Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4948

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
201007993/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2008 heeft het college geweigerd [appellante] vrijstelling en een lichte bouwvergunning te verlenen voor het in stand houden van een berging met overkapping en een erfafscheiding op het perceel [locatie] te Laren (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007993/1/H1.

Datum uitspraak: 18 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Laren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2010 in

zaak nr. 09/786 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Laren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2008 heeft het college geweigerd [appellante] vrijstelling en een lichte bouwvergunning te verlenen voor het in stand houden van een berging met overkapping en een erfafscheiding op het perceel [locatie] te Laren (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 november 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 18 juli 2008 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 2 juli 2010, verzonden op 5 juli 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door P.A. Dufour, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.R.M. van Lent, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het reeds gerealiseerde bouwplan voorziet in een berging met een overkapping met een oppervlakte van 12,5 m², alsmede in een erfafscheiding van 1,80 m hoog (hierna: het bouwplan), gesitueerd op het zijerf van het perceel.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor de berging met overkapping ingevolge de artikelen 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet, gelezen in verbinding met artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb), zoals deze luidden ten tijde van belang, geen bouwvergunning is vereist. Zij voert daartoe aan dat het bijgebouw op meer dan één meter afstand van het voorerf is gebouwd en naar het achtererf is gekeerd.

2.2.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van het Bblb, voor zover thans van belang, is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen van een op de grond staand bijgebouw van één bouwlaag bij een bestaande woning of bestaand woongebouw, dat strekt tot vergroting van het woongenot, mits wordt gebouwd op een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerd zijerf op meer dan 1 m van het voorerf. Uit artikel 1, eerste lid, van het Bblb volgt dat onder "weg" wordt verstaan: "een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994". Ingevolge die bepaling wordt, voor zover thans van belang, onder "wegen" verstaan: "alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden".

2.2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het pad dat langs het perceel van [appellante] loopt en waaraan de berging met overkapping is gelegen, een voor het openbaar verkeer openstaand pad is, nu niet is gebleken van belemmeringen om het te betreden en niet op kenbare wijze het recht is voorbehouden of de feitelijke mogelijkheid is geschapen om weggebruikers de toegang tot het pad te ontzeggen. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het college zich met juistheid op het standpunt stelt dat de berging met overkapping is gebouwd op een naar de weg gekeerd zijerf, zodat niet aan de kenmerken van het in artikel 2, aanhef en onder b, van het Bblb vermelde type bouwvergunningvrije bouwwerken is voldaan.

Het betoog faalt.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Omloop 1987" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel de bestemmingen "Tuin", "Erf" en "Woondoeleinden". Het bouwplan is gerealiseerd op gronden met de bestemming "Tuin".

Ingevolge artikel 6.2, aanhef en onder b, en artikel 6.3, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn op de bestemming "Tuin" bijgebouwen toegestaan, voor zover de oppervlakte niet meer bedraagt dan 5 m². Ingevolge artikel 6.4, aanhef en onder a, mag de bouwhoogte van een erfafscheiding ten hoogste 0,75 m bedragen.

Ingevolge artikel 6.5, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 3, onder a, voor het vergroten van de daar bedoelde oppervlakte tot ten hoogste 20 m², respectievelijk het aanbouwen, met dien verstande dat de afstand tussen de gebouwen en een aangrenzende bestemming "Verkeers- of verblijfsgebied" ten minste 5 m bedraagt.

Ingevolge artikel 6.5, aanhef en onder c, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 4 onder a, voor het verhogen van de daar bedoelde bouwhoogte tot ten hoogste 1.20 m.

2.4. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan.

2.5. Op 6 april 2001 is in de gemeente Laren de "Beleidsnota artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening" (hierna: de nota) in werking getreden. Deze nota bevat beleidregels voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de tot 1 juli 2008 geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening. Na de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) per 1 juli 2008 zijn deze beleidsregels niet ingetrokken, doch hebben zij hun werking behouden voor toepassing van artikel 3.23 van de Wro.

In de nota is in Hoofdstuk III, de Beleidscriteria, onder punt 3, de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen nader ingekaderd, waarbij is bepaald onder welke omstandigheden de vrijstelling in ieder geval wordt geweigerd.

In de Beleidscriteria, onder punt 1, is bepaald dat alle aanvragen die zijn gebaseerd op artikel 20 Bro, dus ook de onder punt 3 vermelde aanvragen, van geval tot geval worden beoordeeld.

2.6. Het college stelt zich op het standpunt dat verlening van vrijstelling voor de berging met overkapping krachtens artikel 6.5, aanhef en onder b, van de planvoorschriften niet mogelijk is, nu de afstand tussen het gebouw en de aangrenzende bestemming "Verkeers- of verblijfsgebied" niet ten minste 5 m bedraagt. Vrijstelling daarvan krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), is volgens het college evenmin mogelijk, omdat de nota daaraan in de weg staat. Daarin is vermeld dat de vrijstelling in ieder geval wordt geweigerd indien de aanvraag is gesitueerd in de bestemming "Tuin" van het betreffende bestemmingsplan.

Wat betreft de erfafscheiding stelt het college zich op het standpunt dat verlening van vrijstelling krachtens artikel 6.5, aanhef en onder c, van de planvoorschriften niet mogelijk is, nu de erfafscheiding hoger is dan de daar genoemde maximale hoogte van 1,20 m. Vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO, is volgens het college evenmin mogelijk, omdat de nota voor bouwwerken geen gebouwen zijnde vermeldt dat de vrijstelling in ieder geval wordt geweigerd indien de aanvraag in strijd is met een door de gemeenteraad vastgesteld en algemeen bekend gemaakt gemeentelijk ruimtelijk beleidsplan. Nu de erfafscheiding volgens het college is uitgevoerd in strijd met het bepaalde in de "Welstandsnota gemeente Laren 2005" (hierna: de welstandsnota), moet de vrijstelling volgens het college worden geweigerd.

2.7. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college aan het besluit om vrijstelling te weigeren een onjuiste belangenafweging ten grondslag heeft gelegd. Zij voert daartoe aan dat de welstandsnota de erfafscheiding zoals zij die heeft uitgevoerd, wel toestaat, en dat het college heeft aangegeven dat het bouwplan wellicht past in nieuw ruimtelijk beleid dat voor de gemeente aanstaande is. Verder stelt zij dat haar bijzondere persoonlijke omstandigheden het college aanleiding hadden moeten geven de vrijstelling te verlenen.

2.7.1. Ten aanzien van de erfafscheiding is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het college de vrijstelling en bouwvergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren wegens strijd met de nota. Nog daargelaten dat de welstandsnota niet kan worden aangemerkt als een ruimtelijk plan, voldoet de erfafscheiding aan de criteria van de welstandsnota. Daarin is voor zover hier van belang op pagina 62 het volgende vermeld: "Voor zover een gebouw geen publieksfunctie heeft, dienen erfafscheidingen aan de straatzijde uit hagen (…) te bestaan" en "Hekwerken (minimaal 90% open) van donkergroen of zwart geplastificeerd gaas of gegalvaniseerde staalmatten tot 2 meter hoog ter ondersteuning van groenblijvende beplanting is als erfafscheiding tussen voorgevel en straat/groenvoorziening toelaatbaar". Het college heeft zich hierop beroepen. Op pagina 63 van de welstandsnota wordt daarnaast evenwel het volgende vermeld: "In tuingebieden is een uit hout opgetrokken erfafscheiding vrijwel altijd een goede keus. Uit esthetisch oogpunt zijn houten vlechtschermen direct langs de openbare weg niet toegestaan. De kwetsbaarheid en uitvoering ervan maken deze schermen meer geschikt voor goed afgeschermde (tuin)situaties. Langs de openbare weg voldoen planken schuttingen beter".

Gelet op deze criteria in hun onderlinge samenhang bezien, voldoet de erfafscheiding van [appellante], uitgevoerd in de vorm van een planken schutting, aan de toepasselijke welstandsciteria, zoals ook wordt bevestigd door het positieve welstandsadvies van 15 januari 2008. Het college heeft aan de weigering van de vrijstelling voor de erfafscheiding dan ook een onjuiste motivering ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Gelet op het hierna volgende kan dit echter niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.7.2. Gezien het samenstel van de hiervoor aangehaalde, in de nota vervatte Beleidscriteria onder de punten 1 en 3, betekent het enkele feit dat de berging met overkapping op de bestemming "Tuin" is gelegen, niet dat het college reeds daarom de vrijstelling daarvoor op grond van die beleidsregels in ieder geval moest weigeren.

De rechtbank heeft echter terecht overwogen dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die het college noopten de vrijstelling voor de berging met overkapping te verlenen. Daarbij is van belang dat het bestemmingsplan de plaatsing van een berging op de bestemming "Tuin" toestaat, voor zover een maximale oppervlakte van 5 m² niet wordt overschreden. Ook heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat plaatsing van een berging op het perceelsgedeelte met de bestemming "Erf" onder voorwaarden mogelijk is. De overigens door [appellante] naar voren gebrachte bijzondere omstandigheden, te weten dat zij hulpbehoevend is en zich door de realisering van het bouwplan veiliger voelt, kunnen niet tot het oordeel leiden dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college in redelijkheid vrijstelling voor de berging met overkapping heeft kunnen weigeren. Dat, zoals door [appellante] gesteld, volgens het college het bouwplan wellicht wel past in toekomstig ruimtelijk beleid, leidt evenmin tot dat oordeel.

Het betoog faalt.

2.8. [appellante] betoogt verder dat zij erop mocht vertrouwen dat vrijstelling zou worden verleend, nu zij het bouwplan bij de totstandkoming ervan in overleg met een ambtenaar van de gemeente heeft aangepast. Zij wijst verder op een aantal volgens haar vergelijkbare gevallen in de gemeente waarin het college niet optreedt tegen met de wet strijdige situaties.

2.8.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak op juiste gronden overwogen dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, nu de betrokken ambtenaar niet bevoegd was om te beslissen over de vraag of voor het bouwplan bouwvergunning was vereist en of deze al dan niet zou worden verleend. Voor zover [appellante] wijst op situaties waarin het college volgens haar ten onrechte niet handhavend optreedt, wordt overwogen dat daaruit niet volgt dat het college vergelijkbare gevallen ongelijk behandelt, nu niet is gebleken dat in die gevallen, in tegenstelling tot in het geval van [appellante], onder vergelijkbare omstandigheden wel een bouwvergunning is verleend.

Het betoog faalt.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het gelet op hetgeen hiervoor onder 2.7.1 is overwogen, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011

17-641.