Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ5903

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2011
Datum publicatie
25-05-2011
Zaaknummer
201007627/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "2e partiële herziening bestemmingsplan De Vork" vastgesteld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007627/1/R1.

Datum uitspraak: 25 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Heerhugowaard,

en

de raad van de gemeente Heerhugowaard,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "2e partiële herziening bestemmingsplan De Vork" vastgesteld

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.H. Reverman, en de raad, vertegenwoordigd door A. Kögeler, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 20 december 2005 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland besloten over de goedkeuring van het door de raad bij besluit van 24 mei 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Vork".

2.2. De Afdeling heeft bij uitspraak van 7 maart 2007, zaaknr. 200600709/1, het besluit van 20 december 2005 vernietigd, voor zover goedkeuring was verleend aan het plandeel met de bestemming "Groen en Water" ter plaatse van het perceel van [appellante] aan de [locatie] (hierna: het perceel), en zelf voorziend goedkeuring onthouden aan dit plandeel.

2.3. De raad heeft bij besluit van 24 februari 2009 het bestemmingsplan "1e partiële herziening De Vork" vastgesteld. Met dit plan werd onder meer aan een deel van het perceel de bestemming "Groen en Water" toegekend.

2.4. Bij uitspraak van 28 oktober 2009, zaaknr. 200902544/1/R3, heeft de Afdeling, kort weergegeven en voor zover hier van belang, geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Groen en Water" ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening strekt, omdat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze bestemming binnen de planperiode verwezenlijkt zou worden, en het besluit van 24 februari 2009 in zoverre vernietigd.

2.5. Het thans bestreden plan voorziet voor een deel van het perceel in de bestemming "Bedrijven categorie 1 en 2" met de nadere aanduiding "t" (transportbedrijf) en voor een ander deel van het perceel in de bestemming "Tuin".

2.6. [appellante] betoogt dat het plan ten onrechte niet een uitbreiding van haar bedrijf tot het gehele perceel en met een tweede bouwvlak mogelijk maakt. Hiertoe voert [appellante] aan dat uit het akoestisch onderzoek van het Akoestisch Adviesbureau Stoop en Partners van 3 augustus 2010 blijkt dat er geen milieuhygiënische bezwaren bestaan tegen het toekennen van de bestemming "Bedrijven categorie 1 en 2" aan het gehele perceel. Voorts voert zij aan dat bij een tweede bouwvlak één van de benodigde geluidschermen niet nodig is indien aan de oostzijde van het perceel een extra loods wordt gebouwd. Dat hierdoor de openheid van het gebied wordt aangetast komt geen gewicht toe, aangezien het omliggende gebied wordt ontwikkeld ten behoeve van bedrijven met een hoge bebouwingsdichtheid.

2.6.1. De raad voert aan dat uit het oogpunt van het behoud van de groenstructuur in het bedrijventerrein onwenselijk is dat het bedrijf van [appellante] verder uitbreidt op het perceel. Dat er geen milieuhygiënische bezwaren bestaan tegen de bestemming "Bedrijven categorie 1 en 2" doet daarom niet ter zake. De raad stelt dat bovendien aan de juistheid van het akoestisch onderzoek moet worden getwijfeld. De raad voert voorts aan dat zelfs bij de bouw van een extra loods aan de oostzijde nog steeds twee geluidschermen met een totale lengte van 140 meter langs de Hasselaarsweg nodig zijn. De raad heeft bezwaar tegen dergelijke geluidschermen, aangezien deze het zicht van de omwonenden op het achterliggende gebied wegnemen.

2.6.2. Het ene deel van de gronden was ten tijde van de vaststelling van het plan als terrein voor het bedrijf van [appellante] en als ontsluiting in gebruik. Daaraan is in het plan de bestemming "Bedrijven categorie 1 en 2" toegekend. Op het andere deel van de gronden was ten tijde van de vaststelling van het plan grasland aanwezig. Daaraan is in het plan de bestemming "Tuin" toegekend.

Ingevolge artikel 2 van de planregels gelden voor de gronden met de bestemming "Bedrijven categorie 1 en 2" de regels zoals die zijn opgenomen in artikel 2 van het bestemmingsplan "1e partiële herziening bestemmingsplan De Vork.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, zijn de op de verbeelding aangewezen gronden met de bestemming "Tuin" bestemd voor tuinen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, mogen op gronden met de bestemming "Tuin" geen gebouwen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 3, lid 3.3.2, wordt in ieder geval tot een strijdig gebruik van de gronden met de bestemming "Tuin" gerekend het gebruik als parkeerplaats.

2.6.3. In de plantoelichting staat dat bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein De Vork gebruik is gemaakt van het landschappelijke karakter van het gebied. Daarbij is een helder onderscheid gemaakt tussen het bedrijventerrein en de randen daarvan. Er is voor gekozen deze randen ruimtelijk en functioneel te handhaven door tussen het bedrijventerrein en de linten aan de Hasselaarsweg en de Middenweg groene bufferzones te projecteren, zodat het bedrijventerrein over een robuuste groene hoofdstructuur beschikt. De gronden met de bestemming "Tuin" maken onderdeel uit van deze groenstructuur.

2.6.4. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond om het standpunt van de raad om het te realiseren bedrijventerrein te laten beschikken over een groene bufferzone onredelijk te achten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat alle gronden die [appellante] ten tijde van de vaststelling in gebruik had als zodanig zijn bestemd. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar belang bij een uitbreiding op de gronden met de bestemming "Tuin" zodanig is dat de raad hieraan in redelijkheid overwegende betekenis had moeten toekennen. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat een uitbreiding noodzakelijk is om de continuering van haar bedrijf veilig te stellen. Tevens heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat een uitbreiding aan de achterzijde van het perceel onmogelijk is. Gelet op het voorgaande hoefde de raad in redelijkheid niet tegemoet te komen aan de door [appellante] gewenste uitbreiding. De stelling van [appellante] dat er geen milieuhygiënische bezwaren bestaan tegen het toekennen van de bestemming "Bedrijven categorie 1 en 2" aan het gehele perceel, wat daarvan ook zij, kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.7. [appellante] betoogt voorts dat de bestemming "Tuin" in strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat deze bestemming niet binnen de planperiode van 10 jaar realiseerbaar is. Volgens [appellante] is zij niet van plan om deze bestemming te verwezenlijken en is ook de raad niet van plan om deze bestemming te verwezenlijken. Hiermee heeft de raad geen navolging gegeven aan de uitspraak van 28 oktober 2009, aldus [appellante].

2.7.1. De Afdeling heeft in voormelde uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat de bestemming "Groen en Water" in strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening was vastgesteld, aangezien niet aannemelijk was gemaakt dat deze bestemming binnen de planperiode verwezenlijkt zou worden. Anders dan hier het geval is met betrekking tot de bestemming "Tuin" was de bestemming "Groen en Water" toen ook toegekend aan gronden die gebruikt werden door het bedrijf. Anders dan [appellante] betoogt doet zich thans geen daarmee vergelijkbare situatie voor.

2.7.2. In de planregels is niet nader omschreven wat onder het begrip tuin dient te worden verstaan. Gelet hierop is voor de uitleg van het begrip tuin het normale spraakgebruik richtinggevend. Naar het oordeel van de Afdeling kan volgens normaal spraakgebruik onder het begrip tuin ook een grasveld worden verstaan. Gelet op het feit dat op de gronden met de bestemming "Tuin" reeds gras aanwezig is ziet de Afdeling, anders dan [appellante] betoogt, derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de bestemming "Tuin" niet binnen de planperiode realiseerbaar is.

2.8. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2011

270-703.