Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6795

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201011227/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kleine Dorpen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011227/1/R1.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Sebaldeburen, gemeente Grootegast,

en

de raad van de gemeente Grootegast,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kleine Dorpen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2011, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door drs. M. Boomsma en mr. G.H. Poort-van Drempt, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat aan zijn perceel [locatie], net zoals in het voorgaande plan en zoals voorgesteld in het advies van de hoorcommissie van 16 augustus 2010, een bedrijfsbestemming dient te worden toegekend ten behoeve van het bedrijf AVL en het ter plaatse gevestigde klussenbedrijf. In dit verband voert hij aan dat ten onrechte de bestaande opslagruimte niet meer als zodanig kan worden gebruikt nu aan een deel van zijn perceel de bestemming "Tuin" is toegekend en het onmogelijk is om uit te breiden op het achtergelegen deel van het perceel. [appellant] betwijfelt of een rendabele bedrijfsvoering van beide bedrijven nog wel mogelijk is.

2.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het uitgangspunt is om de feitelijke situatie als zodanig te bestemmen waarbij bestaand gebruik in strijd met het voorgaande plan wordt beoordeeld in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De raad acht de detacheringsactiviteiten van het bedrijf AVL passend binnen de bestemming "Wonen-A1" als beroep aan huis en heeft de groothandelsactiviteiten als zodanig toegestaan binnen de bestaande schuur. Een vergroting van de bedrijfsbebouwing of verzwaring van de groothandelsactiviteiten acht de raad, gelet op de woonfunctie aan weerszijden van het perceel, niet wenselijk. Ten aanzien van de door [appellant] gewenste opslagruimte en uitbreidingsmogelijkheid op de achtergelegen gronden stelt de raad zich op het standpunt dat het voorgaande plan daarin ook niet voorzag.

2.3. Aan het perceel [locatie] in Sebaldeburen zijn de bestemming "Wonen-A1" en de bestemming "Tuin" toegekend. De bestemming "Tuin" is aan het voorste deel van het perceel toegekend, grenzend aan de weg. De bestemming "Wonen-A1" is aan het overige deel van het perceel toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor tuinen, geen erven zijnde, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen woonhuis, erkers en de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen.

Aan een deel van het perceel met de bestemming "Wonen-A1" zijn deels de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in vloeistofvaten" (hierna: sb-gvv) en "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 23, lid 23.1, aanhef en onder a, sub 3, van de planregels is op dit deel van het perceel een woonhuis in combinatie met een inpandig detachering- en groothandelbedrijf in vloeistofvaten en/of een klussenbedrijf, allen met (bedrijfs)ontsluiting aan de zuidzijde langs het woonhuis, toegestaan.

Aan de achtergelegen gronden is deels de aanduiding "specifieke bouwaanduiding uitgesloten-vergunningplichtige gebouwen en aangebouwde overkappingen" (hierna: sba-gao) toegekend. Ingevolge artikel 23, lid 23.2.2, aanhef en onder a, van de planregels is het ter plaatse van deze aanduiding niet toegestaan buiten een bouwvlak gebouwen en aangebouwde overkappingen te bouwen.

Op het perceel staan binnen de aanduiding "sb-gvv" een woning en een schuur. In de schuur exploiteert het bedrijf AVL sinds 2003 een detacherings- en groothandelbedrijf in vloeistofvaten.

2.4. In het voorgaande plan "Sebaldeburen", vastgesteld door de raad op 6 november 1979, en voor zover van belang goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten bij besluit van 4 november 1980, was aan een deel van het perceel de bestemming "Nijverheidsbedrijven" met de aanduiding "2" toegekend. Dit deel liep door tot aan de weg. Ingevolge artikel 8, eerste lid, in samenhang met het derde lid, onder a, sub 2, van de planvoorschriften was ter plaatse een aannemersbedrijf, met bijbehorende gebouwen, andere bouwwerken en terreinen, met per bedrijf één bedrijfswoning toegestaan.

Aan de achtergelegen gronden was in het voorgaande plan de bestemming "Agrarische Kultuurgronden" toegekend. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften, was dit terrein bestemd voor grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden, met uitzondering van bosgronden, met de bijbehorende andere bouwwerken. Ingevolge artikel 12, tweede lid, onder 2, van de planvoorschriften was het oprichten van gebouwen op deze gronden uitgesloten. Ingevolge artikel 13, tweede lid, mogen deze gronden slechts worden gebruikt overeenkomstig de bestemming.

2.5. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] heeft de raad de bestemmingsregeling op het perceel deels aangepast, waardoor de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf AVL als zodanig zijn bestemd.

Een goede ruimtelijke ordening brengt met zich dat, indien een bedrijf als zodanig wordt bestemd, alle belangen van het bedrijf in de afweging moeten worden betrokken. In onderhavig geval zijn de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf AVL mogelijk binnen de reeds bestaande bebouwing en voorziet het plan niet in de mogelijkheid de bebouwing uit te breiden. De raad heeft hierbij in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen van omwonenden om overlast te beperken dan aan de belangen van [appellant]. In de enkele stelling van [appellant] dat het bedrijf AVL niet meer levensvatbaar zal zijn, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Nog daargelaten de omstandigheid dat de raad niet aan een advies van de hoorcommissie is gebonden, heeft de hoorcommissie in haar advies van 16 augustus 2010 weliswaar geadviseerd om de bouw van een extra schuur op het perceel [locatie] mogelijk te maken, maar heeft zij dit advies na [appellant] en omwonenden te hebben gehoord, bijgesteld in haar advies van 3 september 2010. Voorts was het, anders dan [appellant] betoogt, onder het voorgaande plan ook niet toegestaan om op het achtergelegen perceel bebouwing op te richten of de gronden te gebruiken voor opslagdoeleinden ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten.

2.6. Ter zitting heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat sinds 1979 een klussenbedrijf op het perceel is gevestigd en dat dit klussenbedrijf sindsdien heeft gefunctioneerd met een wisselende mate van intensiteit van de bedrijfsactiviteiten. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 23 van de planregels op het perceel een klussenbedrijf is toegestaan. In dit verband overweegt de Afdeling dat in het voorgaande plan ook een bedrijfsbestemming was toegekend aan gronden waaraan thans de bestemming "Tuin" is toegekend. [appellant] heeft ter zitting uiteengezet dat dit deel van het perceel nodig is voor het opslaan van goederen voor het klussenbedrijf en ook als zodanig wordt gebruikt. De raad heeft aangevoerd dat een lint van voortuinen aan de Provincialeweg wenselijk is. Hierbij heeft de raad echter geen blijk gegeven dat bij het toekennen van de bestemming "Tuin" aan gronden die onder het voorgaande plan voor de bedrijfsvoering waren bestemd, rekening is gehouden met de bedrijfsbelangen van [appellant].

2.7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij het plandeel met de bestemming "Tuin" ter plaatse van het perceel [locatie] is vastgesteld, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient op dit punt wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor het overige strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling overweegt dat zij geen aanleiding ziet voor vergoeding van de door [appellant] gestelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, nu het beroepschrift door [appellant] op eigen titel is ingediend en ook overige proceshandelingen niet zijn verricht door een rechtsbijstandverlener.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Grootegast van 7 september 2010 inzake de vaststelling van het bestemmingsplan "Kleine Dorpen" voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Tuin" ter plaatse van het perceel [locatie] in Sebaldeburen;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Grootegast tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 51,11 (zegge: eenenvijftig euro en elf cent);

V. gelast dat de raad van de gemeente Grootegast aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G.N. Roes, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Roes w.g. Huszar

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

533-676.