Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ5551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2011
Datum publicatie
23-05-2011
Zaaknummer
201006689/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8018, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vreemdeling, van Filippijnse nationaliteit, heeft bij aanvraag van 26 oktober 1988 (hierna: de aanvraag) verzocht om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 13 juli 1990 is op de aanvraag afwijzend beslist.

Bij uitspraak van 21 februari 1995 in zaak nr. R02.93.2274 (RV 1995, 2; hierna: de uitspraak van de Afdeling) heeft de Afdeling de beslissing van 26 maart 1993 waarbij de minister een verzoek om herziening van het besluit van 13 juli 1990 opnieuw heeft afgewezen, vernietigd.

Bij besluit van 4 juni 1996 heeft de minister de aanvraag van de vreemdeling opnieuw afgewezen. Dat besluit is door de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van de rechtbank 's Gravenhage (hierna: de REK) van 11 september 1997 in zaak nr. 97/4707 (JV 1997/8) in rechte onaantastbaar geworden. De REK heeft in haar uitspraak onder meer overwogen dat op grond van de uitspraak van de Afdeling als in rechte vaststaand moet worden aangenomen dat aan de vreemdeling artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag niet kan worden tegengeworpen. Voorts heeft de REK overwogen dat op grond van de uitspraak van de Afdeling als in rechte vaststaand moet worden aangenomen dat de vreemdeling gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van artikel 1 (A) van het Vluchtelingenverdrag en dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) er aan in de weg staat dat de vreemdeling direct of indirect naar zijn land van herkomst wordt verwijderd. Verder heeft de REK overwogen, samengevat en zakelijk weergegeven, dat gezien het ook in de uitspraak van de Afdeling erkende "gewichtig belang van de Nederlandse Staat, te weten de integriteit en geloofwaardigheid van Nederland als soevereine staat, met name in relatie tot zijn verantwoordelijkheden tegenover andere staten", niet gesteld kan worden dat de minister niet op redelijke wijze van zijn bevoegdheid om de aanvraag af te wijzen gebruik heeft gemaakt. Daarbij waren de feiten die ten grondslag lagen aan het in de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 1995 neergelegde oordeel ook voor de REK van doorslaggevende betekenis.

Met de Regeling is beoogd een oplossing te bieden voor de problemen die waren ontstaan ten aanzien van vreemdelingen die onder de Vreemdelingenwet (oud) een asielaanvraag hadden ingediend en mede door de lange duur van de procedures nog steeds in Nederland verbleven. Aan deze groep vreemdelingen diende, mede gelet op de verantwoordelijkheid die Nederland heeft voor vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend, zekerheid te worden geboden omtrent hun verblijf in Nederland.

Weliswaar heeft de vreemdeling met de doelgroep van de Regeling gemeen dat hij na het indienen van een asielaanvraag op grond van de Vreemdelingenwet (oud) nog immer in Nederland verblijft, doch door de uitspraak van de REK van 11 september 1997 was hem reeds de zekerheid geboden dat hem geen verblijfsvergunning zal worden verleend - om redenen die nog steeds van toepassing zijn - doch dat artikel 3 van het EVRM aan zijn uitzetting in de weg staat. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het standpunt van de minister dat de vreemdeling niet valt onder de strekking en reikwijdte van de Regeling, in rechte stand houdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006689/1/V1.

Datum uitspraak: 12 mei 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 16 juni 2010 in zaak nr. 09/20323 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) (hierna: de Regeling) ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 juli 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, ook al voldoet hij naar de letter aan alle vereisten voor verlening van een vergunning volgens de Regeling, hij niet kan worden geacht te vallen onder de strekking en reikwijdte daarvan omdat zijn situatie wezenlijk verschilt van die van de groep vreemdelingen voor wie de Regeling is geschreven.

De vreemdeling betoogt dat de Regeling niet slechts geacht moet worden betrekking te hebben op volledig uitgeprocedeerde en verwijderbare, maar nooit uit Nederland verwijderde asielzoekers, maar ook bedoeld is om een einde te maken aan de onzekerheid die voortvloeit uit het langdurig verblijf van op het moment van inwerkingtreding van de Regeling nog niet asielrechtelijk uitgeprocedeerde en verwijderbare vreemdelingen.

2.3. De vreemdeling, van Filippijnse nationaliteit, heeft bij aanvraag van 26 oktober 1988 (hierna: de aanvraag) verzocht om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 13 juli 1990 is op de aanvraag afwijzend beslist.

Bij uitspraak van 21 februari 1995 in zaak nr. R02.93.2274 (RV 1995, 2; hierna: de uitspraak van de Afdeling) heeft de Afdeling de beslissing van 26 maart 1993 waarbij de minister een verzoek om herziening van het besluit van 13 juli 1990 opnieuw heeft afgewezen, vernietigd.

Bij besluit van 4 juni 1996 heeft de minister de aanvraag van de vreemdeling opnieuw afgewezen. Dat besluit is door de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van de rechtbank 's Gravenhage (hierna: de REK) van 11 september 1997 in zaak nr. 97/4707 (JV 1997/8) in rechte onaantastbaar geworden. De REK heeft in haar uitspraak onder meer overwogen dat op grond van de uitspraak van de Afdeling als in rechte vaststaand moet worden aangenomen dat aan de vreemdeling artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag niet kan worden tegengeworpen. Voorts heeft de REK overwogen dat op grond van de uitspraak van de Afdeling als in rechte vaststaand moet worden aangenomen dat de vreemdeling gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van artikel 1 (A) van het Vluchtelingenverdrag en dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) er aan in de weg staat dat de vreemdeling direct of indirect naar zijn land van herkomst wordt verwijderd. Verder heeft de REK overwogen, samengevat en zakelijk weergegeven, dat gezien het ook in de uitspraak van de Afdeling erkende "gewichtig belang van de Nederlandse Staat, te weten de integriteit en geloofwaardigheid van Nederland als soevereine staat, met name in relatie tot zijn verantwoordelijkheden tegenover andere staten", niet gesteld kan worden dat de minister niet op redelijke wijze van zijn bevoegdheid om de aanvraag af te wijzen gebruik heeft gemaakt. Daarbij waren de feiten die ten grondslag lagen aan het in de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 1995 neergelegde oordeel ook voor de REK van doorslaggevende betekenis.

2.4. Met de Regeling is beoogd een oplossing te bieden voor de problemen die waren ontstaan ten aanzien van vreemdelingen die onder de Vreemdelingenwet (oud) een asielaanvraag hadden ingediend en mede door de lange duur van de procedures nog steeds in Nederland verbleven. Aan deze groep vreemdelingen diende, mede gelet op de verantwoordelijkheid die Nederland heeft voor vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend, zekerheid te worden geboden omtrent hun verblijf in Nederland.

Weliswaar heeft de vreemdeling met de doelgroep van de Regeling gemeen dat hij na het indienen van een asielaanvraag op grond van de Vreemdelingenwet (oud) nog immer in Nederland verblijft, doch door de uitspraak van de REK van 11 september 1997 was hem reeds de zekerheid geboden dat hem geen verblijfsvergunning zal worden verleend - om redenen die nog steeds van toepassing zijn - doch dat artikel 3 van het EVRM aan zijn uitzetting in de weg staat. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het standpunt van de minister dat de vreemdeling niet valt onder de strekking en reikwijdte van de Regeling, in rechte stand houdt.

De grief faalt in zoverre.

Hetgeen overigens als grief is aangevoerd behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. De Groot

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2011

210.

Verzonden: 12 mei 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser