Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6797

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201008496/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2008 (hierna: het aanwijzingsbesluit), voor zover thans van belang, heeft het college alle wegen binnen de historische kern van Wessem aangewezen als plaatsen, als bedoeld in artikel 5.1.7, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van Maasgouw (hierna: de APV).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008496/1/H3.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wessem, gemeente Maasgouw,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 juli 2010 in zaken nrs. 09/1426 en 09/1532 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2008 (hierna: het aanwijzingsbesluit), voor zover thans van belang, heeft het college alle wegen binnen de historische kern van Wessem aangewezen als plaatsen, als bedoeld in artikel 5.1.7, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van Maasgouw (hierna: de APV).

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om een ontheffing van het parkeerverbod, als bedoeld in artikel 5.1.7 van de APV, afgewezen.

Bij besluit van 14 juli 2009 (hierna: het handhavingsbesluit) heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast zich aan dit parkeerverbod te houden.

Bij besluit van 14 augustus 2009 heeft het college op een verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), gedaan bij brieven van 25 juni 2009 en van 29 juli 2009, een overzicht van de klachten over het parkeren van zijn vrachtwagen geanonimiseerd openbaar gemaakt.

Bij besluit van 29 september 2009 heeft het college de door [appellant] tegen de besluiten van 16 december 2008, 24 juni 2009 en 14 juli 2009 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 19 oktober 2009 heeft het college het bezwaar van [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om informatie op grond van de Wob gegrond verklaard. Daarbij zijn voorts de voorheen geldende parkeerverboden en raadsstukken over de parkeerproblematiek openbaar gemaakt.

Bij uitspraak van 22 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 29 september 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het door hem tegen het besluit van 19 oktober 2009 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. Hij heeft op dezelfde dag een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2011, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.B.W.M. Smeets-Sanders, werkzaam bij de gemeente Maasgouw, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5.1.7, eerste lid, van de APV is het verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, kan het college van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Ingevolge artikel 5.1.8, eerste lid, is het verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

Ingevolge het tweede lid geldt het verbod niet gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

2.2. Het geschil in hoger beroep is beperkt tot het oordeel van de rechtbank dat in hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd geen grond is gelegen voor de conclusie dat het college in het besluit van 29 september 2009 [appellant]' bezwaar tegen het aanwijzingsbesluit van 16 december 2008 en het besluit van 24 juni 2009, tot weigering van een ontheffing van het parkeerverbod, ten onrechte ongegrond heeft verklaard, en haar oordeel dat het beroep tegen het besluit van 19 oktober 2009 niet-ontvankelijk is.

2.3. Het college heeft zich in het besluit van 29 september 2009 op het standpunt gesteld dat aan het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente en het belang van de omwonenden van [appellant]' bedrijf, een groot- en detailhandel in bloemen en planten gevestigd in de historische kern van Wessem, bij weigering van een ontheffing van het parkeerverbod een groter gewicht toekomt dan aan het individuele bedrijfseconomische belang van [appellant] bij die ontheffing ten behoeve van het parkeren met een vrachtwagen bij dit bedrijf.

2.4. [appellant] bestrijdt tevergeefs het oordeel van de rechtbank dat zijn beroep op artikel 5.1.8, tweede lid, van de APV niet slaagt, omdat niet deze bepaling, maar artikel 5.1.7 van de APV in de onderhavige situatie van toepassing is. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat artikel 5.1.8 regels bevat waarmee parkeren van grote vrachtwagens kan worden tegengegaan in een gebied waarvoor geen algeheel parkeerverbod geldt. De historische kern van Wessem is een gebied waar op basis van het aanwijzingsbesluit een algeheel parkeerverbod geldt. In dit gebied is, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, de in artikel 5.1.7 neergelegde regelgeving van toepassing. Dat, zoals [appellant] betoogt, niet de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, maar klachten van omwonenden van zijn bedrijf de aanleiding hebben gevormd om de historische kern van Wessem mede in het aanwijzingsbesluit op te nemen, wat daarvan ook zij, doet aan het vorenstaande niet af.

2.5. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de afweging van de betrokken belangen niet zo onevenwichtig is dat moet worden geoordeeld dat het college in redelijkheid niet tot het aanwijzingsbesluit of tot het besluit tot weigering van een ontheffing van het parkeerverbod heeft kunnen komen. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn bedrijfseconomische belangen bij een ontheffing. Daartoe voert hij aan dat er geen adequate alternatieve parkeerlocatie voor zijn bedrijfswagen is en dat de in dit verband door het college genoemde locatie aan de Waagse Naak niet beschikt over de voor deze wagen noodzakelijke veilige en beschermde krachtstroomvoorziening. Voorts is de groothandel in bloemen en planten al meer dan twintig jaar in de huidige vorm en omvang aan de Marktstraat gevestigd en gold in deze periode geen parkeerverbod dan wel is nooit handhavend opgetreden, aldus [appellant]. Hij betoogt verder dat door het parkeren van slechts één voertuig, als bedoeld in artikel 5.1.7, eerste lid, van de APV, het uiterlijk aanzien van de gemeente niet wordt geschaad. De rechtbank heeft evenmin onderkend dat het college ook een in tijd beperkte ontheffing had kunnen verlenen, aldus [appellant].

2.5.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen komen tot het aanwijzingsbesluit en het besluit tot de weigering van een ontheffing, als bedoeld in artikel 5.1.7, vierde lid, van de APV. Daartoe heeft zij overwogen dat het college bij de afweging van de betrokken belangen van belang heeft mogen achten dat de Marktstraat is gelegen in de historische kern van Wessem, waar diverse oude monumentale panden staan, waardoor het parkeren van voertuigen met een omvang in de zin van artikel 5.1.7 van de APV een verstoring oplevert van het straatbeeld, en waar voorts de straten smal zijn en zich daarom niet lenen voor het parkeren van die voertuigen. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college in redelijkheid aan dit belang meer gewicht heeft kunnen toekennen dan aan de belangen van [appellant]. Het college heeft bij de belangenafweging verder in aanmerking mogen nemen dat het parkeerterrein aan de Waagse Naak, dat ongeveer 600 meter van [appellant]' bedrijf ligt, een geschikte alternatieve parkeerlocatie is, omdat daar, anders dan [appellant] betoogt, een volgens hem onmisbare krachtstroomvoorziening beschikbaar is. Dat [appellant] stelt problemen te hebben ondervonden bij het parkeren van zijn vrachtwagen op deze locatie leidt niet tot het oordeel dat de aanwijzing van dit alternatief in het kader van de door het college gemaakte belangenafweging onredelijk is. Daarbij is van belang dat ter zitting bij de rechtbank is gebleken dat het college niet onwillig is om rondom het terrein hekken te plaatsen teneinde de veiligheid van het terrein te vergroten. Voorts is onweersproken dat, zoals het college in het besluit van 29 september 2009 heeft gesteld, de vrachtwagen ook elders op diverse plaatsen in de directe omgeving van het bedrijf, buiten de historische kern, maar binnen de bebouwde kom van Wessem kan worden geparkeerd, waar dat geen hinder voor het verkeer en de omwonenden oplevert. Het college heeft in dit verband verklaard dat het mogelijk blijft om de vrachtwagen bij het bedrijf te laden en lossen. In de omstandigheid dat de groothandel al ruim twintig jaar op de huidige locatie is gevestigd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de ontheffing heeft kunnen weigeren, reeds omdat, zoals het college in het besluit van 29 september 2009 onbestreden heeft gesteld, de groothandel in strijd met het toentertijd geldende bestemmingsplan op die locatie is gevestigd. Ook voor zover het college kan worden verweten gedurende de afgelopen twintig jaar een illegale situatie te hebben laten ontstaan en voortbestaan, brengt dat niet mee dat het college in redelijkheid niet tot weigering van de ontheffing heeft kunnen besluiten. Het feit dat de ontheffing slechts voor één vrachtwagen wordt gevraagd, vormt evenmin grond voor dat oordeel. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat, zoals in het besluit van 29 september 2009 is vermeld, uit een omvangrijk aantal klachten is gebleken dat de omwonenden van het bedrijf van [appellant] overlast van de bij het bedrijf geparkeerde vrachtwagen hebben. Voorts heeft het college bij zijn besluit mogen betrekken dat van het verlenen van een ontheffing voor de bedrijfswagen een ongewenste precedentwerking zou uitgaan. Dat, zoals [appellant] aanvoert, zijn groothandel het enige langdurig in de historische kern van Wessem gevestigde bedrijf is met een parkeerbehoefte als hier in geding, wat daarvan ook zij, doet er niet aan af dat van iedere ontheffing van het op artikel 5.1.7, eerste lid, van de APV gebaseerde parkeerverbod een zekere precedentwerking uitgaat. Het college heeft zich in het besluit van 29 september 2009 in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verzoek van [appellant] om een in tijd beperkte ontheffing, waartoe hij heeft gesteld dat de vrachtwagen tussen maandagmiddag 12.00 uur en vrijdagmiddag 12.00 uur bij het bedrijf aanwezig dient te zijn, gelet op die ruime tijdspanne, evenzeer in strijd is met de belangen van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de omwonenden en het verkeer.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht in de door [appellant] aangevoerde omstandigheden geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het bezwaar tegen het besluit van 24 juni 2009 ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Dat, zoals [appellant] betoogt, de rechtbank zijn bedrijfseconomisch belang bij het kunnen parkeren van de vrachtwagen bij zijn bedrijf meer uitdrukkelijk aan de orde heeft gesteld bij de beoordeling van het handhavingsbesluit, doet er niet aan af dat zij terecht heeft geoordeeld dat het college in het besluit op [appellant]' bezwaar tegen de weigering een ontheffing van het parkeerverbod te verlenen de belangen van [appellant] in redelijkheid ondergeschikt heeft kunnen achten aan de belangen van het uiterlijk aanzien van de gemeente en de belangen van de omwonenden van zijn bedrijf.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank het beroep gericht tegen het besluit op bezwaar van 19 oktober 2009 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat hij eerst in beroep via de rechtbank stukken heeft ontvangen die het college naar aanleiding van het informatieverzoek op grond van de Wob ten onrechte niet aan hem had toegezonden.

2.6.1. Anders dan [appellant] stelt, heeft het college in beroep niet meer informatie verstrekt dan bij de besluiten van 14 augustus 2009 en 19 oktober 2009 is openbaar gemaakt. Het klachtenoverzicht dat hij bij brief van 19 april 2010 via de rechtbank heeft ontvangen, is niet uitgebreider dan het overzicht dat het college bij besluit van 14 augustus 2009 openbaar had gemaakt. Het betoog faalt.

2.7. Ambtshalve overweegt de Afdeling dat de rechtbank in reactie op het betoog van [appellant] dat hem niet alle gevraagde stukken zijn toegezonden heeft getoetst of het college aan het door [appellant] gedane verzoek om schriftelijke informatie heeft voldaan. Gelet hierop is het beroep tegen het besluit op bezwaar van 19 oktober 2009 in plaats van ongegrond ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover daarbij het beroep van [appellant] tegen het besluit van 19 oktober 2009 niet-ontvankelijk is verklaard, te worden vernietigd en voor het overige, voor zover aangevallen, te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, het beroep van [appellant] tegen het besluit op bezwaar van 19 oktober 2009 ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.10. Een redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat - naar analogie van artikel 52, vijfde lid - het door [appellant] in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 juli 2010 in zaken nrs. 09/1426 en 09/1532, voor zover daarbij het beroep van [appellant] tegen het besluit van 19 oktober 2009 niet-ontvankelijk is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 19 oktober 2009 ongegrond;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, voor het overige;

V. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

176-598.