Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6796

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201100460/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2010, nummer 6n, heeft de raad het bestemmingsplan "Helpman" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Besluit omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht 2.3
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/828
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100460/1/R1.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Groningen,

en

de raad van de gemeente Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2010, nummer 6n, heeft de raad het bestemmingsplan "Helpman" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2011, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door drs. J.A. Klok, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ten aanzien van de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders tot het voeren van verweer, overweegt de Afdeling dat het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 160 Gemeentewet bevoegd is namens de raad beroepsprocedures te voeren, tenzij de raad, voor zover het de raad aangaat, anders beslist. Hiervan is niet gebleken. Een speciaal voor dat doel verleende machtiging, zoals betoogd door [appellant] en anderen, is derhalve niet vereist.

2.2. [appellant] en anderen betogen dat in het plan ten onrechte een ontheffingsbevoegdheid is opgenomen waarmee het mogelijk is om vlaggenmasten met reclame-uitingen op te richten op erven aan de voorzijde van de woningen aan de Verlengde Hereweg tussen de Emmastraat en de Van Ketwich Verschuurlaan. In dit verband voeren zij aan dat deze ontheffing in strijd is met het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) en dat de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen (hierna: APVG) instrumenten bevat om de plaatsing van dergelijk objecten te voorkomen.

2.3. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat een verbod op vlaggenmasten na de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) niet mogelijk is, omdat in het Bor is bepaald dat voor het oprichten van vlaggenmasten geen omgevingsvergunning nodig is. Alhoewel vlaggenmasten zonder omgevingsvergunning kunnen worden opgericht, is voor de reclamevlaggen een vergunning op grond van de APVG vereist, aldus de raad.

2.4. Ingevolge artikel 21, lid 21.1, aanhef en onder h, van de planregels, voor zover thans van belang, kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de bepalingen in het plan voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals vlaggenmasten tot een maximale hoogte van 6 m.

Ingevolge artikel 21, lid 21.2, kan een ontheffing als bedoeld in lid 21.1 slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van onder meer het straat- en bebouwingsbeeld.

2.5. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo, voor zover thans van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Bor, voor zover thans van belang, is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 van bijlage II.

Ingevolge artikel 2, aanhef en lid 14, van bijlage II bij het Bor is geen omgevingsvergunning vereist voor een vlaggenmast op een erf, mits deze niet hoger is dan 6 m en maximaal één vlaggenmast per erf wordt geplaatst.

Ingevolge artikel 5, derde lid, is artikel 2 niet van toepassing op een activiteit in, aan, op of bij een beschermd monument als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Monumentenwet 1998, een monument waarop artikel 5 van die wet van toepassing is, een krachtens een provinciale of gemeentelijke verordening aangewezen monument dan wel een monument waarop, voordat het is aangewezen, een zodanige verordening van overeenkomstige toepassing is of op een activiteit die plaatsvindt in een beschermd stads- of dorpgezicht en kan leiden tot andere dan uitsluitend inpandige veranderingen.

2.6. De Wabo en het Bor zijn per 1 oktober 2010 in werking getreden. In dit verband wijst de Afdeling er ten eerste op dat de ontheffingsbevoegdheid in artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening is vervangen door de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan.

De erven aan de voorzijde van de woningen aan de Verlengde Hereweg tussen de Emmastraat en de Van Ketwich Verschuurlaan liggen buiten het gebied dat is aangewezen als beschermd stadsgezicht. Evenmin is ter plaatse sprake van een aanwijzing als monument. Gelet op de in overweging 2.5. opgenomen wettelijke regeling is het derhalve niet mogelijk om het door [appellant] en anderen gewenste verbod voor het oprichten van vlaggenmasten tot een hoogte van 6 m op de erven aan de voorzijde van woningen in een bestemmingsplan op te nemen.

Voorts overweegt de Afdeling dat, zoals ook de raad ter zitting heeft erkend, uit het Bor, volgt dat voor het oprichten van de eerste vlaggenmast met een hoogte van maximaal 6 m op een erf geen omgevingsvergunning nodig is, maar dat de bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan bij omgevingsvergunning wel betekenis heeft bij het oprichten van een tweede of volgende vlaggenmast. De Afdeling overweegt dat [appellant] en anderen in dit verband slechts hebben aangevoerd dat het gebied blijkens de plantoelichting wordt aangemerkt als gebied met bijzondere stedenbouwkundige waarden. De raad heeft met deze waarden echter rekening gehouden door de groene middenbermen te voorzien van de bestemming "Groen", de rooilijn strak op de voorgevels te leggen en een kapafdekking verplicht te stellen. Voorts overweegt de Afdeling dat, gelet op het bepaalde in artikel 21, lid 21.2, van de planregels het college van burgemeester en wethouders bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan rekening dient te houden met de bijzondere waarden van het gebied. Voorts overweegt de Afdeling dat ook de APVG geen afbreuk kan doen aan voornoemde wettelijke bepalingen, maar dat deze wel eisen kan stellen aan de vlag die aan de vlaggenmast wordt bevestigd.

2.7. Met betrekking tot hun bezwaren tegen het plandeel met de bestemming "Groen" hebben [appellant] en anderen zich in hun beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar dan wel herhalen van de inhoud van hun zienswijze. In het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze onjuist zou zijn.

2.8. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. G.N. Roes, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Roes w.g. Huszar

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

533-676.