Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6786

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201010674/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2009 heeft het college Neba Projecten onder oplegging van een dwangsom gelast de sloopwerkzaamheden op het perceel Juliana Bernhardlaan 140 te Hoensbroek te staken en gestaakt te houden.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 9
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/516
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3728
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010674/1/H1.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Neba Projecten B.V., gevestigd te Hoensbroek, gemeente Heerlen, thans de curator in haar faillissement mr. J.F.E. Kikken, kantoorhoudend te Hoensbroek, (hierna: Neba Projecten)

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 oktober 2010 in zaak nr. 09/2198 in het geding tussen:

Neba Projecten

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2009 heeft het college Neba Projecten onder oplegging van een dwangsom gelast de sloopwerkzaamheden op het perceel Juliana Bernhardlaan 140 te Hoensbroek te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 23 november 2009 heeft het college het door Neba Projecten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Neba Projecten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Neba Projecten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 november 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 december 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.M.A. Huppertz, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel hebben sloopwerkzaamheden plaatsgevonden zonder de daartoe ingevolge artikel 7b, tweede lid, aanhef en onder d, van de Woningwet gelezen in verbinding met artikel 8.1.1. van de Bouwverordening van de gemeente Heerlen vereiste sloopvergunning.

2.2. Neba Projecten betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij als overtreder is aan te merken. Volgens Neba Projecten moeten [belanghebbende A] en [belanghebbende B] als overtreder worden aangemerkt. Zij voert hiertoe aan dat Neba Projecten zelf geen eigenaar is van het perceel. Voorts voert zij aan dat de rechtbank er ten onrechte betekenis aan heeft gehecht dat bij de aanvraag van een sloopvergunning haar e-mailadres is gebruikt en de sloopvergunning aan haar is verleend, nu deze omstandigheden dateren van na het primaire besluit.

2.2.1. Als overtreder moet worden beschouwd degene die het te handhaven wettelijke voorschrift daadwerkelijk schendt.

Neba Projecten voert dan ook terecht aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het feit dat zij het in haar macht heeft een einde te maken aan de overtreding nog niet maakt dat zij als overtreder moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft evenwel terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat niet Neba Projecten, maar, zoals zij stelt, [belanghebbende A] en [belanghebbende B] als overtreder moeten worden aangemerkt. Neba Projecten heeft in haar bezwaarschrift van 20 juli 2009 zelf aangegeven dat zij voornemens is op het perceel woningen te realiseren, dat zij na een bezoek van een ambtenaar van de gemeente de sloopwerkzaamheden heeft stilgelegd, dat zij een sloopvergunning heeft aangevraagd en dat zij erop mocht vertrouwen dat zij na die aanvraag de sloopwerkzaamheden mocht hervatten. Voorts wordt in aanmerking genomen dat, zoals het college onweersproken heeft gesteld, [belanghebbende B] zich herhaaldelijk als projectleider van Neba Projecten heeft gepresenteerd en [belanghebbende A] enig bestuurder van Neba Projecten is en verder dat, zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, in de aanvraag van de sloopvergunning het e-mailadres van Neba Projecten is gebruikt en die vergunning aan haar is verleend. Dat sommige van deze feiten en omstandigheden zich pas na het primaire besluit hebben voorgedaan, maakt niet dat deze niet bij de beoordeling mogen worden betrokken als nadere aanwijzing dat, zoals het college al in dat besluit heeft aangenomen, Neba Projecten als overtreder moet worden aangemerkt. Voorts brengt de stelling van Neba Projecten dat zij geen eigenaar van het perceel is niet mee dat zij geen overtreder kan zijn.

Het betoog faalt.

2.3. Neba Projecten betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de opgelegde dwangsom niet onredelijk hoog is. Zij voert hiertoe aan dat het college niet heeft onderbouwd op grond waarvan het de dwangsom heeft vastgesteld op € 25.000,00. Voorts stelt zij dat de inning van de dwangsom mogelijk het faillissement van Neba Projecten tot gevolg zou hebben.

2.3.1. Anders dan Neba Projecten stelt, heeft het college, in het besluit op bezwaar uitgebreid en deugdelijk gemotiveerd waarom de hoogte van de opgelegde dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het door de overtreding van het wettelijk voorschrift geschonden belang. Dat, zoals Neba Projecten stelt, het afval op juiste wijze is afgevoerd en niet vervuild was, doet er niet aan af dat het college, juist omdat het bij gebrek aan een sloopvergunning geen goed zicht had op de situatie en het risico op een onjuiste verwijdering en afvoer van afval ter bescherming van mens en milieu, zo klein mogelijk wilde maken, de dwangsom op € 25.000,00 mocht vaststellen.

Daargelaten dat Neba Projecten reeds voor inning van de last onder dwangsom in staat van faillissement is verklaard, kunnen de gestelde financiële omstandigheden van degene tot wie een last is gericht, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 mei 2007 in zaak nr. 200604496/1 (www.raadvanstate.nl), niet bepalend zijn voor het vaststellen van de hoogte van de dwangsom.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

457-700.