Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6800

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201009850/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juli 2009 heeft het college bouwvergunning en ontheffing op grond van artikel 3.23 Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in samenhang met artikel 4.1.1., eerste lid, sub a van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) verleend voor het plaatsen van een aanbouw aan [locatie] te Berkel en Rodenrijs.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.23
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 4.1.1
Woningwet
Woningwet 12a
Woningwet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/6788
JOM 2011/596
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009850/1/H1.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 september 2010 in zaken nrs. 09/3076 en 09/3078 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2009 heeft het college bouwvergunning en ontheffing op grond van artikel 3.23 Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in samenhang met artikel 4.1.1., eerste lid, sub a van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) verleend voor het plaatsen van een aanbouw aan [locatie] te Berkel en Rodenrijs.

Bij uitspraak van 2 september 2010, verzonden op 2 september 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] en [persoon] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 juli 2009 vernietigd en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft op 15 februari 2011, ingekomen op 16 februari 2011, foto's van de situatie ter plaatse toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. S. Lemhour, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.V. Hendriks, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder] verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De 2,5 m diepe aanbouw wordt geplaatst over de gehele breedte van de voorgevel van [locatie] en heeft een hoogte van 3 m.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Westersingel" rusten op de gronden waarop het bouwplan is gesitueerd, de bestemmingen "Woondoeleinden (W6)" en "Erf (E3)".

Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mag de totale bebouwing per erf niet meer bedragen dan 30% van het oppervlak met een maximum van 40 m2.

2.3. Het bouwplan is hiermee in strijd omdat na realisering van het bouwplan meer dan 30% van de gronden met de bestemming "Erf (E3)" is bebouwd. Het college heeft voor de overschrijding van 30% bebouwing op het erf een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 Wro verleend.

2.4. De rechtbank heeft het besluit van 27 juli 2009 vernietigd op de grond dat het college het besluit om bouwvergunning en ontheffing te verlenen op twee punten onvoldoende had gemotiveerd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Hij voert daartoe aan dat het bouwplan leidt tot aantasting van zijn woongenot door de vermindering van lichtinval op zijn perceel. Tevens stelt hij dat de aanbouw tot waardevermindering van zijn woning zal leiden.

2.5.1. Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale geschilbeslechting te onderzoeken. Daarbij dient de rechtbank onder meer te beoordelen of er grond is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. In dit geval is het besluit vernietigd omdat het besluit op twee onderdelen onvoldoende was gemotiveerd. Uit een oogpunt van proceseconomie kan het aangewezen zijn de rechtsgevolgen in stand te laten, indien het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit, het besluit alsnog voldoende motiveert en de andere partij zich daarover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

2.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 april 2010 in zaak nr. 200906091/1, betreft het beslissen op een verzoek om ontheffing krachtens artikel 3.23, eerste lid, van de Wro een discretionaire bevoegdheid van het college, waarbij de rechter zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit op het verzoek heeft kunnen komen.

2.5.3. Hoewel [appellant] negatieve gevolgen van de aanbouw kan ondervinden, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de door hem gestelde vermindering van uitzicht, schaduwval en vermindering van lichtinval niet dusdanig belastend zijn, dat verweerder op grond daarvan aan het verlenen van ontheffing had moeten afzien. Daarbij is van belang dat de totale oppervlakte van de aanbouw circa 14,25 m2 is en het gedeelte waarop de ontheffing betrekking heeft, daarvan 5,7 m2 uitmaakt. Het gedeelte van de aanbouw waarop de ontheffing ziet, is 1 m diep terwijl de voortuin van [appellant] een diepte heeft van 16 m. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, behoefde de rechtbank geen aanleiding te zien om de rechtsgevolgen niet in stand te laten.

2.6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten, aangezien het bouwplan niet aan redelijke eisen van welstand voldoet. Volgens [appellant] heeft het college ook met de aanvullende motivering tijdens de zitting bij de rechtbank ondeugdelijk gemotiveerd waarom het is afgeweken van het negatieve advies van de welstandscommissie Stichting Dorp, Stad en Land (hierna: de welstandscommissie).

2.6.1. Ingevolge artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

2.6.2. In de sneltoetscriteria van de welstandsnota is over de maatvoering van een aanbouw aan de voorzijde onder meer vermeld dat deze maximaal 50% van de breedte van het woonhuis mag bedragen, met een maximale diepte van 1 m. Het bouwplan voldoet niet aan dit criterium.

In de welstandsnota is in paragraaf 3.1.2. voorts, voor zover hier van belang, vermeld dat wanneer een bouwplan niet aan de sneltoetscriteria voldoet of wanneer sprake is van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat over de toepasbaarheid van deze criteria, het bouwplan alsnog aan de welstandscommissie kan worden voorgelegd. De welstandscommissie zal in deze gevallen met inachtneming van de sneltoetscriteria en met onder meer de gebiedsgerichte of de algemene welstandscriteria beoordelen of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Op deze manier kunnen licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken die in eerste instantie niet voldoen aan de sneltoetscriteria alsnog door de welstandscommissie bezien worden in relatie tot de context van het gebied waar het bouwplan geplaatst wordt.

In paragraaf 3.2. is, voor zover hier van belang, verder het volgende vermeld:

"Het kan voorkomen dat een bouwwerk in strijd is met de criteria maar wel een waardevolle en/of kwalitatieve toevoeging vormt voor het hoofdgebouw of de omgeving. Daarnaast kan het voorkomen dat juist het hoofdgebouw of de omgeving zich niet leent voor het voorgestelde bouwwerk. Om dit soort situaties te voorkomen is een vangnet gebruikt door het toevoegen van de regel: "Deze criteria gelden tenzij er sprake is van een bijzondere situatie en er gerede twijfel mag bestaan aan de toepasbaarheid van de genoemde criteria". Bij het gebruik van dit vangnet dient deugdelijk gemotiveerd te worden waarom er een uitzondering wordt gemaakt op de opgestelde criteria. Deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 4:84 Awb."

2.6.3. De welstandscommissie heeft op 3 maart 2009 negatief geadviseerd over het bouwplan. Volgens de welstandscommissie is er wat de breedte van 50% van de voorgevel betreft geen aanleiding om van de sneltoetscriteria af te wijken, omdat de voorgestelde aanbouw door zijn forse breedtemaat onvoldoende ondergeschikt is ten opzichte van de bestaande woning. Het college is van dit advies afgeweken en heeft daarbij overwogen dat in dit geval sprake is van een bijzondere situatie die aanleiding geeft om af te wijken van de sneltoetscriteria. Met het welstandscriterium over de breedtemaat voor aanbouwen aan de voorgevel is beoogd een inbreuk op het straatbeeld te voorkomen. In dit geval leidt het bouwplan volgens het college tot een geringe inbreuk op het straatbeeld, omdat de tuinen aan De Warmoezerij feitelijk zijn ingericht als achtertuinen en het bouwplan gedeeltelijk aan het zicht wordt onttrokken door de berging aan de voorzijde van de tuin. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu sprake is van een geringe inbreuk op het straatbeeld, aan het criterium ten aanzien van de maximale breedte niet hoeft te worden voldaan.

2.6.4. Uit het welstandsadvies blijkt niet of de welstandscommissie rekening heeft gehouden met de door het college bedoelde feitelijke situatie ter plaatse. De welstandscommissie heeft in haar advies alleen gesteld dat zij geen aanleiding ziet om af te wijken van de sneltoetscriteria. Zij is in het advies niet ingegaan op de niet in de welstandscriteria voorziene, bijzondere situatie waarbij voortuinen feitelijk zijn ingericht als achtertuinen en de bergingen aan de voorzijde op de perceelsgrens zijn geplaatst. De motivering van het welstandsadvies is daarom onvolledig.

Het had in de gegeven omstandigheden op de weg van het college gelegen om de welstandscommissie te vragen om alsnog de motivering van het advies aan te vullen. De rechtbank had daarom zonder aanvullend welstandsadvies de rechtsgevolgen niet in stand mogen laten.

2.6.5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand blijven.

2.6.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 september 2010 in zaken nrs. 09/3076 en 09/3078, voor zover de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

17-702.