Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ5898

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2011
Datum publicatie
25-05-2011
Zaaknummer
201100280/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2010, nummer 10G201383, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Westermaat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100280/2/R3.

Datum uitspraak: 19 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], gevestigd te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, en anderen,

en

de raad van de gemeente Hengelo,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2010, nummer 10G201383, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Westermaat" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekster] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2011, hebben [verzoekster] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 april 2011, waar [verzoekster] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Driel, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door P. Neuteboom, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Met het plan beoogt de raad te voorzien in een eenduidige planologische regeling en een actueel planologisch kader voor het bedrijventerrein Westermaat.

2.3. Het verzoek van [verzoekster] en anderen heeft betrekking op de gronden aan de westzijde van de Hengeloseweg en de noordzijde van de Lemerijweg, waaraan de bestemming "Detailhandel - Perifeer" is toegekend, waarop zij een retailbedrijfsgebouw ten behoeve van perifere detailhandel wensen te realiseren. [verzoekster] en anderen kunnen zich niet verenigen met artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder a, van de planregels, ingevolge waarvan de gronden met de bestemming "Detailhandel - Perifeer" bestemd zijn voor perifere detailhandel met een minimale brutovloeroppervlakte (hierna: b.v.o.) van 1.500 m². Zij verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen omdat voornoemde planregel niet voorziet in de mogelijkheid om maximaal 6 units met een minimale b.v.o. van 750 m² per unit te realiseren.

2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat op 7 september 2009 bouwvergunning en vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zijn verleend voor het op voormelde gronden oprichten van een retailbedrijfsgebouw dat voorziet in een toevoeging van 21.000 m² b.v.o. perifere detailhandel en voorts dat ingevolge de vrijstelling voor de in het retailbedrijfsgebouw te vestigen winkels ten behoeve van perifere detailhandel een minimale b.v.o. van 1.500 m² geldt. De inwerkingtreding van het plan brengt geen verandering in de planologische mogelijkheden wat de minimale b.v.o. betreft. Het staat [verzoekster] en anderen vrij om gebruik te maken van de verleende bouwvergunning. In de omstandigheid dat [verzoekster] en anderen het gelet op de economische situatie dringend wenselijk achten om spoedig te kunnen beschikken over de mogelijkheid om maximaal 6 winkels met een minimale b.v.o. van 750 m² te realiseren, acht de voorzitter geen spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening gelegen. De gestelde financiële gevolgen van het niet op korte termijn kunnen realiseren van voormelde winkels - wat daar ook van zij - komen voor risico van [verzoekster] en anderen. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat zij destijds hebben ingestemd met een minimale b.v.o. van 1.500 m² per winkel in het kader van de verleende vrijstelling.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Zwemstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2011

91-655.