Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ5877

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2011
Datum publicatie
25-05-2011
Zaaknummer
201011919/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2010 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011919/1/H3.

Datum uitspraak: 25 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Capelle aan den IJssel ,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 2 december 2010 in zaak nr. 10/2061 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie (hierna: de minister), thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris).

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2010 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 27 mei 2010, aangepast bij besluit van 5 juli 2010, heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 december 2010, verzonden op 3 december 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 14 december 2010 en 17 januari 2011.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2011, waar [appellant] in persoon is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte ervan, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij uitoefening van deze bevoegdheid worden de Beleidsregels VOG-NP-RP 2008 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen (Stcrt. 24 juni 2008, 119; hierna: de beleidsregels) toegepast.

Volgens paragraaf 3, voor zover thans van belang, wordt bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel gekeken naar de justitiële gegevens die zijn opgenomen in de justitiële documentatie in de voor het doel van de aanvraag relevante termijn. De vraag of een VOG kan worden afgegeven, wordt beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.2, voor zover thans van belang, betreft het objectieve criterium de vraag of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of het beoogde doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Indien is vastgesteld dat het desbetreffende justitiële gegeven een risico voor de samenleving kan opleveren bij het vervullen van de desbetreffende functie, wordt de VOG in beginsel geweigerd.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat betrokkene heeft bij de afgifte van de VOG zwaarder weegt dan het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven, hoewel aan het objectieve criterium voor weigering wordt voldaan.

Volgens paragraaf 3.3.2, voor zover thans van belang, ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een afwijzing. Relevante omstandigheden van het geval zijn onder meer de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten, aldus de paragraaf.

Om vast te stellen of het aangetroffen antecedent een belemmering kan vormen voor de afgifte van de VOG, hanteert de minister bij de beleidsregels behorende zogenoemde screeningsprofielen.

Volgens het screeningsprofiel voor een taxiondernemer stuurt deze vanuit zijn functie mensen, de voor hem werkzame taxichauffeurs en een organisatie, aan. In afwijking tot de reguliere zogenoemde terugkijktermijn van vier jaren, wordt een termijn van vijf jaren gehanteerd. De ondernemer beslist over offertes, voert onderhandelingen en sluit contracten af, verschaft, schaft aan en heeft het beheer over goederen en producten, waaronder het wagenpark. Daarnaast gaat hij om met contante en girale waarden. Bij het omgaan met gelden bestaat het gevaar van diefstal of verduistering en het witwassen ervan. Door bijvoorbeeld het slecht beheren van het wagenpark bestaat het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en goederen. Ook bestaat het gevaar van vervalsing, onder andere van de ondernemersvergunning. Doordat de ondernemer vanuit zijn functie mensen aanstuurt, bestaat het gevaar van machtsmisbruik, afpersing en afdreiging, aldus de passage.

2.2. De minister heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat met [appellant] op 28 januari 2010 een transactie is overeengekomen tot betaling van € 1200,00 wegens het handelen in en/of in bezit hebben van middelen, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet, gelezen in verbinding met artikel 3, aanhef en onder C, van die wet.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat het door [appellant] aldus gepleegde strafbare feit, indien herhaald, een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie van taxiondernemer kan vormen, omdat overtredingen van de Opiumwet risico's voor het welzijn en de veiligheid van personen met zich brengen en dat de minister zich derhalve in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het objectieve criterium in de beleidsregels is voldaan.

Naar haar oordeel heeft de minister zich evenzeer op het standpunt mogen stellen dat er geen aanleiding bestaat om niettemin tot afgifte van een VOG te besluiten. Daartoe heeft zij overwogen dat de minister van belang heeft geacht dat er weliswaar één relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn is, maar er, lettend op de recente transactie, geen tijdsverloop is dat in het voordeel van [appellant] werkt. De minister heeft volgens haar tevens belang mogen hechten aan de ernst van het strafbare feit. Dat de weigering een VOG af te geven ingrijpende gevolgen voor [appellant] en zijn werknemers kan hebben, leidt volgens haar niet tot het oordeel dat de minister daaraan ten onrechte geen doorslaggevend belang heeft toegekend. Daartoe heeft zij in aanmerking genomen dat het gevolg van het niet verkrijgen van een VOG, te weten dat [appellant] niet als taxiondernemer mag functioneren, inherent aan de Wjsg is.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de minister de afgifte van de gevraagde VOG niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren, omdat hij in de uitoefening van zijn beroep nooit een gevaar voor de samenleving is geweest en zich als taxichauffeur altijd correct heeft gedragen. Voorts heeft de rechtbank volgens hem miskend dat de minister er onvoldoende gewicht aan heeft toegekend dat geen recidivegevaar bestaat en de weigering onevenredig grote gevolgen heeft voor hem, zijn zoon en stiefzoon, die bij hem in dienst zijn, en de onderneming, waarvan hij voertuigen in huurkoop heeft, nu sinds de transactie reeds een jaar is verstreken.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 januari 2007 in zaak nr. 200606020/1), hoeft de minister de omstandigheid dat de in aanmerking genomen strafbare feiten zich niet tijdens of in verband met het functioneren van de aanvrager als taxichauffeur hebben voorgedaan, niet van doorslaggevend belang te achten. Het gaat er om of een strafbaar feit, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat. De rechtbank heeft terecht in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het strafbare feit dat [appellant] heeft gepleegd, indien herhaald, een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie van taxiondernemer vormt.

Zij heeft evenzeer terecht geoordeeld dat de minister bij de toepassing van het zogenoemde subjectieve criterium in het korte tijdsverloop sinds de transactie ten tijde van het bestreden besluit aanleiding mocht zien om te oordelen dat een nog te korte periode was verstreken om aan te nemen dat het risico voor de samenleving voldoende was afgenomen. In de door [appellant] gestelde gevolgen van de weigering heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren om een VOG af te geven. Zij heeft daarbij met juistheid in aanmerking genomen dat het niet kunnen uitoefenen van de functie van taxiondernemer door de weigering van de afgifte van een VOG een voorzien en bedoeld gevolg van die weigering is en om die reden geen bijzondere omstandigheid, in verband waarmee de minister niettemin tot afgifte van de VOG had dienen te besluiten.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2011

312-598.