Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6779

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201006279/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2010, kenmerk 2010/0066460, heeft het college, voor zover vereist, opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Staphorst bij besluit van 30 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Oosterparallelweg 2007".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006279/1/R3.

Datum uitspraak: 1 juni 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Staphorst, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], en [vennoot C] en [vennoot D], beiden wonend te Staphorst (hierna: [appellant] en anderen),

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2010, kenmerk 2010/0066460, heeft het college, voor zover vereist, opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Staphorst bij besluit van 30 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Oosterparallelweg 2007".

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen, bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2010, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 juli 2010.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2011, waar [vennoot A], [vennoot B], [vennoot C] en [vennoot D], bijgestaan door W.J. Sekeris, en het college, vertegenwoordigd door T. Drint, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. J.J. van den Berg, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. In haar uitspraak van 22 april 2009, in zaak nr. 200805941/1, heeft de Afdeling het besluit omtrent goedkeuring van het college van 10 juni 2008 vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)", zoals aangeduid op de bij die uitspraak behorende kaart. In die uitspraak heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen:

"De Afdeling stelt vast dat het aan het plan ten grondslag gelegde beleid is gericht op vestiging van kleinschalige bedrijven in het plangebied. Wat betreft de noordwestelijk in het plangebied gelegen bedrijvenkavel aan de Oosterparallelweg, een van de zes bedrijvenkavels waarin het plan voorziet, wordt dit beleid echter doorkruist, nu artikel 4.4.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften de mogelijkheid biedt dat het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verleent aan de desbetreffende bedrijven voor uitbreiding van de oppervlakte van een bouwperceel tot 7.500 m². Ter zitting is van de zijde van de raad bevestigd dat deze mogelijkheid niet alleen aan [appellant] maar ook aan Machinefabriek Talen wordt geboden. Naar het oordeel van de Afdeling volgt hieruit dat het beleid inzake vestiging van kleinschalige bedrijven, voor zover het de genoemde noordwestelijk in het plangebied gelegen bedrijvenkavel betreft, feitelijk niet meer kan worden gerealiseerd. Onder deze omstandigheden had van het college in het bestreden besluit een nadere afweging mogen worden verwacht omtrent het gemeentelijk beleid inzake vestiging van kleinschalige bedrijven, voor zover dat ziet op de noordwestelijk in het plangebied gelegen bedrijvenkavel, alsmede omtrent de gerechtvaardigde concrete belangen van [appellant], die zien op uitbreiding van haar bedrijf aan de [locatie] tot een maximum van 1,2 ha. Bij die nadere afweging is mede van belang dat Machinefabriek Talen geen concrete uitbreidingsplannen heeft kenbaar gemaakt en dat dit bedrijf bovendien niet beschikt over eigen grond om het bedrijf uit te breiden."

2.3. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte weer goedkeuring aan het plandeel heeft verleend en niet aan voormelde uitspraak heeft voldaan. Zij betogen dat het college zich hierbij opnieuw heeft gebaseerd op het gemeentelijke beleid dat aan het bestemmingsplan ten grondslag ligt. Dit beleid is reeds aan de orde geweest en door de Afdeling beoordeeld met als conclusie dat de goedkeuring van het plandeel onder verwijzing naar dit beleid onvoldoende deugdelijk was gemotiveerd. Door dezelfde argumenten aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen, is ook dit besluit ondeugdelijk gemotiveerd.

[appellant] en anderen voeren aan dat zij concrete uitbreidingsplannen hebben voor het bedrijf aan de [locatie]. Het plan laat, na vrijstelling, een maximale oppervlakte van het bouwperceel toe van 7.500 m², terwijl voor de uitbreiding van het bedrijf een omvang van 1,2 ha noodzakelijk is. Het gemeentelijk beleid houdt ten onrechte geen rekening met de noodzaak van het bedrijf om ter plekke uit te breiden tot een omvang van 1,2 ha, terwijl een bedrijf van die omvang nauwelijks opvalt binnen het bedrijventerrein dat in zijn totaliteit vele malen de omvang heeft van 1,2 ha. Bovendien is het grootste gedeelte van het terrein niet bestemd voor fabriekshallen.

2.4. Het college stelt dat de raad bewust verschil heeft aangebracht tussen de bedrijventerreinen die binnen de gemeente in ontwikkeling zijn. Het bedrijventerrein aan de Oosterparallelweg is, anders dan het bedrijventerrein "De Esch III", uitdrukkelijk gericht op kleinschalige en lichte bedrijvigheid. Er is weliswaar voorzien in een vrijstellingsmogelijkheid om bedrijfspercelen toe te staan tot maximaal 7.500 m², maar daar kan maar een beperkt aantal bestaande bedrijven gebruik van maken. Het onderscheid tussen de bedrijventerreinen voor groot- en kleinschalige bedrijven wordt door de vrijstellingsbevoegdheid voor uitbreiding tot 7.500 m², mogelijk voor twee bedrijven, niet ontkracht, nu deze uitbreiding, na vrijstelling, slechts mogelijk is voor een betrekkelijk klein deel van het terrein. Grotere bedrijfspercelen dan 7.500 m² zullen het onderscheid echter wel doen vervagen.

2.5. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder a, van de planvoorschriften, mag de oppervlakte van een bouwperceel niet minder dan 1.000 m² en niet meer dan 2.500 m² bedragen.

Ingevolge lid 4.1, onder h, zijn in afwijking van het bepaalde onder b en c ter plaatse van de aanduiding "bedrijfsactiviteit (ba)" tevens toegestaan een transportbedrijf en een handel in sierbestrating.

Ingevolge lid 4.4, onder 4.4.1, aanhef en onder a, kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 4.1, aanhef en onder a, en toestaan dat de oppervlakte van een bouwperceel 5.000 m² bedraagt. Deze bevoegdheid geldt uitsluitend als aannemelijk is gemaakt dat het gehele bouwperceel binnen vier jaar in gebruik wordt genomen ten behoeve van de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge lid 4.4, onder 4.4.1, aanhef en onder b, kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 4.1, aanhef en onder a, en toestaan dat de oppervlakte van een bouwperceel 7.500 m² bedraagt. Deze bevoegdheid geldt uitsluitend ten behoeve van de bouwpercelen die rechtstreeks ontsluiten op de Oosterparallelweg en indien aannemelijk is gemaakt dat het gehele bouwperceel binnen twee jaar in gebruik wordt genomen ten behoeve van de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten.

2.6. Het bedrijfsperceel van [appellant] is voorzien van de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" met de aanduiding "bedrijfsactiviteit (ba)". Ter plaatse is een transportbedrijf en een handel in sierbestrating toegestaan. Voor de door [appellant] en anderen gewenste uitbreiding van het bedrijf tot 1,2 ha is een vrijstelling (thans omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening) vereist. De totale oppervlakte van de gronden, die directe ontsluiting hebben op de Oosterparallelweg en zodoende vallen onder de in artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften vervatte vrijstellingsbevoegdheid, bedraagt circa 1,7 ha. Gelet hierop kunnen ter plaatse maximaal twee bestaande bedrijven doorgroeien naar het maximum van 7.500 m². Indien twee bedrijven hiervan gebruik zullen maken, bedraagt het gedeelte waar de bestaande bedrijven kunnen doorgroeien tot een maximum van 7.500 m² 1,5 ha, hetgeen ongeveer 12% bedraagt van de totale oppervlakte van het bedrijventerrein.

2.7. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat het college niet opnieuw hetzelfde gemeentelijke beleid bij zijn besluit had mogen betrekken, wordt overwogen dat het feit dat de Afdeling in genoemde uitspraak heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt niet rustte op een deugdelijke motivering, niet zonder meer betekent dat het college dit gemeentelijke beleid niet meer bij zijn motivering mocht betrekken.

Uit genoemde uitspraak volgt dat het beleid inzake kleinschalige bedrijven ter plaatse niet kan worden gerealiseerd en dat met de concrete belangen van [appellant] en anderen in de belangenafweging rekening dient te worden gehouden. De Afdeling is van oordeel dat het college in het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in dit geval de door de raad gemaakte beperkte afwijking van het gemeentelijke beleid inzake kleinschalige bedrijven is gerechtvaardigd en waarom een uitbreiding tot 1,2 ha ter plaatse niet toelaatbaar is. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Het gedeelte waar bestaande bedrijven kunnen uitbreiden tot maximaal 7.500 m² beslaat ongeveer 12% van het totale bedrijventerrein. Voor de overige ongeveer 88% van het terrein geldt artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften en is de maximale oppervlakte van het bouwperceel 2.500 m², die bij vrijstelling kan worden uitgebreid tot een maximale oppervlakte van 5.000 m². In zoverre doet zich een beperkte afwijking van het gemeentelijke beleid ten aanzien van kleinschalige bedrijven voor. Daarnaast is van belang dat in de gemeente Staphorst in een bedrijventerrein voor grootschalige bedrijven is voorzien. In dit verband heeft de raad ter zitting gesteld dat bedrijven zoals het onderhavige, waarbij 1,2 ha of meer wenselijk zou zijn, voor de bedrijfsvoering terecht kunnen op dit grootschalige bedrijventerrein. Dat [appellant] en anderen beschikken over de door hen gewenste 1,2 ha op het bedrijventerrein heeft het college in redelijkheid onvoldoende reden kunnen achten om goedkeuring te onthouden aan voormeld plandeel, nu de eigendomsverhouding in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet doorslaggevend is en een ruimtelijk relevante reden bestaat voor de regeling als bedoeld in artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.1, van de planvoorschriften. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid het concrete belang van [appellant] en anderen bij uitbreiding tot 1,2 ha minder zwaar heeft mogen laten wegen dan het belang bij het onderscheid tussen groot- en kleinschalige bedrijventerreinen. Zij neemt daarbij in aanmerking dat, gelet op de planvoorschriften, bestaande bedrijven aan de Oosterparallelweg reeds grotere uitbreidingsmogelijkheden hebben gekregen dan de nieuwe bedrijven. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college voormelde uitspraak van 22 april 2009 voldoende in acht heeft genomen.

2.8. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant] en anderen is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Kegge

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011

459-709.