Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4920

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
201102842/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het college een begunstigingstermijn van een maand verbonden aan een bij besluit van 3 december 2009 opgelegde last onder dwangsom.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4792
JAF 2011/32 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102842/2/M1.

Datum uitspraak: 13 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de naamloze vennootschap Refining and Trading Holland N.V., handelend onder de naam North Refinery (hierna: North Refinery), gevestigd te Farmsum, gemeente Delfzijl,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het college een begunstigingstermijn van een maand verbonden aan een bij besluit van 3 december 2009 opgelegde last onder dwangsom.

Bij besluit van 25 januari 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft het college onder meer het door North Refinery hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 24 juni 2010 herroepen en een begunstigingstermijn van zes weken aan de bij besluit van 3 december 2009 opgelegde last onder dwangsom verbonden.

Tegen dit besluit heeft North Refinery bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2011, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft North Refinery de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 april 2010, waar North Refinery, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ozinga, advocaat te Rotterdam, [en gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.J.B. Caderius van Veen en S. Wiardi, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De last onder dwangsom van 3 december 2009 is opgelegd wegens de gestelde overtreding van het aan de aan North Refinery verleende milieuvergunning verbonden voorschrift 5.7. Volgens dit voorschrift mag de geur van de in de inrichting aanwezige (afval)stoffen niet op 100 meter van de grens van de inrichting waarneembaar zijn. Indien op een afstand van meer dan 100 meter geur van de inrichting wordt waargenomen, dient de vergunninghouder in overleg met het bevoegd gezag doeltreffende geurmaatregelen te nemen. In het besluit van 3 december 2009 wordt geconstateerd dat dit voorschrift is overtreden, en wordt North Refinery gelast in overleg met het college doeltreffende geurmaatregelen te nemen opdat er op een afstand van 100 meter van de inrichting geen geur meer wordt waargenomen. Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het college een begunstigingstermijn van een maand verbonden aan de bij besluit van 3 december 2009 opgelegde last onder dwangsom. Op 11 augustus 2010 en 23 augustus 2010 heeft het college invorderingsbesluiten genomen. Bij het bestreden besluit heeft het college een beslissing op bezwaar genomen waarbij de besluiten van 24 juni 2010, 11 augustus 2010 en 23 augustus 2010 worden ingetrokken en een begunstigingstermijn van zes weken na dagtekening van het besluit van 24 januari 2011 wordt verbonden aan de last onder dwangsom van 3 december 2009.

2.3. Voor zover de bezwaren van North Refinery betrekking hebben op het besluit van 3 december 2009, overweegt de voorzitter dat dit besluit in rechte onaantastbaar is, en in deze procedure niet ter beoordeling staat.

2.4. North Refinery stelt dat de begunstigingstermijn te kort is om aan de opgelegde last te kunnen voldoen. Daartoe voert zij aan dat de eerste fase in het proces om maatregelen te treffen die de geur reduceren, afgerond kan worden in juni 2011. Het is op voorhand niet duidelijk of na de realisatie van de maatregelen geen geur waarneembaar zal zijn op 100 meter van de inrichting en aan de last voldaan zal zijn, aldus North Refinery. Tenslotte stelt zij dat niet aan de last voldaan kan worden omdat het college weigert met North Refinery in gesprek te gaan over de doeltreffendheid van de maatregelen.

2.4.1. Het college stelt dat North Refinery voldoende tijd heeft gehad om maatregelen te treffen. Vanaf 3 december 2009 heeft North Refinery de mogelijkheid gehad om onderzoek te doen naar doeltreffende maatregelen en deze te realiseren, aldus het college. Tevens stelt het college dat het bereid is om in gesprek te gaan met North Refinery, maar dat het niet aan het college is om tot doeltreffende maatregelen te komen.

2.4.2. De voorzitter overweegt dat gezien de termijn die verstreken is om onderzoek te doen naar doeltreffende maatregelen en deze te realiseren en gezien het overige dat North Refinery heeft aangevoerd, geen aanleiding bestaat om het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Daarbij is in aanmerking genomen dat voor zover North Refinery betoogt dat haar inrichting niet in werking kan zijn zonder dat verzekerd kan worden dat voorschrift 5.7 wordt nageleefd, dit betoog zich in feite richt tegen genoemd voorschrift. De rechtmatigheid van het stellen van dit voorschrift staat in deze procedure evenwel niet ter beoordeling.

2.5. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2011

195-688.