Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6792

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201100258/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2010 heeft de raad het bestemmingsplan

"De Vier Eiken" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100258/2/R1.

Datum uitspraak: 25 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te Wapserveen, gemeente Westerveld,

en

de raad van de gemeente Westerveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2010 heeft de raad het bestemmingsplan

"De Vier Eiken" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 13 januari 2011.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2011, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 april 2011, waar [verzoeker] en anderen, bij monde van [gemachtigden] en bijgestaan door mr. C.E. van Staveren, advocaat te Zwolle, en de raad, vertegenwoordigd door J.G. Boer, werkzaam bij de gemeente, en mr. V.A. Textor, advocaat te Zwolle, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord De Vier Eiken Recreatief Gastenverblijf, vertegenwoordigd door S.H.W. van Biljouw, D.B. Dijkstra en mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Nu de raad ter zitting uitdrukkelijk heeft aangegeven dat [2 verzoekers] als belanghebbende bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt, ziet de voorzitter geen aanleiding in dit geding in te gaan op hetgeen door de raad naar voren is gebracht omtrent de belanghebbendheid van [9 verzoekers].

2.3. Het plan voorziet in de uitbreiding van het recreatiebedrijf aan het Oosteinde 14 te Wapserveen, waarbij 20 vrijstaande recreatieverblijven en een facilitair gebouw worden gerealiseerd, het hoofdgebouw wordt uitgebreid en groenelementen, een natuurterrein en nieuwe parkeerplaatsen worden aangelegd.

2.4. [verzoeker] en anderen voeren aan dat het plan recreatiewoningen mogelijk maakt van 12,65 m. Hiermee zijn de op te richten recreatiewoningen ruim twee keer zo hoog als het bestaande bos. Het uitzicht wordt daardoor in ernstige mate verslechterd en het open landschap gaat verloren, aldus [verzoeker] en anderen.

2.4.1. Ingevolge artikel 6, lid 6.2, sub a, onder 1, van de regels behorend bij het plan, bedraagt de bouwhoogte van een recreatiewoning ten hoogste 3,5 m en ten hoogste 6,8 m tot een bebouwde oppervlakte van ten hoogste 65 m², gerekend vanaf 0,7 cm vanaf het peil, met dien verstande dat op of aan de recreatiewoning een schermconstructie ten behoeve van een natuurlijke begroeiing met een hoogte van 4 m mag worden aangebracht, gerekend vanaf een bouwhoogte van 3,5 m.

2.4.2. De voorzitter stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een kennelijke verschrijving in voormelde planregel, aangezien 0,7 cm moet worden gelezen als 0,7 m.

Van de zijde van de raad is voorts ter zitting toegelicht dat [verzoeker] en anderen er ten onrechte van uitgaan dat een maximale bouwhoogte ontstaat van 12,65 m, aangezien een schermconstructie mag worden aangebracht vanaf een hoogte van 3,5 m en niet, zoals [verzoeker] en anderen betogen, vanaf een hoogte van 6,8 m. De maximale bouwhoogte ligt hiermee onder de hoogte van de in de omgeving aanwezige bossen. Voorts kan op de schermconstructie natuurlijke begroeiing worden aangebracht waardoor de recreatiewoningen worden ingepast in de groene omgeving.

De voorzitter ziet gelet op het vorenstaande vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van ernstige aantasting van de landschappelijke waarden en het uitzicht. Daarbij acht de voorzitter nog van belang dat de woningen van [verzoeker] en anderen op geruime afstand van de voorziene recreatiewoningen zijn gelegen.

2.5. Voor zover [verzoeker] en anderen aanvoeren dat zij als gevolg van de oprichting van de recreatiewoningen schade vrezen in hun bedrijfsvoering vanwege concurrentie, wijst de voorzitter erop dat geen aanleiding bestaat om in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter zake regulerend op te treden. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [verzoeker] en anderen betreft, bestaat naar het voorlopig oordeel van de voorzitter geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.6. [verzoeker] en anderen betogen verder dat de in het plan voorziene bebouwing in strijd is met het door de raad vastgestelde Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Westerveld, waarin is neergelegd hoe de bebouwing in het wegdorpenlandschap wordt vormgegeven.

2.6.1. De voorzitter ziet vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat het plan geen stand zal houden in de hoofdzaak op de grond dat het in strijd is met het Beeldkwaliteitsplan. In dit verband wijst de voorzitter erop dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat het plan in overeenstemming is met het Beeldkwaliteitsplan, aangezien de doorzichten tussen de woningen aan het Oosteinde niet worden aangetast en de landschappelijke inpassing van het plan overeenkomstig het Beeldkwaliteitsplan zal plaatsvinden met behulp van het treffen van een regeling in de tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst.

2.7. [verzoeker] en anderen voeren verder aan dat het plan in strijd is met het Provinciaal Omgevingsplan Drenthe II, dat zich onder meer richt op het beschermen en verbeteren van het nachtelijk duister. Als gevolg van het plan zal een aanzienlijke hoeveelheid licht ontstaan in de thans volledig donkere omgeving. Voorts gaat voormeld Provinciaal Omgevingsplan uit van een zuinig gebruik van ruimte. De omstandigheid dat het plan voorziet in de oprichting van bebouwing op 830 m van de weg in het open landschap is in strijd met dit uitgangspunt. Het plan past volgens [verzoeker] en anderen voorts niet in de historisch gegroeide bebouwingsstructuur met diverse monumentale panden met een belangrijke historische waarde. De landbouwkundige hoofdfunctie van het gebied wordt aangetast door het plan. Uitbreiding van recreatieve ontwikkeling is volgens het Provinciaal Omgevingsplan mogelijk, mits voldoende landschappelijke inpassing mogelijk is. Volgens [verzoeker] en anderen is daarvan echter geen sprake.

2.7.1. Nog daargelaten of de door [verzoeker] en anderen vermelde uitgangspunten in het Provinciaal Omgevingsplan Drenthe II zijn terug te vinden, kan uit de toelichting behorende bij het plan worden afgeleid dat de raad het Provinciaal Omgevingsplan Drenthe II bij de vaststelling van het plan heeft betrokken en het plan daarmee in overeenstemming heeft bevonden.

In hetgeen door [verzoeker] en anderen is aangevoerd, ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de vaststelling van het plan voldoende rekening is gehouden met het Provinciaal Omgevingsplan Drenthe II.

2.8. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat het plan, zoals [verzoeker] en anderen aanvoeren, in strijd is met de Kadernota Buitengebied van de gemeente Westerveld, aangezien, anders dan zij betogen, geen sprake is van een nieuwe ontwikkeling nu het plan de uitbreiding van een bestaand recreatieverblijf mogelijk maakt.

2.9. [verzoeker] en anderen vrezen voorts voor lichthinder als gevolg van het plan. In het op verzoek van [verzoeker] en anderen door Bureau Sotto le Stelle opgestelde lichthinderrapport is geconcludeerd dat de voorziene bebouwing van grote invloed is op de bestaande unieke duisternis ter plaatse. Het plan is volgens [verzoeker] en anderen op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

2.9.1. In de toelichting behorende bij het plan is vermeld dat openbare verlichting op het terrein tot een minimum zal worden beperkt. Er zal een zeer spaarzame lage oriëntatieverlichting worden geplaatst. De recreatieverblijven worden voorzien van een groene "schil" om de huisjes ter hoogte van de bovenverdieping. Het terrein zelf wordt daarnaast voorzien van diverse begroeiing. Slechts in de richting van het zuiden zal via de ramen van de verblijven in de avond enige lichtuitval optreden. Het is niet aannemelijk dat in en rond het plangebied voorkomende beschermde diersoorten hier hinder van betekenis van zullen ondervinden. De voorzitter wijst er in dit verband op dat de voorziene woningen, anders dan Bureau Sotto le Stelle stelt, zoals hiervoor onder 2.4.2. is overwogen, niet deels boven de bomen zullen uitkomen.

Gelet hierop bestaat naar het voorlopig oordeel van de voorzitter geen grond voor de conclusie dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met het aspect lichthinder, noch dat ernstige lichthinder te verwachten is.

2.10. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan niet deugdelijk is gemotiveerd, omdat de motivering is gebaseerd op de mogelijkheden en onmogelijkheden van natuurlijke recreatie voor de omgeving van het Drents Friese Wold in het kader van het project "Natuurlijke Recreatie Drenthe".

2.10.1. De voorzitter ziet in hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het bestreden besluit vanwege dit aspect in de bodemprocedure niet in stand blijft. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat het plan een pilot op ondernemersniveau is, waarbij is onderzocht in hoeverre het plan van de ondernemer is te verenigen met de natuur, terwijl het project "Natuurlijke Recreatie Drenthe" een project op gebiedsniveau is. Met betrekking tot de onderhavige pilot heeft zelfstandig onderzoek plaatsgevonden naar de planologische inpassing van de in het plan voorziene ontwikkelingen en is gemotiveerd dat het plan planologisch goed inpasbaar is.

2.11. [verzoeker] en anderen betogen vooralsnog tevergeefs dat de raad niet heeft onderzocht of in Wapserveen behoefte bestaat aan recreatiewoningen. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat in de plantoelichting is uiteengezet dat in de gemeente Westerveld, ondanks de economische crisis, vraag bestaat naar de voorziene recreatieve overnachtingsmogelijkheden.

2.12. Wat betreft het betoog van [verzoeker] en anderen dat het plan onduidelijkheden biedt ten aanzien van de hoeveelheid te bouwen recreatiewoningen, verwijst de voorzitter naar artikel 6, lid 6.2, sub a, onder 4, van de regels behorend bij het plan, waarin is vermeld dat het aantal recreatiewoningen ten hoogste 20 bedraagt.

2.13. Voor zover het beroep van [verzoeker] en anderen is gericht tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan overweegt de voorzitter als volgt.

2.13.1. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad, in afwijking van het eerste lid, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder h, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

2.13.2. Het beroep van [verzoeker] en anderen is in zoverre gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro.

Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zouden [verzoeker] en anderen niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de desbetreffende onderdelen van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat [verzoeker] en anderen geen eigenaars zijn van gronden in het exploitatiegebied en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [verzoeker] en anderen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de genoemde onderdelen van een exploitatieplan, kunnen zij evenmin worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro.

Gezien het vorenstaande verwacht de voorzitter dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het beroep in zoverre

niet-ontvankelijk is.

2.14. Ook in hetgeen [verzoeker] en anderen hebben betoogd omtrent de gevolgen voor de parkeergelegenheid als gevolg van het plan, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het plan voorziet in de realisatie van een parkeerterrein. De raad is uitgegaan van één auto per recreatiewoning. Daarnaast worden 10 parkeerplaatsen in verband met het gebruik van de gronden met de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie" gehandhaafd. Voorts is het standpunt van de raad dat op het terrein voldoende ruimte aanwezig is om een groter parkeerterrein te realiseren indien dit nodig mocht blijken te zijn, door [verzoeker] en anderen niet gemotiveerd bestreden.

2.15. [verzoeker] en anderen voeren verder aan dat de voorziene bebouwing op 185 m van het Natura 2000-gebied Havelte-Oost is gelegen. Zij betwisten dat het niet nodig is een passende beoordeling te laten maken. De beoogde bebouwing zal een groot effect hebben op de natuur in het plangebied dat volgens [verzoeker] en anderen ongeschikt is voor de ontwikkeling van recreatiewoningen. [verzoeker] en anderen hebben een Beoordeling Natuurtoetsing laten verrichten door Buiting Advies, waarin het "Advies Natuurwaarden De Vier Eiken te Wapserveen" (hierna: het advies natuurwaarden) en de "Voortoets Natura 2000 Havelte-Oost-De Vier Eiken Wapserveen" van BügelHajema (hierna: de voortoets) zijn beoordeeld. Hieruit volgt volgens [verzoeker] en anderen dat de rapporten van BügelHajema in de huidige vorm niet kunnen dienen als onderbouwing van het plan. Diverse dier- en plantensoorten zijn ten onrechte niet op hun aanwezigheid onderzocht. Zo is de das niet genoemd en is niets vermeld over het al dan niet aanwezig zijn van broedplaatsen van vogels. Verder is het vleermuisprotocol niet gevolgd en is niet ingegaan op eventuele nadelige effecten van licht door de bouw van de nieuwe verblijven. Voorts betwisten [verzoeker] en anderen dat in of in de omgeving van het plangebied geen permanent bewoonde nesten of belangrijke foerageergebieden van vogels aanwezig zijn. Volgens hen zijn in het plangebied twee haviksnesten aanwezig en zijn er diverse dassenburchten gevestigd. Ook zijn de tapuit en ringslangen in dan wel in de omgeving van het plangebied waargenomen.

2.15.1. In de voortoets is geconcludeerd dat door de ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt, in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) geen significant negatieve effecten op beschermde gebieden worden verwacht. Gelet hierop is het niet nodig geacht een passende beoordeling te maken. [verzoeker] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de voortoets op dit punt zodanige gebreken bevat dat de raad zich daarop niet heeft mogen baseren.

De voorzitter stelt voorts vast dat bij besluit van 4 november 2009 een vergunning op grond van de Nbw 1998 is verleend.

Voorts volgt uit het advies natuurwaarden dat geen ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) behoeven te worden aangevraagd.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter bestaat in hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding de door BügelHajema verrichte onderzoeken onvolledig dan wel ondeugdelijk te achten. BügelHajema heeft met betrekking tot de bescherming van soorten beoordeeld of de realisatie van de ontwikkelingen die door het plan worden toegelaten in strijd is de Ffw. Hiertoe heeft BügelHajema door middel van bureau- en veldonderzoek onderzocht of de verbodsbepalingen van de artikelen 8 tot en met 12 van de Ffw worden overtreden en of de zorgplicht van artikel 2 van die wet is overtreden. Er is geconcludeerd dat voormelde artikelen niet zullen worden overtreden zodat geen ontheffing op grond van de Ffw nodig is geacht.

Ten aanzien van de vleermuis heeft de raad opgemerkt dat het vleermuisprotocol zich ten tijde van het onderzoek nog in de concept- en testfase bevond. BügelHajema heeft uiteindelijk wel gewerkt volgens het uiteindelijk vastgestelde vleermuisprotocol. Uit het rapport van BügelHajema blijkt dat aan de hand van de gebiedskenmerken een inschatting is gemaakt van de aanwezigheid van vleermuizen en geconstateerd dat geen voor vleermuizen van belang zijnde objecten zoals gebouwen of bomen aanwezig zijn, zodat geen verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan als gevolg van de ontwikkelingen. Voorts behoudt het plangebied haar foerageerfunctie na realisatie van het plan.

Anders dan [verzoeker] en anderen betogen, is onderzocht of de das voorkomt in het plangebied. In het advies natuurwaarden is vermeld dat de dichtstbijzijnde bekende dassenburcht op 800 m van het plangebied is gelegen en dat de realisatie niet tot verstoring daarvan zal leiden. Delen van het plangebied kunnen een klein deel van het foerageergebied van de das uitmaken, maar volgens BügelHajema zal vanwege de aanwezigheid van voldoende geschikt foerageergebied de realisatie van de plannen niet tot negatieve effecten op de aanwezige dassenburchten leiden.

Ten aanzien van de aanwezigheid van broedplaatsen van vogels heeft BügelHajema opgemerkt dat door de ontwikkelingen nauwelijks broedgebied verloren zal gaan. Door werkzaamheden kunnen vogels worden verstoord en mogelijk enkele broedplaatsen worden vernietigd. Alle vogels zijn in het broedseizoen beschermd. De werkzaamheden dienen derhalve buiten het broedseizoen plaats te vinden. Voor het broedseizoen wordt in de Ffw geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of er een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Als werkzaamheden voor het broedseizoen worden gestart en continu voortduren, zullen broedvogels een rustigere broedplaats zoeken en niet door de werkzaamheden worden gestoord. Buiting Advies heeft ingeschat dat in de omgeving van het plangebied gedurende het hele jaar beschermde nesten van de buizerd, sperwer, havik en ransuil aanwezig zijn. Buiting Advies heeft deze inschatting echter niet met onderzoeksgegevens gestaafd.

Voorts heeft BügelHajema onderkend dat enkele door de Ffw beschermde amfibieënsoorten in het plangebied voorkomen. Anders dan Buiting Advies stelt, heeft BügelHajema in dit verband opgemerkt dat verstoring van deze soorten eenvoudig valt te voorkomen door de werkzaamheden in bepaalde periodes uit te voeren. Door de aanwezige schapenweide kort te maaien is het gebied volgens BügelHajema onaantrekkelijk voor alle amfibieën om in te verblijven, waardoor jaarrond werkzaamheden in dit gebied kunnen plaatsvinden. Anders dan door Buiting Advies is aangegeven, is bovendien door BügelHajema ingegaan op de effecten van het plan ten aanzien van reptielen. Er is geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat tijdens de werkzaamheden reptielen zullen worden verstoord. Bovendien ontstaat volgens BügelHajema als gevolg van de natuurlijke herinrichting van de akker potentieel geschikt leefgebied voor de adder, ringslang en levendbarende hagedis.

Voorts is, zoals hiervoor onder 2.9.1. is overwogen niet aannemelijk dat in en rond het plangebied voorkomende diersoorten hinder van betekenis zullen ondervinden als gevolg van de voorziene recreatiewoningen.

De voorzitter is er in dit geval bovendien niet van overtuigd dat de gestelde eigen waarnemingen van beschermde dieren zoals de tapuit door omwonenden in de bodemprocedure aanleiding zullen geven om de verrichte onderzoeken onvolledig dan wel ondeugdelijk te achten.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond het bestreden besluit te schorsen om reden dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw en de Nbw 1998 aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staan.

2.16. [verzoeker] en anderen voeren ten slotte aan dat het aan het plan grenzende Natura 2000-gebied behoort tot de Ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS). In de toelichting behorende bij het plan is aangegeven dat de negatieve effecten op de EHS in meer dan voldoende mate worden gecompenseerd. Ten onrechte is echter niet vermeld waar deze negatieve effecten uit bestaan en hoe de veronderstelde compensatie eruit ziet, aldus [verzoeker] en anderen.

2.16.1. Niet in geschil is dat uitsluitend het zuidelijk deel van het plangebied in de EHS is gelegen. Aan die gronden is in het plan de bestemming "Bos" toegekend. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor die bestemming toegelaten gebruik de realisatie van de EHS niet in de weg staat. De bestemming is volgens de raad juist ondersteunend aan de EHS. Het vorenstaande is door [verzoeker] en anderen niet gemotiveerd bestreden. Voorts acht de voorzitter van belang dat in de voortoets die ten grondslag is gelegd aan het plan is vermeld dat er door de ontwikkeling verstoring van het deel van het plangebied met de bestemming "Bos" zal plaatsvinden. Daarnaast zal door aanleg van een vlonderpad door het deel van het plangebied met de bestemming "Bos" direct oppervlakteverlies optreden. Het bos lijkt echter geen wezenlijk onderdeel van de EHS uit te maken. Daarnaast zal door inrichting van het zuidelijke deel van het plangebied als natte heide/heischraalgrasland meer en beter geschikt leefgebied ontstaan voor zowel landelijk als provinciaal bijzondere en bedreigde soorten. Ten aanzien van de ecologische verbindingszone bieden de overige ten oosten en ten zuiden van het plangebied reeds gerealiseerde gebieden uit de EHS meer dan voldoende ruimte. De ontwikkeling zal hiermee de realisatie van een ecologische verbindingszone niet frustreren, aldus de voortoets.

Gezien het vorenstaande bestaat naar het voorlopig oordeel van de voorzitter geen grond voor de conclusie dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen significante aantasting van de EHS tot gevolg heeft.

2.17. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter in het door [verzoeker] en anderen aangevoerde geen aanleiding voor de verwachting dat het besluit in de bodemprocedure niet in stand kan blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat derhalve geen grond.

2.18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Bechinka

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2011

490.