Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ5895

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2011
Datum publicatie
25-05-2011
Zaaknummer
201009876/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij twee onderscheidenlijke besluiten van 28 januari 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] aanlegvergunning en bouwvergunning te verlenen ten behoeve van het realiseren van een paddock op het perceel [locatie] te Soest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009876/1/H1.

Datum uitspraak: 25 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 september 2010 in zaak nr. 09/1939 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij twee onderscheidenlijke besluiten van 28 januari 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] aanlegvergunning en bouwvergunning te verlenen ten behoeve van het realiseren van een paddock op het perceel [locatie] te Soest.

Bij besluit van 10 juni 2009 heeft het college de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de besluiten van 28 januari 2009 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 9 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 november 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. G.A.E.M. van Zinnicq Bergmann, advocaat te Soest, en het college, vertegenwoordigd door ing. K.G.M. van Aken en J.K. Tupker, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De aanvraag om bouwvergunning ziet op het gedeeltelijk plaatsen en veranderen van een paddock met een omvang van 40 bij 20 meter, bestaande uit een houten hek, met gaas eronder, en zand van eigen bodem dat zal worden omgedraaid.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Soest-Zuid 1995" rust op deze gronden de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden".

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig op de plankaart aangewezen gronden bestemd voor:

a. het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, uitgezonderd glastuinbouw, en het houden van dieren, en

b. instandhouding van de aanwezige landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden.

2.3. Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van de indiening van de aanvraag om bouwvergunning, beslissen burgemeester en wethouders binnen twaalf weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen.

Ingevolge het derde lid, voor zover van belang, is het eerste lid niet van toepassing indien de aanvraag, kort weergegeven, niet zonder ontheffing of projectbesluit kan worden verleend.

2.4. Het college heeft geweigerd bouwvergunning te verlenen, omdat de paddock volgens hem onder meer in strijd is met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden".

Het college is niet bereid om ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen, omdat de paddock een negatieve invloed heeft op de landschappelijke waarden van het gebied en buiten de in het streekplan van de provinciale staten van Utrecht vastgelegde rode contour valt.

2.5. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de paddock geen onderdeel uitmaakt van het Landschapsontwikkelings- en inrichtingsplan, dat is opgesteld op initiatief van en in overleg met een ambtenaar van de gemeente Soest. De aanvragen om bouwvergunning en aanlegvergunning voor de paddock zijn separaat door [appellant] op 8 juli 2008 en 2 december 2008 ingediend en dienen afzonderlijk te worden beoordeeld. De omstandigheid dat de paddock is ingetekend op voornoemd plan, maakt dat niet anders nu de paddock niet op initiatief van de gemeente op het plan is ingetekend.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de bouwvergunning voor de paddock van rechtswege is verleend, nu de paddock niet in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming en na het indienen van de aanvraag een termijn van twaalf weken is verstreken. [appellant] betoogt daarnaast dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan. Volgens [appellant] heeft het college zijn op 26 juni 2001 vastgestelde beleid "De aanleg van paardenbakken binnen de gemeente Soest", inhoudende dat op gronden waarvoor een aanlegvergunningenstelsel geldt in de regel geen paardenbakken zijn toegestaan, niet in redelijkheid kunnen toepassen op onderhavige aanvraag. Een paddock kan niet gelijk worden gesteld met een paardenbak, nu een paddock uitsluitend dient als vrije uitloop voor paarden en een paardenbak is bedoeld als rijbaan voor de africhting van paarden, aldus [appellant]. Voorts voert [appellant] aan dat de paddock een geringe inbreuk maakt op het landschap en dat dit een reden voor het college had moeten zijn om het beleid niet toe te passen.

2.6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de voorziene paddock in strijd is met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden" als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan "Soest-Zuid 1995". Gelet op de tekst van dit artikel zijn de als zodanig aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor het voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren. Vast staat dat [appellant] de paarden niet voor zodanig agrarisch gebruik houdt, maar voor hobbymatige doeleinden. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de paddock in strijd is met de bestemming en dat de bouwvergunning niet van rechtswege is verleend.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college in redelijkheid zijn beleid ten aanzien van paardenbakken, dat beoogt de openheid van het landschap te bewaren, heeft kunnen toepassen op onderhavige aanvraag. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de ruimtelijke uitstraling van de paddock, gelet op de omvang en omheining, gelijk gesteld kan worden met een paardenbak.

Het betoog faalt.

2.7. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hem geen geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel toekomt, slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen sprake is van een gelijk geval, nu de paardenbak aan de Wieksloterweg is gelegen op gronden waar een ander bestemmingsplan alsmede een andere bestemming geldt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2011

414-564.