Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6805

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201009449/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, de erven onder oplegging van een dwangsom van €10.000,00 per week of deel daarvan met een maximum van €100.000,00 gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel aan de [locatie] te Hasselt (hierna: het perceel) voor de opslag van en handel in stenen, te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009449/2/H1.

Datum uitspraak: 26 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de erven van [verzoeker] (hierna: de erven), wonend te Zwartsluis, gemeente Zwartewaterland,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter) van 19 augustus 2010 in zaak nrs. 10/1222 en 10/893 in het geding tussen:

de erven

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, de erven onder oplegging van een dwangsom van €10.000,00 per week of deel daarvan met een maximum van €100.000,00 gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel aan de [locatie] te Hasselt (hierna: het perceel) voor de opslag van en handel in stenen, te beëindigen.

Bij besluit van 6 april 2010 heeft het college het door de erven daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door de erven daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 april 2010 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Tegen deze uitspraak hebben de erven bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 oktober 2010.

Bij besluit van 22 maart 2011 heeft het college het besluit van 18 maart 2009 herroepen voor zover daarbij een last onder dwangsom is opgelegd aan de erven, en heeft het [belanghebbende], onder oplegging van een dwangsom van €10.000,00 per week of deel daarvan met een maximum van €100.000,00, gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel voor de opslag van en handel in stenen, te beëindigen.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2011, hebben de erven de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De erven hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 mei 2011, waar [belanghebbende], bijgestaan door mr. S. Maakal en mr. K.A. Faber, beiden advocaat te Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H. Meijer, advocaat te Arnhem, en A.J. Boers, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. In de aangevallen uitspraak is overwogen, voor zover thans van belang, dat de besluiten van 18 maart 2009 en 6 april 2010 niet aan [belanghebbende] gericht zijn, omdat hij geen erfgenaam is van [verzoeker]. Ter zitting heeft [belanghebbende] desgevraagd te kennen gegeven dat hij erfgenaam is van wijlen zijn vader [verzoeker], waardoor het in bezwaar gehandhaafde besluit van 18 maart 2009 mede aan hem moet worden geacht te zijn gericht.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het college bij besluit van 22 maart 2011 opnieuw heeft beslist op het door de erven gemaakte bezwaar en daarbij niet aan de bezwaren van [belanghebbende], is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van de erven, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden. In verband hiermee zal de Afdeling, zoals ter zitting reeds is medegedeeld, het door [belanghebbende] tegen het besluit van 22 maart 2011 bij de rechtbank ingestelde beroep aan haar laten toezenden, zodat dit bij de behandeling van het hoger beroep kan worden betrokken.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hasselt" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied".

Ingevolge artikel 4, lid A, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 28, lid A, is het verboden gronden of opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 28, lid B, mag het gebruik van gronden en opstallen strijdig met het plan op het tijdstip van het van rechtskracht worden daarvan, worden gehandhaafd.

Ingevolge artikel 28, lid C, is wijziging van het met het plan strijdige gebruik van gronden en opstallen verboden, tenzij door deze wijziging van het gebruik de afwijking van het plan niet wordt vergroot.

2.4. Het verzoek om voorlopige voorziening heeft uitsluitend betrekking op het besluit van 22 maart 2011.

In hetgeen de erven naar voren hebben gebracht, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat dit besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Daarbij is van belang dat op grond van door het college overgelegde luchtfoto's op voorhand aannemelijk is dat ten tijde van de peildatum op 28 maart 2000 de met het bestemmingsplan strijdige opslag van stenen op het perceel zich beperkte tot het voor- zij- en achterterrein en dat deze nadien is geïntensiveerd door zich mede tot de gehele manegebak uit te stekken. De erven hebben op voorhand niet aannemelijk gemaakt dat voormelde opslag op de peildatum de gehele manegebak omvatte. Daarvoor zijn de door hen overgelegde getuigenverklaringen te weinig specifiek en te weinig gedetailleerd, onder meer wat betreft het tijdstip en de plaats van waarneming. Voorlopig wordt daarom geoordeeld dat het overgangsrecht als bedoeld in artikel 28, lid B, van de planvoorschriften niet van toepassing is op het gebruik van de manegebak voor de opslag van stenen.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2011

543.