Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6809

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201006820/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 april 2010 heeft de raad van de gemeente Eersel het bestemmingsplan "Recreatieve Poort" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/132 met annotatie van H.J. Breeman en R.J.G. Bäcker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006820/1/R3.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Eersel, handelend onder de naam Dierenpension Boslucht,

en

de raad van de gemeente Eersel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2010 heeft de raad van de gemeente Eersel het bestemmingsplan "Recreatieve Poort" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. W. Krijger, werkzaam bij Krijger Advies, en de raad, vertegenwoordigd door ing. P. Kieboom, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Recreatiecentrum Ter Spegelt B.V. (hierna: het recreatiecentrum), vertegenwoordigd door E. van Nuland, werkzaam bij het toeristisch ondernemersplatform Brabant, en J. Keijzer.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een zogenoemde "Recreatieve Poort" aan de Postelseweg ter hoogte van het recreatiecentrum en maakt onder meer de aanleg van een parkeerterrein van ruim 3 hectare met ongeveer 540 permanente en tijdelijke parkeerplaatsen mogelijk.

2.2. [appellant] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in de legalisering van het illegale parkeerterrein van het recreatiecentrum, dat in de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) en de groene hoofdstructuur (hierna: GHS), als bedoeld in de provinciale "Interimstructuurvisie Noord-Brabant, Brabant in ontwikkeling" (hierna: de Interimstructuurvisie) ligt. Bij het bestreden besluit is uitsluitend rekening gehouden met de belangen van het recreatiecentrum en is gehandeld in strijd met voormeld provinciaal beleid. De aanwezigheid van het recreatiecentrum nabij deze gronden en de beschikbaarheid hiervan heeft de op basis van het "Locatieonderzoek Recreatieve Poort Eersel, Van de Ven advies, december 2005" (hierna: het locatieonderzoek) gemaakte locatiekeuze volledig bepaald. Verder stelt [appellant] dat het compensatieplan in verband met de aantasting van de EHS niet reëel is en hij betwist de behoefte aan de voorziene hoeveelheid parkeerplaatsen. Hij stelt dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is verzekerd, nu niet zal worden voldaan aan de bij een verleende subsidiebeschikking gestelde voorwaarden. Tot slot stelt hij dat de plangrens onlogisch is en uitsluitend is gebaseerd op de eigendomsverhoudingen en hij voert aan dat zijn bedrijf in het plan had moeten worden opgenomen, nu dit een toegevoegde functie kan vervullen in het concept van de recreatieve poort.

2.2.1. De raad stelt dat het zogenoemde "nee, tenzij-regime" van toepassing is, nu het plangebied deel uitmaakt van de GHS. Dit provinciale beleid houdt in dat nieuwe plannen niet zijn toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang. Voor ingrepen die aan deze voorwaarden voldoen, geldt dat de aantasting zoveel mogelijk moet worden gemitigeerd en gecompenseerd. De raad is van mening dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan en dat is voorzien in voldoende compensatie. Er heeft een zorgvuldig locatieonderzoek plaatsgevonden, waaruit volgt dat deze gronden de meest geschikte locatie zijn voor de zogenoemde recreatieve poort. Daarbij is onder meer betrokken dat deze gronden beschikbaar zijn en rondom recreatieve voorzieningen aanwezig zijn. Er is een compensatieplan opgesteld en in dat kader zijn afspraken gemaakt met de provincie en Staatsbosbeheer. In het compensatieplan staat onder meer dat het huidige parkeerterrein aan de Bredasebaan, nabij de Cartierheide, zal worden verplaatst. De raad gaat er van uit dat het gefaseerd opheffen van deze parkeerplaatsen geen beletsel is voor het verkrijgen van het volledig toegekende subsidiebedrag en dat daarmee de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gegeven.

2.2.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder 4.1.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Verkeer-Recreatieve poort" aangewezen gronden bestemd voor een recreatieve poort, verblijfsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder 4.1.2, onder a, mag het percentage aan verhard oppervlak (inclusief semi-verharding) niet meer bedragen dan 35.

2.2.3. Vast staat dat het plangebied in de ten tijde van het bestreden besluit van toepassing zijnde provinciale Interimstructuurvisie en de Paraplunota ruimtelijke ordening is aangemerkt als EHS en GHS-landbouw. De Paraplunota is een concretisering van de Interimstructuurvisie. In het kader van het "nee, tenzij-beleid" staat in de Paraplunota dat onder een zwaarwegend maatschappelijk belang in ieder geval openbare belangen worden verstaan en dus niet uitsluitend of overwegend particuliere belangen. Over alternatieven staat in de Paraplunota dat niet te gemakkelijk mag worden aangenomen dat alternatieve locaties buiten de GHS ontbreken en dat enig functieverlies geen reden kan zijn om een alternatief niet als realistisch aan te merken. De raad heeft zich bij voormeld provinciaal beleid aangesloten en heeft dit tot het zijne gemaakt. Ter zitting heeft de raad dit desgevraagd bevestigd.

2.2.4. De raad heeft naar alternatieve locaties voor de recreatieve poort onderzoek laten doen door het adviesbureau Van de Ven Advies, tevens adviseur van het recreatiecentrum, en dit heeft geleid tot genoemd locatieonderzoek. Hierin is uitgegaan van een onderzoeksgebied dat gevormd wordt door de west- en oostzijde van de Postelseweg tussen de Bredasebaan en de Roten en het gebied ten oosten van het recreatiecentrum. In het onderzoeksgebied is gekeken naar locaties die een vorm van potentie hebben voor een recreatieve poort. Die potenties zijn onder meer voldoende ruimte, goede bereikbaarheid via bestaande infrastructuur en ligging ten opzichte van recreatievoorzieningen. Verder is blijkens de plantoelichting gewicht toegekend aan de relatie met het recreatiecentrum en de beschikbaarheid van de gronden.

Het in het alternatievenonderzoek beschreven onderzoeksgebied is beperkt tot gronden in de directe nabijheid van het recreatiecentrum. Op basis van dit onderzoek heeft de raad gekozen voor deze in de GHS gelegen locatie, terwijl uit dit onderzoek volgt dat in het beperkte onderzoeksgebied andere locaties buiten de GHS voorhanden waren. In dit verband is van belang dat aan het feit dat de andere locaties een minder gunstige ligging ten opzichte van het recreatiecentrum hebben, gelet op de Paraplunota, waarin staat dat enig functieverlies geen reden kan zijn om een alternatief als niet realistisch aan te merken, geen groot gewicht mag worden toegekend.

Verder is gebleken dat een locatie is afgevallen omdat deze niet op korte termijn beschikbaar was. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom met de aanleg van de recreatieve poort zodanige spoed is gemoeid dat reeds hierom deze locatie niet geschikt was.

De raad heeft bij de locatiekeuze een groot belang gehecht aan het feit dat het recreatiecentrum over de gronden in het plangebied beschikt en reeds gebruikt als parkeerterrein. Vast staat dat deze gronden evenwel in strijd met het voorheen geldende plan, waarin deze de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" hadden, in gebruik zijn genomen als parkeerterrein. Niet is gebleken dat de raad bij de locatiekeuze voldoende gewicht heeft toegekend aan het feit dat in planologisch opzicht geen sprake is van een bestaande situatie, maar van nieuwvestiging van een parkeerterrein op gronden met (potentiële) natuurwaarden.

2.2.5. De raad heeft evenmin inzichtelijk gemaakt of het parkeerprobleem van het recreatiecentrum op een andere en minder ingrijpende wijze kan worden opgelost. Daarbij is van belang dat volgens de Paraplunota het ontbreken van alternatieven buiten de GHS niet gemakkelijk mag worden aangenomen. Ter zitting heeft de raad verklaard dat van de voorziene parkeerplaatsen het overgrote deel is bestemd voor bezoekers van het recreatiecentrum. Gelet hierop had de raad inzichtelijk dienen te maken waarom de mogelijkheden van inbreiding of herstructurering van het bestaande terrein van het recreatiecentrum niet zijn bezien en waarom ter plaatse een parkeerterrein van deze omvang moet worden aangelegd.

2.2.6. Het betoog ten aanzien van de financiële uitvoerbaarheid van het plan slaagt eveneens. Daartoe overweegt de Afdeling dat ten tijde van het bestreden besluit het voornemen bestond het gebruik van de parkeerplaats aan de Bredasebaan gefaseerd af te bouwen, hetgeen niet in overeenstemming was met de bij een door het college van gedeputeerde staten verleende subsidie gestelde voorwaarde. Niet in geschil is dat deze subsidie noodzakelijk is voor de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Dat de subsidiebeschikking bij besluit van 14 maart 2011 is gewijzigd en het college van gedeputeerde staten heeft ingestemd met het gefaseerd verminderen van de parkeerplaatsen aan de Bredasebaan, brengt niet met zich dat ten tijde van het bestreden besluit inzicht en zekerheid bestond over de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

2.2.7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd geen bespreking. De Afdeling ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, nu in de thans geldende provinciale Verordening Ruimte de gronden van het plangebied zijn aangemerkt als beheergebied EHS en daarvoor een vergelijkbaar beschermingsregime geldt als ten tijde van het bestreden besluit.

2.2.8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eersel van 1 april 2010, waarbij het bestemmingsplan "Recreatieve Poort" is vastgesteld;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Eersel tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Eersel aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Kegge

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

459.