen.

In de omstandigheid dat de welstandscommissie ten aanzien van gewijzigde steigers gelegen aan de achterzijde van de woningen op de percelen Noordland 23, 24 en 25 heeft geoordeeld dat deze in overeenstemming zijn met redelijke eisen van welstand en het college op basis van die adviezen daarvoor bouwvergunningen heeft verleend, heeft de rechtbank evenzeer terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het welstandsadvies van 21 januari 2009 niet aan het herroepen van de bouwvergunning ten grondslag heeft mogen leggen. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat die gewijzigde steigers niet vergelijkbaar zijn met de door [appellant A] en [appellant B] gewijzigde steiger, nu de woningen gelegen op het Noordland een andere architectuur hebben. Voorts zijn tegenover die steigers, anders dan bij de steiger van [appellant A] en [appellant B], geen woningen met steigers gelegen, zodat geen gevaar bestaat dat het doorzicht tussen twee eilanden dichtslibt.

2.3. [appellant A] en [appellant B] betogen voorts tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het advies van de welstandscommissie niet leidt tot een ongeoorloofde beperking van de bebouwingsmogelijkheden die het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Wateringse Veld" biedt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 januari 2007, in zaak nr. 200602200/1), gaat het primaat van het bestemmingsplan niet zover dat geen ruimte meer is voor een negatief welstandsoordeel, indien het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Als echter wordt vastgesteld dat verwezenlijking van uitdrukkelijk in het bestemmingsplan opgenomen bouwmogelijkheden door de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen welstandscriteria onmogelijk wordt gemaakt, dienen deze op grond van artikel 12, derde lid, van de Woningwet buiten toepassing te blijven. Nu het bestemmingsplan niet uitdrukkelijk voorziet in voorschriften ten behoeve van het plaatsen en vergroten van steigers is van een dergelijke situatie geen sprake.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Heijninck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

552.