Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6526

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
201005482/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 64 van de Vw 2000 / BMA / vergewisplicht / twee mogelijke instellingen

In het besluit heeft de minister, onder inlassing van het BMA advies, het standpunt ingenomen dat, voor zover thans van belang, de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V) vóór uitzetting van de vreemdeling contact zal opnemen met een ziekenhuis in Armenië, en dat met de internist afspraken zullen worden gemaakt over de datum en wijze waarop de medische behandeling zal worden overgedragen. Tevens heeft de minister in het besluit toegezegd dat, indien deze overdracht niet kan worden geregeld, de vreemdeling niet zal worden uitgezet.

Nu uit het door de minister, onder inlassing van het BMA-advies, in het besluit ingenomen standpunt volgt dat de DT&V vóór uitzetting van de vreemdeling contact zal opnemen met één van de twee in dat advies genoemde instellingen teneinde aan het vereiste van fysieke overdracht en continuering van de behandeling te voldoen, bestaat daarover voldoende duidelijkheid en heeft de minister aldus aan zijn vergewisplicht voldaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005482/1/V1.

Datum uitspraak: 25 mei 2011

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 6 mei 2010 in zaak nr. 09/45921 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een verzoek van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat uitzetting achterwege blijft afgewezen.

Bij besluit van 12 november 2009 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 mei 2010, verzonden op 7 mei 2010, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag (lees: het gemaakte bezwaar) neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 juni 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Op het hoger beroep zijn de Vw 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 van toepassing, zoals die luidden tot 1 juli 2010.

2.2. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan diens rechtsvoorganger.

2.3. In de grief klaagt de minister dat, samengevat weergegeven,

de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2008 in zaak nr. 200708871/1 (www.raadvanstate.nl), ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich er onvoldoende van heeft vergewist dat bij de daadwerkelijke verwijdering van de vreemdeling aan de door het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) aan de uitzetting verbonden vereisten van fysieke overdracht en ononderbroken voortzetting van de behandeling kan worden voldaan. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2009 in zaak nr. 200809022/1/V1 (www.raadvanstate.nl) voert de minister aan dat de rechtbank aldus niet heeft onderkend dat hij in het besluit, gelezen in samenhang met het bij de rechtbank ingediende verweerschrift, voldoende heeft gemotiveerd dat het niet op voorhand onmogelijk kan worden geacht dat bij uitzetting aan voormelde vereisten wordt voldaan.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 december 2010 in zaak nr. 201002688/1/V3; www.raadvanstate.nl), dient de minister zich reeds bij de beoordeling of artikel 64 van de Vw 2000 op een vreemdeling van toepassing is, ervan te vergewissen dat het mogelijk is dat bij de daadwerkelijke verwijdering van de desbetreffende vreemdeling aan de door het BMA aan de uitzetting verbonden vereisten wordt voldaan en dat niet kan uitstellen tot het moment waarop daadwerkelijk tot verwijdering wordt overgegaan. Voorts volgt uit deze uitspraak dat, indien de minister in het onderliggende besluit inzichtelijk heeft gemaakt met welke concreet bij naam genoemde behandelaars dan wel instellingen vóór uitzetting van de desbetreffende vreemdeling contact zal worden opgenomen teneinde aan het door het BMA gestelde vereiste van fysieke overdracht te voldoen en de minister in dat besluit tevens heeft toegezegd dat die vreemdeling niet zal worden uitgezet ingeval de fysieke overdracht niet kan worden geregeld, hij aan vorenbedoelde vergewisplicht heeft voldaan. Deze vergewisplicht strekt evenwel niet zover dat de fysieke overdracht reeds ten tijde van de totstandkoming van dat besluit, voor zover dit feitelijk al mogelijk zou zijn geweest, geregeld en gegarandeerd dient te zijn.

2.3.2. In het advies van het BMA van 6 juli 2009 (hierna: het BMA advies) is te lezen dat, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, bij de vreemdeling ingeval van het staken van de noodzakelijke nierdialysebehandeling een medische noodsituatie zal optreden in de vorm van coma en uiteindelijk overlijden. Het BMA licht voorts toe dat de vreemdeling niet kan reizen, tenzij aan een aantal vereisten wordt voldaan. Deze vereisten houden in dat, voor zover hier van belang, voorafgaand aan de reis wordt geregeld dat de nierdialysebehandeling ter plekke daadwerkelijk doorgang krijgt en dat de vreemdeling na aankomst in het land van herkomst fysiek aan de behandelaars wordt overgedragen. In het BMA advies is voorts te lezen dat behandeling door een internist of nefroloog en nierdialysebehandeling in Armenië onder meer mogelijk is in MC Surb Grigor Lusavorich dan wel MC Erebuni (hierna gezamenlijk: de instellingen).

2.3.3. In het besluit heeft de minister, onder inlassing van het BMA advies, het standpunt ingenomen dat, voor zover thans van belang, de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V) vóór uitzetting van de vreemdeling contact zal opnemen met een ziekenhuis in Armenië, en dat met de internist afspraken zullen worden gemaakt over de datum en wijze waarop de medische behandeling zal worden overgedragen. Tevens heeft de minister in het besluit toegezegd dat, indien deze overdracht niet kan worden geregeld, de vreemdeling niet zal worden uitgezet.

2.3.4. Nu uit het door de minister, onder inlassing van het BMA-advies, in het besluit ingenomen standpunt volgt dat de DT&V vóór uitzetting van de vreemdeling contact zal opnemen met één van de twee in dat advies genoemde instellingen teneinde aan het vereiste van fysieke overdracht en continuering van de behandeling te voldoen, bestaat daarover voldoende duidelijkheid en heeft de minister aldus aan zijn vergewisplicht voldaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die nog bespreking behoeven.

2.5. De vreemdeling betoogt dat het BMA advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de BMA-arts uitsluitend is afgegaan op brondocumenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND), terwijl deze informatie door een onbekend gebleven bron is verschaft. De vreemdeling verwijst in dit verband naar een uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: het CTG) van 20 januari 2004 in zaak nr. 2004/34. Voorts betoogt de vreemdeling dat de hemodialysebehandeling in Armenië niet vergelijkbaar is met een dergelijke behandeling die hij hier te lande krijgt. Hij wijst in dit verband op een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 4 april 2006 in zaak nrs. 05/14414 en 05/14415. Daarnaast heeft het BMA volgens de vreemdeling ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de toegankelijkheid en beschikbaarheid van de medische zorg in Armenië. De vreemdeling voert in dit kader aan dat hij niet over de financiële middelen beschikt, en ook niet in staat is deze te verwerven, om de noodzakelijke medische zorg in Armenië te kunnen betalen.

2.5.1. Anders dan de vreemdeling stelt, zijn de brondocumenten die aan het BMA-advies ten grondslag liggen niet afkomstig van de IND, maar van International SOS, een internationale organisatie op het gebied van assistentie voor medische zorg en security en op het gebied van het managen van internationale medische risico's. Deze organisatie heeft eigen klinieken in verschillende landen en beschikt over een wereldwijd netwerk van alarmcentrales. Voor zover de vreemdeling bedoelt te betogen dat de minister ten onrechte is uitgaan van het BMA-advies, nu de aan het BMA advies ten grondslag liggende bronnen niet bij de minister bekend zijn, wordt overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2005 in zaak nr. 200505188/1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat, voor zover hier van belang, de enkele omstandigheid dat de door het BMA geraadpleegde bronnen niet bij de minister bekend zijn, geen grond biedt voor de conclusie dat de minister bij de besluitvorming niet van de juistheid en volledigheid van het BMA advies mag uitgaan. Verder kan het beroep van de vreemdeling op voormelde uitspraak van het CTG van 20 januari 2004 niet slagen, reeds omdat in die zaak, anders dan in de voorliggende zaak, het advies van het BMA uitsluitend was gebaseerd op door de IND verschafte landeninformatie. Aan de omstandigheid dat de kwaliteit van de gezondheidszorg in Armenië, vergeleken met de gezondheidszorg hier te lande, te wensen zou overlaten, komt volgens paragraaf B8/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 geen betekenis toe bij de door de minister te verrichten beoordeling. Ten aanzien van het betoog van de vreemdeling dat hij niet beschikt over de financiële middelen om in het land van herkomst de noodzakelijke medische zorg te kunnen bekostigen, wordt overwogen dat, wat er van dat betoog overigens ook zij, uit het BMA-advies naar voren komt dat slechts de nierdialysebehandeling noodzakelijk is teneinde een medische noodsituatie te voorkomen en dat de minister wat betreft de continuering van deze behandeling, zoals hierboven in 2.2.4 is overwogen, aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Voor zover de vreemdeling bedoelt te betogen dat nierdialysebehandeling voor hem in de toekomst niet is gegarandeerd, overweegt de Afdeling dat deze behandeling volgens het BMA-advies in algemeen medisch-technische zin in Armenië aanwezig is en dat de minister speculaties over mogelijke toekomstige belemmeringen in de toegang tot de noodzakelijke zorg niet bij zijn beoordeling behoeft te betrekken. Het betoog faalt.

2.6. Voorts betoogt de vreemdeling dat zijn uitzetting naar Armenië, gelet op zijn medische situatie, in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De vreemdeling voert hiertoe aan dat uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 2 mei 1997 in de zaak St. Kitts, nr. 146/1996/767/964 (RV 1997, 70) volgt dat ook de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst van belang is. Daarnaast wijst hij er op dat de kwaliteit van de medische zorg in Armenië te wensen overlaat en hij aldaar ook geen familie heeft die hem kan opvangen.

2.6.1. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM (onder meer de uitspraak van 27 mei 2008 in zaak nr. 26565/05, www.echr.coe.int/echr) volgt dat uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon, onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land, waarnaar wordt uitgezet, kan leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Van uitzonderlijke omstandigheden kan blijkens die jurisprudentie slechts sprake zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Gezien hetgeen hierboven in 2.2.2 tot en met 2.2.4 is overwogen, is dit niet het geval, zodat het betoog reeds hierom niet slaagt. Het betoog faalt.

2.7. Verder betoogt de vreemdeling dat hij in de bezwaarprocedure ten onrechte niet is gehoord.

2.7.1. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op hetgeen de vreemdeling in het door hem tegen het besluit van 11 september 2009 gemaakte bezwaar heeft aangevoerd, kon er redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat dit niet kon leiden tot het oordeel dat de vreemdeling voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 in aanmerking komt. De minister heeft zich dan ook niet ten onterechte op het standpunt gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het betoog faalt.

2.8. Het inleidend beroep wordt alsnog ongegrond verklaard.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 6 mei 2010 in zaak nr. 09/45921;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. De Vink

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2011

154-660.

Verzonden: 25 mei 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser