Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6820

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201010011/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 januari 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Zodiac B.V., gevestigd te Breda ontheffing en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vergroten van een café/pension op het perceel Oudemolensedijk 22-24 te Fijnaart (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010011/1/H1.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Fijnaart, gemeente Moerdijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 september 2010 in zaak nr. 10/768 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Zodiac B.V., gevestigd te Breda ontheffing en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vergroten van een café/pension op het perceel Oudemolensedijk 22-24 te Fijnaart (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 8 september 2010, verzonden op 13 september 2010, heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 januari 2010 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen, met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 oktober 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Zodiac een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2011, waar [appellant A] en [appellant B], in persoon en bijgestaan door mr. M.M. Breukers, en het college, vertegenwoordigd door M.C.E. Brouwer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Zodiac, vertegenwoordigd door C.A.M. van Gils, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Moerdijk buitengebied" rusten op het perceel de bestemmingen "Horecadoeleinden", met subbestemming "Hhr", en "Primair waterkeringsdoeleinden".

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de planvoorschriften, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Horecadoeleinden" ter plaatse van de subbestemming "Hhr" bestemd voor: een hotel-restaurant behorende tot categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Primair waterkeringsdoeleinden" bestemd voor dijken, kaden en dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering.

Ingevolge het vierde lid zijn bouwwerken ten behoeve van samenvallende bestemmingen op deze gronden slechts toelaatbaar indien daarvoor vrijstelling door burgemeester en wethouders is verleend. Vrijstelling wordt verleend indien het belang van de waterkering hierdoor niet onevenredig wordt geschaad.

Ingevolge het vijfde lid winnen burgemeester en wethouders, alvorens omtrent het verlenen van een vrijstelling ten behoeve van de samenvallende bestemmingen te beslissen, advies in bij de beheerder van de waterkering omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.

2.2. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college gelet op artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bij het afwegen van de bij de ontheffing ingevolge artikel 25, vierde lid, van de planvoorschriften betrokken belangen, niet voorbij heeft kunnen gaan aan de door hen naar voren gebrachte belangen van hun privacy en woongenot.

2.2.1. Uit de plansystematiek met meervoudige bestemmingen volgt dat voor het perceel verscheidene planvoorschriften van belang zijn. In artikel 25 is voorzien in een rangorde tussen de bestemming "Primair waterkeringsdoeleinden" en daarmee samenvallende bestemmingen. In artikel 25, vierde lid, is beoogd een toetsingskader te geven voor de verhouding tussen de verschillende op het perceel gelegen bestemmingen. Nu het bouwplan voldoet aan de voor de bestemming "Horecadoeleinden" geldende bebouwingsvoorschriften heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college het besluit op het verzoek om binnenplanse ontheffing slechts het belang van waterkering mocht betrekken. Voor zover [appellant A] en [appellant B] zich niet kunnen verenigen met de bouwmogelijkheden die de bestemming "Horecadoeleinden" biedt, hadden zij rechtsmiddelen moeten aanwenden in het kader van de bestemmingsplanprocedure. In hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de rechtbank de door de gemeenteraad vastgestelde bepalingen van de bestemming "Horecadoeleinden" buiten toepassing had moeten laten.

Nu het college het besluit van het dagelijks bestuur van Waterschap Brabantse Delta van 27 februari 2007, waarin het waterschap aan Zodiac een keurontheffing ten behoeve van het bouwplan heeft verleend, aan het besluit van 8 januari 2010 ten grondslag heeft gelegd en door [appellant A] en [appellant B] geen argumenten naar voren zijn gebracht waarom het belang van waterkering op onevenredige wijze wordt geschaad, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college de ontheffing moest verlenen.

Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Bij besluit van 1 april 2011 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, een nieuw besluit genomen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.5. In het besluit van 1 april 2011 heeft het college aan Zodiac ontheffing ingevolge artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, ontheffing ingevolge artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening gemeente Moerdijk (hierna: de bouwverordening) en bouwvergunning verleend voor het bouwplan.

2.6. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening, voor zover thans van belang moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

2.7. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in de nodige extra parkeerruimte, als gevolg van het bouwplan, in de omgeving kan worden voorzien.

2.7.1. Het college heeft ter motivering van het besluit van 1 april 2011 een parkeerbalans opgesteld volgens de richtlijnen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek. Volgens deze parkeerbalans is in de directe omgeving van het perceel voldoende parkeerruimte aanwezig om te voorzien in de extra parkeerbelasting ten gevolge van het bouwplan. Ter zitting, noch anderszins is deze parkeerbalans door [appellant A] en [appellant B] betwist. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat in de omgeving van het perceel in de benodigde extra parkeerruimte wordt voorzien.

Het betoog faalt.

2.8. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 1 april 2011 is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk van 1 april 2011, kenmerk SBA 2009/1127HBP1, ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

17-627.