Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4916

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
201011537/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kloosterveld" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4829
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011537/1/R1.

Datum uitspraak: 18 mei 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Ruinen, gemeente De Wolden,

en

de raad van de gemeente De Wolden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kloosterveld" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2011, waar [appellant], bijgestaan door G. Marissen, en de raad, vertegenwoordigd door J.M. van der Vinne, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord [secretaris] van de Bestuurscommissie Dwingelderveld, en H.E. ter Horst, werkzaam bij het waterschap Reest en Wieden.

2. Overwegingen

2.1. Het plan is opgesteld met het doel om uitvoering van het Inrichtingsplan Dwingelderveld (hierna: het inrichtingsplan) planologisch mogelijk te maken wat betreft de gemeente De Wolden en meer specifiek het Kloosterveld.

2.2. [appellant] kan zich niet verenigen met de planbegrenzing. Hij stelt dat het plan ook op gronden rondom het Kloosterveld betrekking moet hebben, waaronder zijn percelen, zodat de gevolgen van het plan voor de omgeving in samenhang kunnen worden bezien. Door die gronden in afzonderlijke plannen op te nemen, hanteert de raad volgens hem een "salamitactiek" en kan, zodra een bestemmingsplan wordt voorbereid voor het gebied waarin zijn woning is gelegen, geen rekening meer worden gehouden met het aannemersbedrijf dat hij bij zijn woning heeft.

2.2.1. Het plangebied maakt deel uit van het gebied waar het inrichtingsplan, voor zover het de gemeente De Wolden betreft, betrekking op heeft. De percelen van [appellant] vallen buiten het door het inrichtingsplan bestreken gebied en zijn gelegen op ongeveer 150 m afstand van het plangebied.

2.2.2. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het plan strekt tot uitvoering van het inrichtingsplan en de grenzen van het plangebied derhalve zijn afgestemd op de grenzen van het gebied waar het inrichtingsplan op ziet. Voorts zijn de gevolgen van het plan voor percelen in de omgeving uitdrukkelijk onder ogen gezien.

2.3. [appellant] betoogt dat ten onrechte niet is ingegaan op de gevolgen van het plan voor het grondwaterpeil op zijn percelen en dat de raad in dit verband niet heeft onderkend dat door het plaatsen van een damwand de overlast voor hem kan worden beperkt.

2.3.1. De raad heeft zich onder verwijzing naar de in de plantoelichting opgenomen waterparagraaf en de nota van beantwoording van de inspraakreacties op het standpunt gesteld dat de ten behoeve van het inrichtingsplan te treffen watermaatregelen en de effecten hiervan zijn afgewogen in het waterbesluit van het waterschap Reest en Wieden uit 2008 en het waterschapsbestuur met het oppervlaktewatermodel Noord Nederland heeft aangetoond dat er nauwelijks tot geen beïnvloeding is van het grondwater in de omgeving. Volgens de raad ondervinden de percelen van [appellant], die overigens niet grenzen aan het plangebied, geen overlast van de beïnvloeding van het oppervlaktewaterregime in het plangebied en is het aanbrengen van een damwand daarom niet noodzakelijk.

2.3.2. Anders dan [appellant] betoogt, is de raad wel ingegaan op de gevolgen voor het grondwaterpeil. De raad heeft in dit verband terecht gewezen op de in de plantoelichting opgenomen waterparagraaf, waarin de waterhuishoudkundige aspecten van het plan zijn beschreven, en de nota van beantwoording van de inspraakreacties, waarin specifiek is ingegaan op hetgeen [appellant] heeft aangevoerd. Rondom het Kloosterveld zal een kade worden aangelegd, om overlast door water in de omgeving te voorkomen. Voor zover op de percelen van [appellant] overlast wordt ondervonden van een hoge grondwaterstand, is door de raad op grond van onderzoek ter plaatse door het waterschap onweersproken gesteld dat de lokale overlast wordt veroorzaakt door de plaatselijk aanwezige storende bodemlagen boven de keileem, welke overlast niet wordt versterkt door toekomstige vernattingsmaatregelen op het Kloosterveld. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vrees van [appellant] voor wateroverlast op zijn percelen door de voorgenomen maatregelen in het plangebied niet gegrond is en voor het plaatsen van een damwand geen aanleiding bestaat.

2.4. [appellant] voert aan dat als gevolg van het plan overlast door muggen niet is uitgesloten. Daarbij wijst hij op een bosje, met een luwe zijde, in de onmiddellijke nabijheid van zijn woning, welk in samenhang met het aan te leggen natuurgebied met waterberging in het plangebied in dit opzicht een risico vormt. Voorts is de besluitvorming volgens [appellant] onzorgvuldig, nu in de reactienota zienswijzen volgens hem een kaart is opgenomen die geen betrekking heeft op zijn woning.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat, zoals uit de plantoelichting volgt, onder meer naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] een aanvullend onderzoek is gedaan door Grontmij naar de gevolgen van vernatting van het Kloosterveld en mogelijke overlast door, onder andere, muggen. Volgens het naar aanleiding daarvan opgestelde rapport "Verkenning mogelijke overlastdieren" van 16 juli 2010, gereviseerd op 25 augustus 2010, zijn muggen slechte vliegers en is op een afstand van 75 m van het brongebied het aantal muggen in een open gebied vanwege de windwerking met 95 tot 98% afgenomen. De kans op overlast door steekmuggen als gevolg van de planologische maatregelen voor het Kloosterveld zal gering zijn, aldus het rapport.

2.4.2. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op basis van voormeld rapport niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eventuele overlast door muggen gelet op de afstand van de woning van [appellant] tot het brongebied en de overheersende windrichting beperkt zal zijn. Daarbij betrekt de Afdeling dat het plan mogelijk maakt dat de locatie van een van de poelen in het Kloosterveld zo wordt gekozen dat deze op een afstand van 75 m van het door [appellant] genoemde bosje is gelegen. Overigens is het de verantwoordelijkheid van de beheerder om bij de uitvoering van het plan de nodige maatregelen ter bestrijding van muggenoverlast te nemen. Voorts wordt overwogen dat de in de reactienota zienswijzen opgenomen tekening betrekking heeft op een woning die minder dan 75 m van het plangebied verwijderd ligt, en derhalve niet op de woning van [appellant], welke verder weg gelegen is. Niet valt in te zien dat de raad met die kaart de woning van [appellant] heeft willen aangeven en in zoverre van een onzorgvuldige handelwijze sprake is.

2.5. Dat het plan van invloed is op de bedrijfsvoering van het aannemersbedrijf, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt.

2.6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Evenmin wordt daarin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011

91.