Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6814

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201100873/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2010 heeft de raad een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) genomen ten aanzien van een plan voor de bouw van woningen, gelegen aan de Hoge Klei, kadastraal bekend Wassenaar, sectie B, nrs. 7246, 10137, 10283.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/195 met annotatie van T.E.P.A. Lam
TBR 2011/122 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100873/1/H1.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vennootschap onder firma Tuincentrum en Kwekerij

Schouwbrug V.O.F., gevestigd te Wassenaar, waarvan de vennoten zijn A.J.C. van der Kroft en M.H. van der Kroft-van Schie, beiden wonend te Wassenaar,

appellante,

en

de raad van de gemeente Wassenaar,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2010 heeft de raad een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) genomen ten aanzien van een plan voor de bouw van woningen, gelegen aan de Hoge Klei, kadastraal bekend Wassenaar, sectie B, nrs. 7246, 10137, 10283.

Tegen dit besluit heeft Schouwbrug bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Schouten en De Jong Projectontwikkeling B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2011, waar Schouwbrug, vertegenwoordigd door Van der Kroft, bijgestaan door mr. L. de Kok, advocaat te Amsterdam, en R.H. Schokker, werkzaam bij ingenieursbureau Oranjewoud, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J. Waleboer en E.H.J. Blanker, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is gehoord Schouten en De Jong, vertegenwoordigd door ing. C.L.F. van der Togt en ing. D. Zuiddam, bijgestaan door mr. E.C. van Lent, advocaat te Leiden.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Het projectuitvoeringsbesluit is met toepassing van artikel 2.10, eerste lid, van de Chw door de raad vastgesteld ten aanzien van een plan dat voorziet in de ontwikkeling en verwezenlijking van 25 woningen.

2.2. Ingevolge artikel 2.9, eerste lid, van de Chw is afdeling 6 van hoofdstuk 2 van de Chw, in het bijzonder de bevoegdheid om een projectuitvoeringsbesluit te nemen als bedoeld in art. 2.10 van de Chw, van toepassing op de uitvoering van:

a. projecten die geheel of hoofdzakelijk voorzien in de bouw van ten minste 12 en ten hoogste:

1. in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling: 2.000 nieuwe woningen;

2. in geval van één ontsluitingsweg: 1.500 nieuwe woningen, alsmede

b. bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, aangewezen categorieën andere projecten van maatschappelijke betekenis.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, kan de gemeenteraad op verzoek of ambtshalve ten aanzien van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, een projectuitvoeringsbesluit vaststellen, waaronder begrepen de vaststelling dat deze afdeling op het project van toepassing is.

2.3. Het projectuitvoeringsbesluit strekt, gelet op artikel 2.10, derde lid, van de Chw, gelezen in verbinding met het tweede lid van dat artikel, ter vervanging van de toestemmingen die vereist zouden zijn geweest voor de ontwikkeling en verwezenlijking van het plan, met uitzondering van de toestemmingen die zijn vereist krachtens de Flora- en faunawet, hoofdstuk V, paragraaf 3, van de Monumentenwet 1988 en artikel 6.5, onderdeel c, van de Waterwet.

2.4. Schouwbrug betoogt tevergeefs dat de raad niet heeft gemotiveerd waar het belang dan wel de noodzaak is gelegen de Chw toe te passen. Artikel 2.10, eerste lid, van de Chw voorziet in een bevoegdheid aan de gemeenteraad een projectuitvoeringsbesluit te nemen, welke bevoegdheid losstaat van andere bevoegdheden die het gemeentebestuur toekomen om het bouwplan te verwezenlijken. Behoudens de beperkingen gesteld in artikel 2.9 van de Chw, blijkt van beperkingen aan de bevoegdheid om de Chw toe te passen, noch uit de tekst van afdeling 6 van hoofdstuk 2, noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Chw (Kamerstukken II, 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 16 e.v. en nr. 5, blz. 18 e.v.). Nu het project voldoet aan de omschrijving van projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van de Chw, waarvoor een projectuitvoeringsbesluit kan worden genomen, heeft de raad bij het besluit van 29 november 2010 dan ook toepassing kunnen geven aan de in artikel 2.10, eerste lid, van de Chw neergelegde bevoegdheid.

2.5. Schouwbrug betoogt dat de raad heeft miskend dat sprake is van strijd met het Besluit glastuinbouw en de handreiking "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). Zij voert daartoe aan dat in strijd met de daarin opgenomen afstandseisen de met het bouwplan te realiseren woningen te dicht bij het glastuinbouwbedrijf komen te liggen, waardoor zij in haar belangen wordt geschaad.

2.5.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit glastuinbouw wordt onder glastuinbouwbedrijf verstaan een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot het onder een permanente opstand van glas of van kunststof telen van gewassen, met uitzondering van een zodanige inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot het onder een zodanige opstand van telen van eetbare paddestoelen of witlof.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, sub 18˚, wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder glastuinbouwbedrijf type A:

aa. glastuinbouwbedrijf, waarvan de oprichting heeft plaatsgevonden na 30 april 1996 en is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie II; of

bb. glastuinbouwbedrijf, waarvan de oprichting heeft plaatsgevonden voor 1 mei 1996 en, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, is gelegen op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie I, dan wel op een afstand van minder dan 10 meter van een object categorie II, of het glastuinbouwbedrijf, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, na 1 oktober 2009 komt te liggen op een afstand van minder dan 50 meter van enig object categorie I dan wel tot minder dan 25 meter van enig object categorie II,

waarbij geldt dat voor de bepaling van de afstanden wordt gemeten vanaf het onderdeel van het glastuinbouwbedrijf dat het dichtst bij het genoemde object is gelegen, waarbij een waterbassin, een watersilo, een warmwateropslagtank en het open erf niet als een zodanig onderdeel worden beschouwd.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, wordt verstaan onder glastuinbouwbedrijf type B: glastuinbouwbedrijf, niet zijnde glastuinbouwbedrijf type A.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt verstaan onder object categorie I:

1˚ aaneengesloten woonbebouwing, bestaande uit drie of meer woningen die op telkens minder dan 5 meter afstand van elkaar zijn gelegen, gerekend van gevel tot gevel.

Ingevolge dat artikellid wordt, voor zover thans van belang, verstaan onder object categorie II:

1˚ woningen van derden.

2.5.2. De Afdeling komt tot het oordeel dat het betoog van Schouwbrug niet slaagt. Immers, ook indien het Besluit glastuinbouw van toepassing is op het bedrijf dat Schouwbrug voert, worden de daarin vermelde afstanden door verwezenlijking van het project niet overschreden, zodat Schouwbrug niet in haar belangen wordt geschaad. Indien wordt gemeten met inachtneming van de maximale afstanden, opgenomen in het Besluit glastuinbouw, leidt dat tot de conclusie dat deze afstanden na verwezenlijking van het project niet worden overschreden. De Afdeling onderbouwt dit oordeel als volgt.

2.5.3. Niet in geschil is dat het bouwplan zowel categorie I als categorie II woningen bevat. Uit artikel 2, aanhef en onder b, sub 18˚ van het Besluit glastuinbouw volgt dat de grootste afstand van een glastuinbouwbedrijf tot aan categorie I woningen 50 m, en tot aan categorie II woningen 25 m dient te bedragen.

2.5.4. Bij de berekening van de afstanden uit het Besluit glastuinbouw wordt hierna uitgegaan van de mogelijkheden die het geldende planologische regime Schouwbrug biedt en de feitelijke situatie op het perceel van Schouwbrug.

Op het perceel kunnen bedrijfsgebouwen worden gerealiseerd, met dien verstande dat ingevolge artikel 4, zesde lid, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hoge Klei", voor zover thans van belang, de afstand van de bedrijfsgebouwen tot de as van de weg Hoge Klei tenminste 15 m moet bedragen. Hoewel op grond van artikel 4, elfde lid, van de planvoorschriften het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar ontheffing van het zesde lid kan verlenen, behoeft verlening daarvan in dit geval in redelijkheid niet van het college te worden gevergd, nu het college bij het verlenen van een dergelijke ontheffing beslissingsruimte heeft en dit in de onderhavige situatie in strijd zou zijn met het door de gemeente gevoerde planologische beleid. Derhalve wordt ervan uitgegaan dat op het perceel slechts bedrijfsgebouwen kunnen worden gebouwd tot 15 m van de as van de weg Hoge Klei.

Op de gronden links van de bedrijfswoning van Schouwbrug, van waaruit wordt gemeten tot aan de dichtstbijzijnde categorie I woning, bestaat op 15 m van de as van de weg Hoge Klei, gezien de ruimte die daar resteert, feitelijk geen reële mogelijkheid tot het bouwen van een bedrijfsgebouw. Gelet hierop moet worden gemeten vanaf de achtergevel van deze bedrijfswoning, waar wel een reële bouwmogelijkheid bestaat, tot aan de dichtstbijzijnde categorie I woning. Op de gronden rechts van de bedrijfswoning van Schouwbrug, van waaruit wordt gemeten tot aan de dichtstbijzijnde categorie II woning, kan op 15 m van de as van de weg Hoge Klei redelijkerwijs nog wel een bedrijfsgebouw worden gebouwd. Vanaf dit punt wordt dan ook de afstand tot de dichtstbijzijnde categorie I woning gemeten.

2.5.5. Uitgaande van de hiervoor weergegeven uitgangspunten blijkt dat de afstand tot de dichtstbijzijnde categorie I woning 50 m bedraagt en tot aan de dichtstbijzijnde categorie II woning 30 m. Anders dan Schouwbrug betoogt, wordt derhalve voldaan aan de in het Besluit glastuinbouw opgenomen afstandeisen, zodat haar beroep op het Besluit glastuinbouw in zoverre niet slaagt.

Het beroep op de VNG-brochure slaagt evenmin. Nu wordt voldaan aan de afstandseisen uit het Besluit glastuinbouw kan, nu de in de VNG-brochure opgenomen afstanden indicatief zijn en daarvan kan worden afgeweken, aan die aanbevolen afstanden, wat daar verder ook van zij, in dit geval niet de betekenis worden toegekend die Schouwbrug daaraan gehecht wenst te zien, en bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van die afstanden heeft kunnen afwijken.

2.6. Schouwbrug betoogt ten slotte tevergeefs dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de te verwachten verkeersoverlast die het bouwplan voor de Zonneveldweg zal veroorzaken. Weliswaar zal, zoals ter zitting van de Afdeling is gebleken, het bouwplan gevolgen hebben voor het gebruik dat Schouwbrug maakt van de Zonneveldweg, maar deze gevolgen doen er niet aan af dat het college in redelijkheid het projectuitvoeringsbesluit heeft kunnen nemen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bouwplan slechts gevolgen heeft voor het verkeer op een klein gedeelte van de Zonneveldweg en het profiel van de Zonneveldweg door het bouwplan niet wordt gewijzigd. Daarom is niet aannemelijk geworden dat de verwerkingscapaciteit van de Zonneveldweg een toename van het verkeer ten gevolge van het bouwplan niet toelaat.

2.7. De conclusie is dat het beroep tegen het besluit van 29 november 2010 ongegrond is.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Huijben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

313-473.